Sociale geschiedenis van de vroege middeleeuwen/Kerk

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

19. Kerk

De kerk hield processies en liturgische vieringen om het geloof te verspreiden. Men stelde de heiligen voor als machtiger dan de Germaanse goden. Men bouwde nieuwe basilieken en heiligdommen. En men maakte van de dodencultus een publieke zaak.

Concilies rond 510 veroordeelden helderzienden en waarzeggers als zijnde bezeten van de duivel. De heidense magie die de christenen kwalijk achtten, werd aan Satan toegeschreven en de rest probeerde men te integreren in de kerkelijke gebruiken (kerstenen).

God[bewerken]

De Germanen waren altijd bang geweest voor hun verre en angstaanjagende goden. De christelijke God daarentegen was goed en nabij. Omdat de kerk vreesde dat de Germanen daar geen respect voor zouden hebben, begon ze aan het einde van de Karolingische tijd God eveneens als vreeswekkend voor te stellen.

Duivel[bewerken]

Middeleeuwse afbeelding van de duivel, uit de Codex Gigas ca. 1230
St.Franciscus drijft duivels uit, ca. 1300
De doop van Augustinus van Hippo
Biechtstoel in de kapel van Helshoven, 1570

De oude heidense goden werden aan Satan en de duivels gelijkgesteld. De kerk probeerde om de duivel zo veel mogelijk te laten lijken op die vroegere goden en demonen. Die waren zeer wreed en de heidenen waren er bang voor geweest. De kerk probeerde om deze angst over te planten naar de angst voor de duivel en hoopte, dat deze angst voor de duivel de mensen op het rechte pad zou houden. De demonische krachten (zoals de bedreigende onmetelijkheid van de woeste natuur) hadden nu echter een naam: de duivel en tegen deze vijand kon men vechten.

De duivels werden voorgesteld als schimmen in de hel[1]. Ze waren onstoffelijk. Hun symbool was een leeuw of een slang. Volgens Gregorius van Tours kon hij (verkleed als vrouw) spottend op de bisschopszetel plaatsnemen.

De duivel had het vooral op de zwakken gemunt[2]. Vrouwen moesten dus altijd voor hem oppassen (want men veronderstelde dat vrouwen zwakker waren dan mannen). Hij liet zich in met list en jaloezie. Als een mens bijvoorbeeld jaloers was, dan was de duivel in zijn innerlijk aan het werk en de jaloerse mens moest hem dan in zijn eigen innerlijk bestrijden. Dus werd de duivel ook een innerlijke vijand. Men kon zelfs bezeten worden door de duivel. Bij een bezeten persoon kon de duivel worden geëxorceerd (uitgedreven) in de heiligdommen.

Innerlijk geweten[bewerken]

Er zijn verslagen gevonden van wonderbaarlijke genezingen in de Karolingische heiligdommen van noord-Frankrijk. Ongeveer 26% van die wonderen betreffen ziekten en ongelukken die hooggeplaatste mannen en vrouwen hadden getroffen. Zij zouden ziek zijn geworden of een ongeluk hebben gekregen nadat zij het bevel van een heilige hadden genegeerd of nadat zij skeptisch waren geweest omtrent de vermogens van de heilige of nadat zij een misstap voor hem verborgen hadden gehouden. De zondaar kreeg blijkbaar een straf, maar niet van de heilige want die bracht alleen maar genezing. De zieke moest zijn eigen geweten onderzoeken of hij geen misstap had begaan, want de ziekte was daar mogelijk de straf voor.

Bij de heidenen en de vroege Frankische christenen hadden het veelvuldige gebruik van geweld en de angst voor seksualiteit en de dood een dof schuldgevoel veroorzaakt. Men had de regels overtreden en zou daarvoor bestraft worden. Dit was een uiterlijk geweten. In de Karolingische tijd ging de mens over naar een innerlijk geweten door de verantwoordelijkheid bij zichzelf te leggen.

Sacramenten[bewerken]

Een aantal van de christelijke sacramenten werden in de loop van de zesde en zevende eeuw aangepast.

