Sociale geschiedenis van de vroege middeleeuwen/Eigendom en omheining

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

4. Eigendom en omheining

Eigendomssymbolen[bewerken]

Eigendommen van particuliere personen werden in de vroege middeleeuwen veelal aangegeven door tekens en symbolen.

  • De Franken gebruikten staken om de grond te markeren die bij hun erfgoed hoorde. Men stak ze in de weide als het gras begon te groeien en op de akkers als het graan begon te groeien. Dat betekende dat deze grond niet meer tot de gemeenschappelijke ongecultiveerde grond (meentgronden of saltus) hoorde (waar iedereen mocht jagen en vruchten verzamelen), maar nu privébezit was.
  • In het Bourgondische en Salische recht was sprake van bomen die als markering dienden en van grensstenen.
  • Het vaandel werd gebruikt om aan te geven dat datgene wat zich "onder het vaandel" bevond, privébezit was. Goederen onder het vaandel van een verslagen vijand konden vrijgegeven worden ter plundering. En de plunderaars plantten er dan hun privévaandels op ten teken dat het nu hun privébezit was.
  • De omheining (het hek of de haag) was het belangrijkste eigendomssymbool.

Omheining[bewerken]

In de Merovingische en Karolingische tijd werd om bijna elk privé-gebied een omheinig gebouwd. Er kwamen omheiningen om wijngaarden, tuinen, erven, huizen en dorpen[1]. Het waren voornamelijk de vorsten, vazallen, ridders, landheren en de rijke boeren die hun huizen en erven omheinden.

Huisdieren die de oogst opvraten of de gewassen vertrapten, werden zonder pardon gedood. Dieven die van de oogst hadden gestolen, werden bestraft. Ze werden strenger bestraft als ze een omheining hadden beschadigd en nòg strenger als ze stukken omheining voor eigen gebruik hadden weggenomen. De boete kon oplopen tot vijf maal die van de prijs van een slaaf of paard. Het Salische recht stelde dat als een vrije man een hek verwijderde of beschadigde, hem een hand afgehakt zou worden en indien een slaaf dit deed hij ter dood veroordeeld zou worden.

Misdaden als diefstal, brandstichting en moord werden dubbel zo zwaar bestraft als ze binnen een omheining hadden plaatsgevonden. Anderzijds kon een vazal zich niet bemoeien met de gang van zaken binnen een omheining als de schuldige aan het misdrijf binnen dezelfde omheining woonde. Hij (de openbare macht) mocht niet tussenbeide komen, hij mocht zelfs niet het omheinde erf betreden tenzij hij daartoe door de heer des huizes (dominus) was uitgenodigd.

Vrijplaats[bewerken]

De omheinde erven en huizen werden geïsoleerde vrijplaatsen omgeven door de 'woestijn' en de openbare ruimte.

  • Als de vrije mannen deze vrijplaats verlieten, droegen ze wapens.
  • Als de aanzienlijke vrouwen deze vrijplaats verlieten, bedekten ze hun hoofd met een sluier.

Binnen de omheining borg men zijn bezittingen op: voedselvoorraden, gereedschappen, sieraden en het vee. Verder bevonden zich binnen de omheining: de minderjarige jongens, de vrouwen (die altijd minderjarig bleven), weduwen, wezen en de slaven. Al deze mensen vielen onder het huisrecht dat door de huisheer (dominus: de vazal, de ridder of de landheer) werd uitgeoefend. Ze waren zijn dienstbare huispersoneel (familia) en 'in zijn hand' ofwel in zijn 'mundeburnium'[2].

Op drie manieren kon dit dienstbare huispersoneel (familia) overgaan van de hand van de huisheer naar de hand van de publieke macht.

  1. Als mensen de omheining uitliepen zonder begeleiding van de heer (dominus) of van een vrije man van hun huishouding. Als ze vervolgens op openbare wegen of pleinen terecht kwamen, waren ze vreemdelingen (aubains) geworden, en vielen ze niet meer onder het vaderlijke gezag van hun heer maar onder het gezag van de vazal.
  2. Als de heer afwezig was en er geen vrije man was om de familia te beschermen dan viel daarmee de familia onder het publieke gezag van de vazal.
  3. De huisheer kon de vazal om hulp vragen of bij hem een klacht (clamor) indienen als er binnen zijn omheining een misdaad was gepleegd en hij kon de schuldige uitleveren aan de vazal.

In toenemende mate zou de dominus (ook de landheer) een feodale heerser worden.

Noten[bewerken]

  1. Het Engelse woord 'Town' zou afkomstig zijn van het Germaanse 'Zaun', omheining
  2. Mundeburnium
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.