Sociale geschiedenis van de vroege middeleeuwen/Graf

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

16. Graf

De godin Hella, 1909, Hermod smeekt of hij de door Loki vermoordde Baldur mee mag nemen
De 9 werelden van de Germanen, incl. Helheim en Niflheim

Tot in de zesde eeuw brachten de Franken nog mensenoffers. De Friezen deden dit mogelijk zelfs nog tot in de negende eeuw.

De Germanen dachten dat alleen de dapperste krijgers die eervol op het slachtveld waren gestorven, naar de hallen van Freya en Odin (respectievelijk Sessrumnir en Walhalla) werden gebracht door de Walkuren. De andere mensen zouden na hun dood naar een onderaardse plaats gaan (het ijskoude Helheim waarover de godin Hel heerste of het nevelrijk Niflheim).[1]

De Germanen cremeerden aanvankelijk hun doden, om te verhinderen dat die vanuit die onderwereld terug zouden keren om de levenden te kwellen. De noordelijke Franken en de Saksen cremeerden hun doden nog tot in de vijfde en zesde eeuw. De andere volkeren in West-Europa waren al vóór de komst van het christendom overgegaan tot het begraven van hun doden.

Begraafplaats[bewerken]

De Romeinen begroeven hun doden naast elkaar langs de wegen buiten de stadsmuren[2]. De Germanen in de Merovingische tijd begroeven hun doden elk apart in een begraafplaats die buiten het dorp lag, halverwege een zuidelijke helling en in de buurt van een bron of een rivier. De graven lagen in rijen die elk een andere richting hadden.

Grafgiften[bewerken]

De Germanen gaven hun doden altijd grafgiften mee, zodat ze tot rust zouden komen en niet uit het onderaardse zouden willen terugkeren om de levenden te kwellen. Zij kregen alles mee wat hen ook maar enigszins van pas zou kunnen komen of waar zij tijdens hun leven op gesteld waren geweest.

  • De armsten kregen in de zevende eeuw als grafgift alleen maar ceintuurgespen of kleine haaksluitingen aan hun lijkwade mee.
  • De rijkeren werden in kleine groepen begraven met hun wapens: zwaard, mes, lans, schild en met hun huishoudelijke uitrusting: kam, pincet, en vuurslag. In de Merovingische tijd werden er soms paarden gedood en met de doden begraven. Het paard was dan een symbool voor Sleipnir het paard van Wodan die eenmaal per jaar (op 26 december) de doden terugbracht naar de aarde, het feest van Jul.
Ook kregen zij veel amuletten mee: halssnoeren van barnsteen, kristallen hangers, slagtanden van een everzwijn, hoektanden van een beer. Zeldzame stenen hielden de demonen op een afstand en de tanden van dieren gaven kracht.
Ten slotte waren er nog zakjes met haren en nagels van de dode. Haren en nagels werden geacht levenskracht te bezitten, omdat ze zelfs na de dood nog verder groeiden. Toen de overstap naar het christendom was gemaakt, gaf men ook relikwieën mee.
  • In de vorstelijke graven lagen de rijkste grafgiften: juwelen en goud. Een heel enkele keer kreeg de dode een hert mee als symbool van zijn koningsschap.
  • De vrouwen werden begraven met hun sieraden: halskettingen, armbanden, oorbellen, gespen, haarspelden, goudstukken en de zilveren krammen waarmee hun beenwikkels werden vastgezet.
  • De smid werd gezien als een soort tovenaar vanwege zijn geheimzinnige kennis om het vuur te beheersen en het ijzer te vervormen. Hij werd op een aparte plek begraven met al zijn gereedschappen.

De Germanen hadden nog lang de gewoonte om de Charonspenning in de mond van de dode te leggen (om de overtocht over de Styx te betalen)[3]. Na de overgang naar het christendom legde men in plaats daarvan vaak een hostie in de mond van de dode, hoewel de kerk dit verbood.

Aan de voeten van de overledenen legde men vazen van keramiek, glazen bokalen of flessen; de dode had immers voedsel en drank nodig op zijn reis naar het onderaardse. Bij sommige opgravingen zijn zelfs resten van dit voedsel teruggevonden: vlees, pap en hazelnoten.

Als symbool van mannelijkheid gaf men hazelaarstwijgen en geslepen vuurstenen mee.
Als symbool van vrouwelijkheid: zeeschelpen, want die leken op de vulva.

Terugkerende geesten[bewerken]

Om te verhinderen dat de geest van de dode terug zou keren, plantte men vaak heesters op het graf. De Franken legden een paal of een balk in de vorm van een brug op het graf.

Doodgeboren kinderen werden op een spies gestoken en zo begraven. Anders zou de onschuldige ziel niet onderaards blijven maar opstijgen om zijn ouders zijn te korte leven te verwijten, was het idee.

Tovenaars en misdadigers werden voor de zekerheid op de bodem van hun kist vastgespijkerd. Vak werden ze dan ook nog verminkt of onthoofd en met reinigend houtskool omcirkeld.

