Sociale geschiedenis van de vroege middeleeuwen/Vraat- en hebzucht

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

8. Vraat- en hebzucht

Maaltijd[bewerken]

De Germanen die leefden in de vroege middeleeuwen geloofden dat men van samen eten sterk werd en dat het het gemeenschapsgevoel begunstigde. Ook zou men hierdoor contact krijgen met de goden, die een bron van leven waren. Het avondmaal vond men belangrijker dan het middagmaal.

Eetgewoonten[bewerken]

Na de vijfde eeuw gebruikte men steeds meer bekers. Schalen verdrongen de kelken. Kelken konden met één hand worden opgenomen maar schalen moesten met twee handen worden opgenomen. Daaruit kan afgeleid worden, dat de Romeinse gewoonte om aan het diner aan te liggen en op een elleboog te steunen, verdween ten gunste van het Gallische en Germaanse gebruik om zittend rond de tafel te eten, waarbij allebei de handen vrij waren. Op deze manier kon men zelfs lepel en mes gaan gebruiken, maar men at toch voornamelijk met de handen, zodat deze tijdens de maaltijd vaak gewassen moesten worden.

Keuken[bewerken]

Vraatzucht[bewerken]

Vraatzucht was al in de vierde eeuw algemeen bij de Germanen. De rijkeren vraten en zopen soms de hele nacht door en bleven in de ochtend liggen waar ze dronken neergezegen waren, om de dag te verslapen. Ook de slaven kregen hun deel.

Vraatzucht en dronkenschap waren echter niet alleen het voorrecht van de rijken. Wijn was goedkoop en lag binnen ieders bereik. Dronkenschap vond men geen probleem, want men zag het als een geschenk der goden. De vreet- en slempfestijnen waren algemeen verbreid, zowel in de Merovingische als in de Karolingische tijd.

Kloosters[bewerken]

Ook in de kloosters heerste de vraatzucht. De welvaart van de Karolingische tijd bracht een overvloed aan voedsel met zich mee. Het vasten van sommige monniken en van de kluizenaars[2] stond hiermee in scherp contrast.

Elke monnik nuttigde per dag:

  • 1,7 kg brood, (1,4 kg voor een kloosterzuster)
  • 1,5 liter wijn of bier. De wijn was met venkel, munt of salie gekruid.
  • 70-100 gram kaas
  • 230 gram linzen- of erwtensoep (130 gram voor de nonnen).

De leken binnen en buiten het klooster kregen per dag:

  • 1,5 kg brood
  • 1,5 liter wijn of bier
  • meer dan 100 gram vlees
  • meer dan 200 gram gedroogde puree van groenten
  • 100 gram kaas tot besluit.

Het komt allemaal neer op circa 6000 calorieën[3].

Men was ervan overtuigd dat alleen zware en vette gerechten voedzaam waren. Brood zag men als het hoofdgerecht. Alles dat aan het brood werd toegevoegd was eigenlijk bijzaak. Wortels, fruit, vlees en soepen waren allemaal bijzaak. Als er geen borden waren, at men de lekkernijen op een snee brood.

De zwaar verteerbare schotels moesten uiteraard besprenkeld worden om ze te "laten zakken". Dat deed men met wijn. Sommigen denken dat dit een lichte wijn geweest moet zijn. Dat is echter niet zeker, want als de wijn op was en men over moest gaan op bier, werden de hoeveelheden verdubbeld.

Men gebruikte kruiden, specerijen en het garum om de eetlust op te wekken. Tijdens en na de maaltijden klonken er luide scheten en boeren, want dit was een teken van gezondheid en een teken voor de gastheer dat het gesmaakt had. De maaltijden zaten vol zetmeel en eiwitten en bevatten nauwelijks vitaminen. Er werden dus lange siësta's gehouden om de zaak te verteren. Omdat de voeding niet evenwichtig was, kwam het hongergevoel snel terug en moest er weer gebunkerd worden. Men werd dus vet. De oudere kloosterzusters leden aan verstopping. De gelovigen gaven hun dan heel lief een paar biggetjes om op te eten, zodat het beter zou gaan.