Doop[bewerken]

De doop was het inwijdingsritueel van de christenen. In de Merovingische tijd werden nog voornamelijk volwassenen gedoopt door hen onder te dompelen in een achthoekig bassin dat aan elke basiliek was aangebouwd[3]. In het begin van de Karolingische periode werd de doop een sacrament dat voornamelijk voor pasgeboren kinderen bestemd was en werd het doopwater over het kind uitgesprenkeld. Alleen in pas veroverde gebieden werden nog volwassenen gedoopt, omdat er daar ook nog volwassenen bekeerd werden.

De heidenen zagen water als de bron van het leven[4] maar bij de doop van de christenen symboliseerde het water de overgang naar een ander leven, vrij van de erfzonde. De mens ging met de doop op in de kerk en de christelijke samenleving. Ongedoopte mensen konden na hun dood niet naar de hemel.

Eucharistie[bewerken]

De voornaamste gebeurtenis tijdens de christelijke eucharistieviering was de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus (de consecratie). Op het einde van de Merovingische periode werd het gewijde brood in de hand van de gelovigen gelegd, maar reeds rond 580 had men tijdens een concilie geëist dat vrouwen hun handen eerst moesten omwikkelen alsof zij onrein waren. Alcuinus wilde uit angst voor heiligschennis dat de hostie (van ongegist brood) in de mond van de gelovigen werd gelegd.

Biecht[bewerken]

Tot 540 kon iemand die gezondigd had toetreden tot de boetelingen. Als de bisschop zich openlijk met hem verzoende, waren zijn zonden hem kwijtgescholden. Dit kon echter maar één keer in zijn leven: zondigde hij daarna weer, dan was hij voor eeuwig verdoemd. Dit leidde er echter toe dat veel mensen hun zonden pas op hun sterfbed ging opbiechten.

Oorbiecht[bewerken]

De Germaanse krijgslieden vonden het een niet te verdragen schande dat zij in het openbaar hun zonden moesten bekennen en dat zij bij herhaling van het vergrijp voor eeuwig verdoemd waren. Keltische monniken stelden daarom aan het einde van de zesde eeuw[5] de oorbiecht voor. Deze werd privé gevoerd met de geestelijke, de misstappen bleven geheim, evenals de opgelegde straffen en men kon nu vaker gaan biechten en kwijtschelding krijgen. Men kon dezelfde zonde telkens weer opnieuw gaan biechten en telkens opnieuw werd die zonde dan kwijtgescholden.

Boeteboeken[bewerken]

In de zevende eeuw kwamen er (waarschijnlijk vanuit Ierland) boeteboeken[6] met voor elke zonde een vaststaande boete van een aantal jaren vasten op water en (oud of opgebakken) brood. Was die boete voldaan, dan was de zonde vergeven. De boeteboeken leken dus sterk op de Germaanse wetsboeken.

De boeteboeken waren in wezen gefundeerd op de angst dat men door te zondigen in de hel zou komen. Door alle zondes en hun boetes precies te omschrijven, wisten de gelovigen precies wat ze moesten doen om uit de hel te blijven. Daarom had deze regeling veel succes en kwamen er minstens 46 boeteboeken.

Als een rijke zondaar niet kon of wilde vasten, dan kon hij zijn straf afkopen voor de prijs van een vast aantal schellingen per jaar vasten. Omdat de zondaar zijn straf kon afkopen en omdat hij dezelfde zonde telkens weer opnieuw kon gaan biechten, veranderde er weinig aan zijn gedrag. Men begon te denken dat het zielenheil kon worden gekocht. Het oude heidense contract: 'ik geef om te krijgen' (do ut des) bleef bestaan. Het concilie van Parijs in 829 veroordeelde dan ook de boeteboeken en beval ze te verbranden. Maar in de praktijk had iedere plattelands-geestelijke in de negende eeuw slechts twee of drie boeken, waarvan er altijd één een boeteboek was.

