Sociale geschiedenis van de vroege middeleeuwen/Recht en belasting

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

3. Recht en belasting

Publiek domein[bewerken]

Aan de basis van het openbare leven stonden de vrije mannen met hun rechten en plichten. Zij moesten:

  • Het vaderland verdedigen tegen aanvallen van buitenaf
  • Het vaderland verdedigen tegen gevaren van binnenuit (struikrovers, zwervers, andersgelovenden zoals ketters en Joden)
  • De conflicten tussen vrije mannen onderling beslechten.

Deze activiteiten werden in de late oudheid nog geleid door magistraten. Zij konden een leger op de been brengen en leiden, zij konden rechtszittingen voorzitten en de daar uitgesproken vonnissen uitvoeren. Als vergoeding voor hun werk kregen zij een deel van de boetes waar de vrije mannen toe veroordeeld werden. Elke vrije man was verplicht de rondreizende magistraten onderdak en voedsel te geven.

Onder het publieke terrein vielen:

  1. De openbare wegen, rivieren, velden, weiden en bossen.
  2. Het gemeenschappelijke, ongecultiveerde land (saltus, woestijn, heide, rooij) waar iedereen mocht jagen en vruchten verzamelen.

Rechtspraak[bewerken]

De Germanen[1] kenden (op enkele runen voor religieus gebruik na) nauwelijks het schrift. De Germaanse rechters moesten het recht van buiten leren. Deze rechtspraak was echter onvoorspelbaar en subjectief, want alleen de rechters kenden het recht: niemand kon het nalezen. Verder hadden alle stammen hun eigen recht. Bij de Romeinen was overal hetzelfde recht geldig geweest en dat recht was opgeschreven. De Germanen begonnen hun recht in de late vijfde eeuw en vroege zesde eeuw weliswaar op schrift te stellen maar de rechters leerden het nog steeds uit hun hoofd. Dit recht bleef toegepast tot in de tiende eeuw en op sommige plaatsen nog later.

In het laat-Romeinse rijk was de staat belangrijk geweest. Er was een rechtssysteem met strafrecht en een openbare aanklager. In de vroege Middeleeuwen zou echter het belang van de staat verminderen en het belang van de privé-persoon veel groter worden[2]. Zowel in de Merovingische als in de Karolingische tijd waren er veel privaatrechterlijke en weinig publiekrechterlijke bepalingen. Bij de Romeinen was dat juist omgekeerd geweest. De diefstal van een hond of het breken van iemands vinger waren voor de Frankische rechter net zo belangrijk als voor de Romeinse rechter de fiscale verantwoordelijkheden van stedelijke functionarissen waren geweest. Alleen de Gallo-Romeinen en de christelijke geestelijkheid bleven (deels) vasthouden aan het Romeinse recht.

De Germaanse rechters moesten oordelen over: grensgeschillen, aanklachten tegen malafide kooplieden en conflicten over erfenissen, meestal tussen machtige, adellijke families. Verder waren er veel geschillen over diefstal van roerend goed[3]. 'Bezit' betekende voor de Germanen het angstvallig bewaren van kostbare of onmisbare voorwerpen: juwelen, gereedschap, voedsel of huisdieren. Een slaaf die (in de zesde eeuw) een pot honing stal kon daarvoor opgehangen worden. Rond 800 werd in Narbonnaise diefstal nog bestraft met de doodstraf, terwijl moord bijna altijd bestraft werd met een geldboete.

Diefstal[bewerken]

De Frankische krijgers, die eerst allemaal gelijk waren geweest, werden steeds ongelijker. Er kwamen grote verschillen in macht en rijkdom binnen en tussen de parenteles. Mensen die weinig of niets hadden, waren vaak jaloers op de rijken en gingen van hen stelen.

Een dief die op heterdaad betrapt werd, kon dat met de dood bekopen. Een slaaf die iets gestolen had, kreeg soms de doodstraf door ophanging, soms werd hij gecastreerd, vaak werd hij gefolterd en als hij geluk had, kreeg hij 'slechts' 120 of 150 zweepslagen, al had hij maar voor 12 schelling gestolen.

Het Salische recht leek geobsedeerd door diefstal: 22 van de 70 hoofdstukken van hun wetboek gingen over diefstal van roerende goederen. Het Bourgondische recht daarentegen wijdde slecht 13 van de 105 hoofdstukken aan diefstal van roerend goed. Bij de Bourgondiërs en vooral bij de Goten was onroerend bezit namelijk al lang algemeen, terwijl voor de Franken alleen roerend goed een teken van rijkdom was. Diefstallen die de Franken zeer zwaar bestraften, deden de Bourgondiërs af met een kleine boete. Zij tilden alleen maar zwaar aan de diefstal van een ploegijzer of een stel ossen onder het juk, waarvoor de schuldige tot slavernij werd veroordeeld. De wetboeken van de Gallo-Romeinen stonden daarentegen vol met problemen aangaande (onroerend) landbezit: verkeerd geplaatste grensstenen, vervalste verkooporden, verbrande eigendomstitels en in beslag genomen land.