De verwanten hielden regelmatig (vooral op 22 februari) banketten op het graf van de dode en lieten dan ook eten achter voor de dode, in de hoop dat hij hen niet lastig zou komen vallen. Er zijn wel resten van dit eten teruggevonden, vooral gedroogde groenten (die aan de demonen waren gewijd). Deze nachtelijke waken rond het graf met eten, dansen en zingen gingen tot in de derde eeuw door, hoewel sommige concilies dit gebruik veroordeelden als een heidense dwaalleer.

Begrafenis[bewerken]

Meestal werden de doden door de Germanen gekleed begraven maar de Franken legden het lichaam naakt in de aarde, soms in een bed van stenen. Ten zuiden van de Loire legde men de doden in stenen of marmeren sarcofagen en soms in houten kisten met ijzeren beslag. Kinderen werden groepsgewijs begraven in de buurt van het graf van hun ouders.

Uit heiligenlevens en archeologische opgravingen is gebleken dat de zeer rijken wel werden gebalsemd met mirre en Aloë. Soms wed er ook een kussen met welriekende kruiden onder hun hoofd gelegd.

De dode werd in een stoet naar de begraafplaats gebracht. Het lijk werd op een draagbaar op kniehoogte gedragen, laag boven de grond. Zijn geest mocht namelijk niet ontsnappen aan de aantrekkingskracht van het onderaardse, anders zou hij kunnen gaan rondspoken. Over het gezicht van de dode was een doek geslagen; als men de ogen van de dode zag, kon men vervloekt raken.

De doden mochten op de begraafplaats niet met elkaar in aanraking komen. Meerdere doden bij elkaar in een graf leggen, werd beboet met 65 schelling. Desondanks worden er bij archeologische opgravingen heel vaak meerdere doden in hetzelfde graf aangetroffen.

Grafschennis[bewerken]

Veel graven die bij archeologische opgravingen gevonden worden, zijn leeggestolen of vernield zodat men bij de buit kon komen. Vaak gebeurde dit al vlak na de begrafenis. Degenen die dit deden waren soms zelf kerkelijke dienaren. Soms werd de dode al beroofd nog vóór hij begraven werd. Voor de familie was dit om meerdere redenen een catastrofe:

  1. de dode verloor daarmee zijn status, die afgemeten werd aan de grafgiften;
  2. hij zou nu 's nachts kunnen terugkeren om de levenden te kwellen.

Omdat grafschennis veel voorkwam, zouden er dus zeker veel geesten terugkeren uit het onderaardse. Men begon te geloven aan nachtelijke geesten: ontevreden schreeuwende doden die zich in een rij achter Diana (volgens de Gallo-Romeinen) en haar honden schaarden of achter Holda volgens de Germanen. Dit is de oorsprong van de mythe van de vliegende jacht en mogelijk ook van het verhaal van de vliegende heksen die naar de heksensabbat zouden gaan.

Om dit soort angsten te beteugelen, werd er hard opgetreden tegen grafschennis. De dader moest 15 schelling weergeld betalen aan de parentele van de overledene en 200 schelling boete aan de koning. Totdat hij dat gedaan had, mocht niemand hem onderdak of voedsel geven. Zowel bij de Gallo-Romeinen als bij de Bourgondiërs was grafschennis, hetzij door de vrouw, hetzij door de man gepleegd, een reden tot echtscheiding[4]. De schuldige werd onrein geacht, alsof hij necrofilie had bedreven, ofwel overspel met de dood had gepleegd.

Publieke dood[bewerken]

De kerk probeerde de dood te ontdoen van zijn heidense angsten (wraaklustige geesten die zouden kunnen wederkeren uit het onderaardse) door hem voor te stellen als de hoopvolle overgang naar een beter leven. Bij de heidenen ging de dode naar het onderaardse. Er bestond nauwelijks enige hoop dat dit een mooi verblijf zou zijn.

De begraafplaatsen, die eerder buiten het dorp hadden gelegen, werden rond 675 verplaatst naar het kerkhof rond de parochiekerk. Daar lagen ook de stoffelijke resten van de heiligen. Van de nabijheid van een altaar en de resten van heiligen geloofde men, dat het de doden troost zou bieden. De doden lagen op deze kerkhoven zeer dicht bij elkaar, soms zelfs in meerdere lagen boven elkaar.

Belangrijke mensen werden zelfs onder de vloer van de kerk begraven. Persoonlijke grafkelders en mausolea voor de aanzienlijken verdwenen rond 750.

De in de kerk biddende gelovigen waren nu dicht bij hun dode verwanten. De kerk had daarmee de dood tot een publieke zaak gemaakt. Deze integratie van de doden in de wereld van de levenden ging door tot in de 18de eeuw. De angst voor de persoonlijke dood vervaagde en in plaats daarvan kwam de rust van de publieke dood. Toch bleven de vrouwen bij de begrafenissen weeklagen, hun wangen openkrabben en hun haren uittrekken.

Noten[bewerken]

  1. Bron: Edda, Ambo, 1994, ISBN 90 263 1240 7
  2. Romeinse graven en grafschriften
  3. Mogelijk was deze van oorsprong Griekse handeling overgenomen van de Romeinen.
  4. Grafschennis reden tot echtscheiding
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.