Sociale geschiedenis van de vroege middeleeuwen/Geweld

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

15. Geweld

De boeren moesten de ene keer op hun land werken en de andere keer voor hun vorst aan een van de vele oorlogen meedoen. In de oorlog moesten ze doden en plunderen, maar als ze hetzelfde in vredestijd en in hun eigen land deden, heette het opeens diefstal en moord. De boeren waren echter dermate aan geweld gewend geraakt dat ze elkaar om het minste of geringste begonnen af te maken. De maatschappij was doordrenkt met geweld en feitelijk gold alleen het recht van de sterkste.

Een vrouw had een man nodig om zich te beschermen tegen al dit geweld, want zelf kon zij geen geweld uitoefenen. Mogelijk daarom nam zij vaak haar toevlucht tot magie.

In de Karolingische tijd begon de kerk er bij de krijgslieden op aan te dringen, dat zij trouw en liefdadig moesten zijn en veel moesten bidden.

Militaire leerschool[bewerken]

De Franken (van 'Frekkr', sterk en vermetel) waren trots op hun militaire kwaliteiten. Nadat de adellijke jongen zijn eerste scheerbeurt (barbatoria) had gekregen, begon zijn familie hem les te geven in het hanteren van zwaard, boog en strijdbijl. Verder leerde hij marcheren en paardrijden[1]. Het enige alternatief voor een adellijke zoon was om in het klooster te gaan. Verder werden er vanaf de Karolingische tijd ook jongens uit het gewone volk geselecteerd om eenzelfde militaire opleiding te krijgen om ridder te worden.

Spelletjes waren bij de Germanen niet erg geliefd, behalve dobbelen bij de Gallo-Romeinse adel en schaken bij alle Keltische en Germaanse edelen. Maar het schaken was bedoeld als een militair-strategische en tactische oefening.

Ridderslag[bewerken]

Ridderslag in de vijftiende eeuw, met zwaard gegeven

Als de jongeman deze militaire leerschool met goed gevolg had doorlopen, moest hij knielen voor zijn vader of pleegvader[2] en deze sloeg dan met kracht op zijn schouder om te zien of de jongen deze klap kon weerstaan. Als dat zo was, werd hij in staat geacht om te vechten en te doden. Na afloop van de ceremoniële ridderslag, schonk zijn vader of heer hem een zwaard, een zeer oud gebruik.

Geweld door geestelijken[bewerken]

De kunst van het doden was in de vroege Middeleeuwen een ware hartstocht voor de Franken geworden. Geweld hoorde bij het alledaagse leven. Ook de Frankische geestelijken droegen in de Merovingische tijd wapens, hoewel dit tijdens diverse concilies veroordeeld werd.

In Aquitanië waren de bisschoppen vermaard om hun bedrevenheid met de lans. In Parijs verdedigde een bisschop (Gozlinus) de stad in 805 tegen de Vikingen door op de muren met harnas en zwaard uitgerust te vechten.

Sommige geestelijken kwamen met geweld in opstand tegen hun bisschop. Nonnen mishandelden wel eens hun abdis of de bisschop, en geestelijken verstoorden soms hardhandig een concilie. Enkele voorbeelden:

  • Een groep geestelijken verzamelde ooit een bende moordenaars, tovenaars en overspeligen om een aanval op hun eigen klooster te lanceren.
  • Een bisschop in de negende eeuw wilde ter afstraffing al zijn geestelijken laten castreren.
  • De aartsbisschop van Reims werd in het begin van de tiende eeuw vermoord op initiatief van de Graaf van Vlaanderen.

Pas in de negende eeuw werd het dragen van wapens en het meedoen aan de jacht door geestelijken wat minder gewoon.

Struikrovers[bewerken]

Dit waren marginale groeperingen die het Gallische platteland onveilig maakten van de vijfde tot de tiende eeuw. Als zij gepakt werden, werden ze veroordeeld tot slavernij, de doodstraf of lijfstraffen. Deze schurken zorgden ervoor dat de gewone mensen bang waren en zo veel mogelijk binnenshuis bleven.

Brandstichting[bewerken]

Brand werd uit wraak gesticht, meestal door iemand die niet de middelen of de kracht had om een open gevecht aan te gaan met degene die hij haatte. Alle huizen hadden daken van riet of stro en waren vaak (deels) van hout. Verder waren er: de korenzolder, schuur, paardenstal en het varkenskot: alles van hout en het stond snel in lichterlaaie. Als er iemand gepakt werd die brand had gesticht terwijl de bewoners binnen lagen te slapen, moest hij een zware vergoeding betalen voor elke dode en ook voor iedereen die aan het vuur ontsnapt was.