In de Germaanse wetsboeken maakten de rang en stand van de dader wel gelijk verschil bij het bepalen van de strafmaat: een adellijke kreeg voor hetzelfde vergrijp een lagere straf dan een vrije man en die kreeg weer een lagere straf dan een slaaf. In de christelijke boeteboeken echter werd er (bij de leken-zondaars) geen rekening gehouden met rangen en standen, geslacht, beroep of etnische afkomst. Een koning, een edelman, een vrije of een slaaf kregen dezelfde boete. De gelijkheid voor God[7] werd hiermee in praktijk gebracht. Geestelijken daarentegen kregen hogere boetes dan leken voor hetzelfde vergrijp. En hoe hoger de positie van de geestelijke hoe hoger de boete. Priesters en monniken moesten het goede voorbeeld geven en hoorden volstrekt vrij van zonde te zijn. Zij stonden boven het volk. Een leek die een moord had gepleegd kreeg 3 tot 5 jaar vastenboete, een bisschop die een moord had gepleegd werd afgezet en moest 12 jaar vasten.

In de boeteboeken werden drie zondes beschreven als de ernstigste:
1) Ontucht (alle mogelijke seksuele zonden)
2) Geweld
3) Meineed.

Karolingische hervormingen[bewerken]

In de negende eeuw werden de boeteboeken hervormd.

  • Diefstal werd (behalve als het plundering betrof van heiligdommen of heiligengraven) mild bestraft. In het Germaanse recht werd diefstal meestal strenger bestraft dan moord[8].
  • Een slaaf die van zijn meester een vergrijp had moeten plegen, hoefde zich geen zorgen te maken, want de meester werd verantwoordelijk gehouden en kreeg de boete. Dit zou in de vijfde eeuw ondenkbaar zijn geweest.
  • Een meester die een slaaf doodsloeg, kreeg vier tot vijf jaar boete, dezelfde boete als wanneer hij een vrij man had doodgeslagen. Tot dan toe werd de moord op een slaaf nauwelijks beboet[9].
  • Een meester die zijn eigen slavin aanrandde moest haar voor straf vrijlaten. Tot dan toe had iedereen het als zijn goede recht gezien om zijn eigen slavin aan te randen.
  • Iemand uit wraak vermoorden, zoals dat bij de vetes voorkwam, werd vanaf de negende eeuw door de kerk veel strenger bestraft. De kerk wilde hiermee de vetes tussen de parenteles laten ophouden.
  • Over de moord op een vrouw door haar echtgenoot werd door de boeteboeken van vóór de negende eeuw niet eens gesproken. Dat is logisch, want de Merovingische adellijken mochten (in plaats van hun vrouw te vermoorden) nog concubines nemen en hun vrouw verstoten. In de Karolingische tijd werd dat echter verboden want de kerk wilde monogamie en onverbrekelijkheid van het huwelijk. Daarop kwam de 'Karolingische echtscheiding' in zwang. De adellijke kon zijn vrouw, als ze onvruchtbaar was, of nutteloos, of twistziek, of zijn politieke aspiraties in de weg zat, laten vermoorden, het weergeld betalen en vervolgens volkomen legaal hertrouwen. De kerk wilde dit soort praktijken tot staan brengen en beschouwde dit als de ernstigste soort moord. In drie boeteboeken werd het gelijkgesteld aan moord op de vader of op de heer. De vastenboete hiervoor bedroeg in de negende eeuw nog 14 jaar maar ging in de elfde eeuw omhoog naar de doodstraf. Het gebruik van de "Karolingische echtscheiding" viel daardoor sterk terug. De adel moest toen naar sluwere wegen gaan zoeken om te ontsnappen aan hun vrouw. Maar een vrouw die haar man vergiftigde werd net zo zwaar beboet. De kerk probeerde dus de gelijkheid van man en vrouw te bevorderen.
  • Overspel werd vóór deze Karolingische hervorming beboet met drie jaar vastenboete. Maar daarna steeg die tot zeven jaar.
  • De boeteboeken waren milder als het ging om aanranding en schaking. De boete was vóór de vernieuwing drie jaar en dat bleef ook zo (behalve als de dader een geestelijke was). Schaking en aanranding vonden namelijk vaak plaats om een huwelijk af te dwingen en de twee jongelieden hadden dit dan samen uitgebroed. De kerk wilde graag weten of de twee jongelieden het eens waren over de gang van zaken[10] want de kerk vond dat een huwelijk gesloten moest worden op basis van wederzijdse instemming. Een groot verschil met de tot dan toe gangbare praktijk waarbij de ouders het huwelijk arrangeerden.