Gregorius van Tours ergerde zich over deze vraatzucht en Columbanus hield zijn monniken voor om alleen wortels, knollen, rapen, gedroogde groenten en meelpap te eten om de maag niet te belasten en de geest niet te verstikken. In de tiende eeuw werden de dagelijkse maaltijden van de monniken wat kleiner, maar met de banketten van twee of drie dagen bleef men doorgaan. De Karolingische eetgewoonten en zeker het gebruik van wijn werden door de elfde-eeuwse concilies streng verboden voor geestelijken. Maar de andere mensen bleven er gewoon mee doorgaan.

Feesten[bewerken]

Tot nu toe zijn alleen de 'gewone' porties behandeld. Maar er waren ook feesten. De monniken, kanunniken en leken kregen dan circa een derde meer. En er waren veel feesten. De christenen kenden zeker 60 feestdagen. Daar kwamen de gedenkdagen van heiligen nog bij en de herdenkingsmaaltijden ter ere van de leden van Karolingische familie. Men at op deze dagen wel ongeveer dezelfde hoeveelheid brood als anders, maar het rantsoen voor wijn en groenten werd verdubbeld. Tevens kreeg iedereen op deze bijzondere dagen zes eieren en twee stuks gevogelte of een kilo vlees. Deze feestmalen bevatten circa 9000 calorieën.

In de vastentijd kregen de monniken schol, haring of paling in plaats van vlees of gevogelte.

Boeren[bewerken]

De rijkere boeren en grondbezitters aten ongeveer hetzelfde en vrijwel dezelfde hoeveelheden als de monniken. De boeren zullen door hun zware arbeid de in de maaltijden aanwezige calorieën wel opgebruikt hebben. Of de vele keuterboertjes, landarbeiders en handwerklieden zich deze slemppartijen konden permitteren valt echter sterk te betwijfelen. Waarschijnlijk moest het gewone volk hard werken voor een karig maal.

Achtergronden[bewerken]

Deze slemppartijen hadden Germaanse gebruiken als achtergrond: offermaaltijden voor de goden en de samenzweringen van de gilden. Men dacht dat de vreetpartijen een goede groei en voortplanting garandeerden. Ze werden vaak opgedragen aan het heil van de Karolingische familie en gingen vergezeld van verplichte gebeden opdat de koningin of keizerin nageslacht zouden krijgen. De dikke pens van de monnik zou dan de dikke buik van de koningin moeten bevorderen. De gebeden aan de banketten zouden het welzijn van het rijk en de keizer, de gezondheid van zijn vrouw en kinderen, de overwinning van het leger en het slagen van de oogst bevorderen. Zelfs een flink deel van de liturgische tijd werd aan deze banketten besteed.

Hebzucht[bewerken]

Hebzucht was alom. Aan het einde van de Merovingische tijd begonnen de adel en de rijke geestelijkheid geld te verzamelen en enorme persoonlijke of kerkelijke schatten op te stapelen en te verbergen. Karrevrachten vol goud, zilver, sieraden en juwelen. Kostbare kleren en edelstenen. Vergulde zwaarden, met edelstenen ingezet, ivoren opzetstukken, marmeren of hoornen vazen bedekt met goud. Pracht en praal werden bepalend voor iemands rang.

De hebzucht werd aan de kaak gesteld door Gregorius. In de Karolingische tijd werd men iets gematigder.

De Merovingische goudsmeedkunst vervaardigde aanvankelijk vooral beschermende amuletten, maar tussen de vijfde en de achtste eeuw werden de producten steeds groter en mooier. Men maakte ceintuurgespen, kelken, sabelriemen met filigraan, beurssloten, oorhangers en haarspelden en gouden zegelringen[4]. De De Merovingische en Karolingische goudsmeedkunsten stonden op een hoog peil, maar er is niet veel van overgebleven.

Noten[bewerken]

  1. Vissaus in het Romeinse rijk
  2. Kluizenaars
  3. Iemand die zware lichamelijke arbeid verricht heeft ca 5000 calorieën nodig.
  4. Men kon met een zegelring een teken onder een oorkonde in was drukken hetgeen de rang en de rijkdom van de uitvaardiger zichtbaar maakte.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.