De Frankische wet somde elke mogelijke vorm van diefstal pietluttig en welhaast maniakaal op:

Varkens, runderen, schapen, geiten, honden, jachtvogels, hanen, kippen, pauwen, ganzen, tortelduiven, gevogelte, bijenkorven en bijenzwermen (de enige bron van suiker in die tijd) konden gestolen worden. Verder konden slaven gestolen worden: zwijnenhoeders, wijnverbouwers, schildknapen, smeden, timmerlieden en goudsmeden. De meest uitzonderlijke vormen van diefstal werden in het Frankische recht beschreven en voor elk vergrijp was er een vaststaande boete. Op het stelen van een honingvat stond een boete van 45 schelling, maar een slaaf of een paard kostten slechts 35 schelling. Maar als de slaaf een ambacht kende, kostte hij weer 62,5 schelling. Een trekpaard of hengst kostten 45 schelling. De bel van een zeug, de bel van een leidend dier van een kudde, het ijzeren ophangwerk van een molensteen, een hengelsnoer, een wijnton, hooi, helemaal niets werd vergeten in deze maatschappij waarin de geringste verdwijning als een zware persoonlijke belediging werd opgevat.

Geweld[bewerken]

De boeren moesten de ene keer op hun land werken en de andere keer voor hun heer aan een van de vele oorlogen meedoen. In de oorlog moesten ze moorden en plunderen ten koste van de vijand. Als die boeren hetzelfde in vredestijd en in hun eigen land deden, heette het opeens diefstal en moord. De boeren waren echter dermate aan geweld gewend geraakt, dat ze elkaar om het minste of geringste begonnen af te maken. De maatschappij was doordrenkt met geweld en feitelijk gold alleen het recht van de sterkste.

Geweld jegens een persoon moest door een boete worden goedgemaakt: het 'weergeld'. Dit was bedoeld om te verhinderen dat er vetes zouden ontstaan. Geweld of moord, een lid van een parentele aangedaan, moesten namelijk vergolden worden, omdat de familie van het slachtoffer anders als laf zou worden aangezien. Maar die vergelding moest ook weer gewroken worden. Zo konden eeuwenlange vetes ontstaan. Door 'weergeld' te betalen aan de familie van het slachtoffer werden deze vetes wel eens voorkomen.

Het Salische recht bevatte een lange lijst van klappen en verwondingen met elk denkbaar letsel dat ze konden veroorzaken. En ook hoeveel weergeld er precies voor betaald moest worden. Van een klap met een vergiftigde bijl tot een klap die hard genoeg was om bloed te doen vloeien. Het aantal vuistslagen bepaalde de hoogte van de boete. Ook werden beschreven: een afgeslagen hand, vinger of voet, een uitgestoken oog, een afgesneden oor of neus. Een wijsvinger (nodig om de boog te spannen) kostte meer dan een pink. Het was een heel gereken, want als het lichaamsdeel er nog een beetje aanhing, werd de boete minder.

Het plegen van een moord leverde meestal een lagere boete op dan het plegen van dit soort geweld dat meestal uit wraak werd gepleegd. Bijvoorbeeld: een uitgerukte tong als wraak voor kwaadspreken of een belediging.

Moord[bewerken]

Bij moord werd de hoogte van het weergeld bepaald door de sociale positie van het slachtoffer. Een edelman vermoorden kostte het meest (zeker als hij de gast van de koning was: 600 schelling), een vrij man vermoorden kostte minder en een slaaf vermoorden bijna niets. Moord op een vruchtbare vrouw kostte 600 schelling, moord op een vrouw voor en na haar vruchtbare periode kostte 200 schelling. Moord op een zwangere vrouw kostte niet alleen 600 schelling, maar ook nog 600 schelling extra als het verwachte kind een jongetje zou zijn geweest en 200 schelling extra als het verwachte kind een meisje zou zijn geweest. Voor diefstal (hoe klein ook) kon men dus de doodstraf krijgen en voor moord (bij de Franken) slechts een boete.

Bij de Gallo-Romeinen en de Bourgondiërs echter werd een moordenaar met de dood bestraft. Alleen doodslag uit zelfverdediging werd door de Bourgondiërs met een boete bestraft.

Brandstichting[bewerken]

Brand werd uit wraak gesticht, meestal door iemand die niet de middelen of de kracht had om een open gevecht aan te gaan met degene die hij haatte. Alle huizen hadden daken van riet of stro en waren vaak (deels) van hout. Ze stonden snel in lichterlaaie. Als iemand gepakt werd die brand had gesticht terwijl de bewoners binnen lagen te slapen, moest hij een zware vergoeding betalen voor elke dode en ook voor iedereen die aan het vuur ontsnapt was.