Verschillen tussen heidenen en christenen[bewerken]

De heidenen en de christenen hadden soms een ander idee over wat zonde was en bestraft moest worden.

  • Bestialiteit, sodomie en orale seksualiteit waren voor de heidenen vrij normaal, maar de christenen veroordeelden het. Oraal contact uitgeoefend door de vrouw, werd door de kerk gezien als een soort duivelskunst bedoeld om het verlangen bij de man op te wekken.
  • Het verstoten van vrouwen was voor de heidenen tamelijk normaal. Zij verstootten hun vrouw voornamelijk omdat zij onvruchtbaar was gebleken. Voor de heidenen was vruchtbaarheid zeer belangrijk om hun maatschappij in stand te houden[11]. Een onvruchtbare vrouw gold als door de goden verdoemd. Voor de christenen met hun idee over caritas was onvruchtbaarheid onbelangrijk. In de negende eeuw kwamen er ernstige botsingen tussen de kerk en de adel naar aanleiding van het huwelijk en de oude rechten van de adel als polygamie en incest.
  • Polygamie was voor de Germaanse adel normaal. De christenen wilden het verbieden.
  • Incest was voor de heidenen vrij normaal omdat zij vaak binnen hun parentele trouwden. De christenen wilden het verbieden.
  • Vrouwelijke homoseksualiteit was voor de heidenen van geen belang, de lesbienne bleef volgens hen rein in tegenstelling tot de mannelijke homoseksueel, die volgens de Germanen weinig meer dan een mestkever was. Maar vrouwelijke homoseksualiteit werd door de christenen net zo streng veroordeeld als mannelijke homoseksualiteit.
  • Masturbatie vonden de heidenen geen probleem maar de christenen bestraften het. Bij jongeren licht, bij volwassen mannen met een jaar boetevasten en drie jaar voor volwassen vrouwen[12].
  • Coïtushoudingen anders dan het missionarisstandje waren voor de heidenen geen probleem maar de christenen veroordeelden ze streng. Ook allerlei andere seksuele praktijken werden door de kerk heidens, magisch of des duivels genoemd.
  • De Germanen zagen de hartstocht als iets dat puur van de vrouwen afkwam, maar de christenen beschuldigden zowel de man als de vrouw hiervan. De geslachtsgemeenschap was uitsluitend bedoeld voor de voortplanting. Plezier tijdens de gemeenschap was toegestaan, maar als het alleen maar daar om ging, werd het veroordeeld.
  • De vrouw werd door de heidenen als van nature onrein gezien door haar bloed en door al haar lichaamsafscheidingen. Hoewel de kerk (deels) probeerde de vrouw als de gelijke van de man voor te stellen, bleef deze heidense vrouwenhaat nog lang bestaan.
  • De christenen tilden zwaar aan overtreding van het gebod op seksuele onthouding: 3 dagen voor en tijdens de zondagen, de feestdagen, de vasten etcetera. In totaal mocht men circa 165 dagen per jaar geen seksueel verkeer hebben. Het is niet zeker of alle heidenen (en christenen) zich daar stipt aan hielden.

Overeenkomsten tussen heidenen en christenen[bewerken]

De heidenen en de christenen dachten soms hetzelfde over wat zonde was en bestraft moest worden.