  • Het Gallo-Romeinse recht bestrafte een adellijke brandstichter met ballingschap en een vrije brandstichter met dwangarbeid in de mijnen of zelfs met de dood.
  • De Franken vonden dat als er door de brandstichting iemand overleden was, dit een vorm van moord was en een moord kon afgekocht worden met een weergeld[3][4].

Het vuur werd beschouwd als hemels, demonisch of chtonisch. Het hoorde bij de duistere krachten van de kosmos en werd gezien als een reinigende kracht. Huizen of steden die afgebrand waren, zouden onrein geweest zijn en daarom bestraft door de duivel. Men probeerde huizen en steden daar tegen te beschermen met het kruis. Binnen zette men een beeld van de heilige Martinus neer of men legde relikwieën op een privé-altaar.

Bloedwraak[bewerken]

Bij een moord had de familie van het slachtoffer de heilige plicht om wraak te nemen. Ofwel op de schuldige zelf, ofwel op een ander lid van diens parentele. Iemand die een moord op een familielid ongewroken liet, gold als een lafaard en een vrouw. Maar als de wraak gepleegd was, was de andere parentele weer verplicht om (weer)wraak te nemen. Dit konden veten worden die soms eeuwenlang duurden. Vanaf de zesde tot in de elfde eeuw is er van dit soort vetes melding gemaakt.

Moorden werd een gewoonte. Maar er was een eenvoudig middel om deze keten van wraak en weerwraak te verbreken: de genoegdoening of het weergeld. De parentele van de dader betaalde aan de parentele van het slachtoffer het precieze weergeld. En daarmee was de eer van de parentele van het slachtoffer hersteld en hoefde die geen wraak meer te nemen. Een menselijk leven betekende zeer weinig en geleden schade betekende zeer veel.

Soms ging een parentele niet in op de aangeboden genoegdoening uit angst voor een lafaard of vrouw te worden aangezien. Dan ontstond de vete alsnog.

Beledigingen[bewerken]

Een vete begon vaak met een belediging. Die moest een echte man onmiddelijk met geweld beantwoorden. Een onbeantwoorde belediging werd opgevat als een teken dat het slachtoffer het ermee eens was.

Een gering persoon die een machtig man wilde raken, kon vaak niets anders doen dan hem beledigen. Men had een diep geloof in de werkzaamheid van woorden.

Er was in het recht een lijst van alle mogelijke beledigingen en het weergeld dat ervoor betaald moest worden. 'hoer' zeggen tegen een vrouw was met 45 schelling een dure belediging. 'Kinderlokker' of 'homo' zeggen tegen een man was ook duur, maar iets minder. Homofiele mannen waren voor de Romeinen nog geen probleem, maar voor de vroege middeleeuwers waren ze weinig meer dan mestkevers. Men vond dat seksualiteit tot in het bed toe volkomen zuiver moest zijn. 'Vos', 'verrader' en 'verklikker' waren beledigingen die het slachtoffer als onoprecht afschilderden. 'Haas' was een belediging die het slachtoffer als een lafaard afschilderde.

De ergste beledigingen waren die welke gingen over de magische wereld. Iemand 'tovenaarsdienaar' noemen, of 'keteldrager in de keuken der heksen' werd met 62,5 schelling beboet. Heksen zouden mensen doden om de binnenkant van een ketel met hun bloed in te smeren. Hiermee konden zij voorspellingen doen. Zij zouden samenwerken met de duivel en waren zeer gevreesd. Het waren bloedzuigers en kannibalen. Als een heks een mens opat, moest de heks 200 schelling boete betalen.

Voor de dood mochten de Franken geen angst hebben, maar voor dit soort vrouwen waren ze heel bang. Er werden verbanden gelegd met de machten van de hel.

Noten[bewerken]

  1. Men reed tot de negende eeuw zonder stijgbeugels. Hierdoor moest men wijdbeens op het paard springen, met de handen zich afzettend op de rug van het paard. Afstijgen deed men door de benen aan een kant van het paard te slaan en dan eraf te glijden. Zadels waren er ook nog niet.
  2. Ridderslag
  3. Geweld en weergeld
  4. Moord werd door de Franken meestal met een boete bestraft terwijl diefstal soms met de dood bestraft werd
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.