Sociale geschiedenis van de vroege middeleeuwen/Huis en tuin

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

9. Huis en tuin

Huizen en boerderijen[bewerken]

Adellijken[bewerken]

In het Gallo-Romeinse Rijk bleef de verfijnde Romeinse bouwkunst met zijn villae van stenen muren, marmeren vloeren en verwarmde vertrekken nog tot aan het einde van de zesde eeuw bestaan, maar in de rest van West-Europa werden de steenconstructies van heerlijke[1] of koninklijke huizen grover en de pattegronden eenvoudiger. Veel kamers waren ook nu nog verwarmd.

De bijgebouwen waren: de stal, keuken, bakkerij, graanloodsen, schuren. Er was een hof omgeven door een haag met een stenen poort erin. Er waren houten galerijen die dienst deden als provisiekamer. Verder een klein erf, door een haag omgeven. De bijgebouwen werden steeds meer van hout gemaakt en ook in het hoofdgebouw kwamen steeds meer houten constructies. In de huizen van de rijken waren deze vakkundig gemaakt.

Vrije boeren[bewerken]

Grote boerderijen waren rechthoekig, circa 16 x 4 meter, en gemaakt rond een sterke houten constructie. Ook hier was het timmerwerk vakkundig. De muren waren soms met leem aangesmeerd tussen de houten balken (vakwerk) en het dak was meestal van stro of riet. In het Gallo-Romeinse zuiden waren de boerderijen van steen gebouwd, met op het dak platte stenen in plaats van stro.

Mensen en dieren leefden samen. Wijn en graan werden in silo's en kelders (screona) opgeslagen. Tussen de gebouwen waren er paden van gevlochten hazelaarstakken, maar ondanks die paden liep men door de mest en de modder. Verder waren er hagen (eveneens van gevlochten hazelaarstakken) om het complex af te sluiten.

Keuterboertjes[bewerken]

De boerenhutten van de armen bestonden uit een uitgegraven kuil, 2 tot 6 meter lang bij 2 meter breed, zonder vaste vloer. Op een aantal plaatsen in die kuil stonden palen die een dak van stro droegen dat tot op de grond reikte. Soms waren de daken alleen maar afgedekt met bladeren.

De kleinste hutten die er gevonden zijn, waren slechts 2,5 m2. Omdat er in deze hutten geen stookplaatsen zijn gevonden, is het aannemelijk dat ze alleen waren bedoeld als tijdelijke verblijfplaats, om in te weven of als opslagplaats voor gereedschap. Ernaast zijn flesvormige graansilo's gevonden en kuilen waar het afval in gestort werd.

Inventaris[bewerken]

De goederen in de opslagruimten en kelders trokken waarschijnlijk dieven aan. Diefstal werd vaak met een (vaststaande) boete bestraft, hoewel een stelende slaaf de doodstraf kon krijgen. Als er een slot op de kelder had gezeten en de dief had dat opengebroken, dan moest hij een hogere boete betalen. Als de dief over een omheining was geklommen of deze had beschadigd, moest hij eveneens een hogere boete betalen.

In de opslagruimten en kelders stonden kogelronde potten van rood, zwart of grijs keramiek. Verder taps toelopende kookpotten die aan een hengsel boven het vuur gehangen konden worden, benen priemen, messen, schalen en borden die slechts een enkele keer versierd waren. In de Karolingische tijd kwamen er flessen. De rijksten hadden glazen kelken en zilveren of bronzen schalen. Toch was de inventaris over het algemeen weinig gevarieerd en tamelijk pover.

Moestuin[bewerken]

In de omheinde moestuinen en boomgaarden van adellijken, kloosters en boeren werden geteeld:

Vuur maken[bewerken]

Op Merovingische kerkhoven werd de man soms begraven met zijn vuurslag aan zijn riem. Dit was een ovalen ijzeren ring die hij over de vier vingers van zijn hand kon schuiven en als hij daarmee langs een vuursteen sloeg, kwamen er vonken van af. Een veel oudere methode om vuur te maken was door een hardhouten stokje middels een (in een boog gespannen) touwtje snel rond te laten draaien op een zachthouten plaat. Op de plek waar het stokje de plaat raakte, begon de plaat te smeulen.

Spelletjes[bewerken]

Spelletjes waren niet erg geliefd, behalve dobbelen bij de Gallo-Romeinse adel en schaken bij alle Keltische en Germaanse edelen. Maar het schaken was bedoeld als een militair-strategische en tactische oefening.

Noten[bewerken]

  1. 'Heerlijk' betekent: 'van de heer': van de graaf, hertog, prins-bisschop, vorst-abt en ridder, later ook van de grondbezitter.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.