  • Abortus (door vruchtafdrijvende drankjes) en het gebruik van anticonceptie werden zowel door de heidenen als door de christenen veroordeeld. Door de heidenen omdat zij de voortplanting zo belangrijk vonden en door de christenen omdat zij het moord vonden. Abortus en anticonceptie werden zowel door de heidenen als door de christenen gezien als zaken waar alleen de vrouwen voor verantwoordelijk waren.
  • Liefdesdrankjes werden zowel door de heidenen als door de christenen veroordeeld. De heidenen zagen het gebruik van dit soort middelen als vrouwenkunsten die leidden tot de blinde hartstocht van Amor en de christenen vonden de begeerte een zonde.
  • Castratie, zowel als wettelijke straf alsook als onderlinge wraak, werd zowel door de heidenen als door de christenen afgewezen.
  • Naaktheid werd zowel door de heidenen als door de christenen veroordeeld.
  • Weduwen werden zowel door de heidenen als door de christenen ontmoedigd om te hertrouwen.
  • Seksuele omgang tijdens de menstruatie of vlak na de bevalling zou onrein zijn, vonden zowel de heidenen als de christenen. Het doel van het huwelijk was de voortplanting en de voortplanting was pas geslaagd als de reinheid van beide echtgenoten 100% was.
  • Sodomie en overspel golden zowel bij de heidenen als bij de christenen als verdorven. Maar vanaf de negende eeuw werd de boete die de biechtvader oplegde aan de overspelige man net zo hoog als voor de overspelige vrouw. Tot dan toe had de man daar nauwelijks of geen boete voor gekregen, want de heidenen vonden dat overspel alleen de vrouw bezoedelde en niet de man.

Eigenkerk[bewerken]

Al vanaf het begin van de overgang naar het christendom hielpen Germaanse edelen de missionarissen aan landerijen en goederen om kerken en kloosters te stichten. Maar die edelen beschouwden zichzelf vervolgens feitelijk als de eigenaar van die nieuwe kerk. Zij schonken dan een onvrije boer de vrijheid en gaven hem een priesterlijke vorming. Dan had de grootgrondbezitter een privé-priester die hem van een plaats in de hemel kon verzekeren door gebeden te doen en missen op te dragen. Vorstelijke beschermheren van bisdommen en kloosters dachten er hetzelfde over.

De priester werd door dit systeem van "eigenkerken" gedegradeerd tot een lid van het huispersoneel (vooral in Francia): hij was arm, leefde vaak in mensonwaardige toestanden en werd door velen veracht. Omdat hij kon lezen en schrijven, moest hij vaak de boekhouding van zijn heer doen en soms ook nog allerlei andere klusjes. Vaak mocht hij niet eens mee eten met de heer (wat de meeste slaven wèl mochten). Rond 1000 wilde de adel feitelijk de hele kerk overnemen om zich zo te verzekeren van een plaats in de hemel.

De Gregoriaanse hervormingsbeweging probeerde dit tij te keren. Al in de negende eeuw werden er kloosters gesticht die onder geen enkel lekengezag stonden.

Noten[bewerken]

  1. Het woord hel komt waarschijnlijk van Hel, de Noorse godin van de onderwereld.
  2. Met het binnenhalen van de ziel van een sterk persoon kon de duivel meer eer inleggen, maar de ziel van zwakkeren was zoveel gemakkelijker om te veroveren. Keith Thomas, Religion and the decline of magic
  3. Doop door onderdompeling
  4. Visserij en water als de bron van het leven.
  5. Oorbiecht mogelijk al in de vijfde eeuw gebruikelijk.
  6. Boeteboeken
  7. Voor de vorsende blik van God was iedereen gelijk.
  8. Germaans recht veroordeelde diefstal met de dood en moord met een boete.
  9. Doden van een slaaf kostte vrijwel niets.
  10. In Noord-Gallië introduceerde de kerk de 'stefgang'. Na klachten over schaking en aanranding moest het meisje publiekelijk tussen twee palen gaan staan. Achter de ene paal stond de parentele van de ontvoerder en achter de andere paal de parentele van het meisje. Als het meisje naar haar eigen parentele ging, dan liet zij weten dat zij niet met de jongen wilde trouwen en dat hij haar tegen haar zin geschaakt en verkracht had. Dan moest de parentele van de aanrander weergeld betalen. Ging ze echter naar de parentele van de jongen, dan liet zij weten dat zij samen met de jongen de schaking en verkrachting bekokstoofd hadden om haar ouders tot een huwelijk te dwingen. Dan werd het huwelijk officieel ingezegend. Dus het meisje werd gelijkgesteld aan de man en mocht zelf kiezen.
  11. Bevolkingsopbouw
  12. Masturbatie
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.