  • Het Gallo-Romeinse recht bestrafte een adellijke brandstichter met ballingschap en een vrije brandstichter met dwangarbeid in de mijnen of zelfs met de dood.
  • De Franken vonden, dat als er door de brandstichting iemand overleden was, dit een vorm van moord was en die kon afgekocht worden met een boete.

Overspel, verkrachting en castratie[bewerken]

Overspelige vrouwen konden levend verbrand worden of gewurgd (en daarna in een moeras gegooid). Het Salische recht kende zware straffen voor aanranding en castratie. Men castreerde mannen zowel als wettige straf (als ze een vrouw hadden verkracht) als uit onderlinge wraakneming[4].

Foltering[bewerken]

Bij een rechtsgeding werden slaven vaak gefolterd. Gregorius beschreef hoe sadistisch de foltering was. Het slachtoffer kwam op de pijnbank of werd opgehangen aan zijn handen die achter zijn rug waren samengebonden. Juist genezen wonden werden weer opengetrokken, soms moest een arts het slachtoffer eerst genezen opdat men daarna weer opnieuw met de marteling kon verdergaan. Het slachtoffer werd niet alleen door twee of drie beulen geslagen, maar door iedereen die maar in de buurt kon komen. Deze vorm van foltering ging door tot in de Karolingische periode.

Godsoordeel[bewerken]

In de Karolingische periode werd het van oorsprong heidense systeem van de Godsoordelen weer ingevoerd.

  • Vuurproef. Het bekendste Godsoordeel was de vuurproef: de verdachte van een misdrijf moest blootsvoets over negen witgloeiende ploegscharen lopen. Als hij onschuldig was, zou God hem beschermen tegen verbranding en waren zijn voetzolen na drie dagen zo rose als pruimen. Maar God zou een schuldige niet helpen en dat zou meteen te zien zijn aan de verbrandingen. De vuurproef bleef tot in de twaalfde eeuw in de christelijke wereld in gebruik, ondanks verzet van sommige bisschoppen[5].
  • Waterproef. Als men een vrouw ervan verdacht dat zij overspel had gepleegd maar men kon dit niet bewijzen, dan werd zij onderworpen aan een zware vorm van de waterproef. Zij werd met een steen om haar nek in de rivier gegooid en als zij zonk (en verdronk) dan was zij schuldig geweest. In een afgezwakte vorm (zonder steen)[6] is dit Godsoordeel tot in de late zestiende eeuw toegepast.

Meineed[bewerken]

Het gegeven woord werd niet gerespecteerd in een gewelddadige wereld die door jeugdige mannen werd geregeerd. Waarheid werd gezien als een waanidee van oude mannetjes[7]. Valse getuigenissen en meineden waren aan de orde van de dag, ook tijdens processen. De Kerk was hier dermate ontzet over dat in alle Middeleeuwse boeteboeken[8] vooral dat van Columbanus de meineed werd afgekeurd. Een meineed begaan uit vrije wil diende bestraft te worden met een verder leven in een klooster. Een meineed begaan uit angst voor weerwraak diende bestraft te worden met 7 jaar boetedoening waarvan 3 jaar op water en brood en 4 jaar als ongewapende balling. Vooral het ongewapend moeten leven was in die gewelddadige tijd een groot risico.

Asiel[bewerken]

Aan elke kerk stond een zuilengallerij tegen de westfacade. Deze asielruimte was heilig en onschendbaar. Hier zochten de daklozen, de armen en de vervolgden bescherming. Bij elke kerk of kathedraal konden ze zich laten inschrijven op een lijst (matrikel). Ze werden ingedeeld in groepen van 13 gezellen en kregen onderdak en voedsel. Sommigen van hen hadden een misdaad gepleegd of werden hiervan beschuldigd. Er waren voortvluchtige slaven bij, moordenaars, verlate vrouwen, zwervers en schooiers. Soms kwamen er hele families.

Als hun verblijf erg lang duurde, raakten ze soms aan de drank of werden promiscu. Hun vijanden stonden wel eens net buiten deze ruimte woedend en ongeduldig te wachten tot hun slachtoffer per ongeluk een voet buiten het asiel zou zetten: dan vermoordden ze hem meteen.

Immuniteit[bewerken]

Het immuniteitsprivilege werd door de koning aan de bisschop of abt verleend en stelde hun landgoederen vrij van inspecties en heffingen door koninklijke functionarissen. De bisschop en abt (die zich niet gewapenderhand mochten verdedigen) waren daarmee beschermd tegen afpersing en konden hun geld besteden aan opbouw en bijstand van de armen.

Gastvrijheid[bewerken]

Reizigers stonden onderweg aan veel gevaren bloot. Zowel de kloosters als de huizen van de adellijken konden reizigers onderdak bieden. Gastvrijheid was een plicht, het weigeren van onderdak of haardvuur kon in het Bourgondische recht bestraft worden met een geldboete. En in de winter moest er ook hooi of haver aan de paarden van de reizigers gegeven worden.

Mannen die onder de wapenen waren geroepen en op weg waren naar hun verzamelpunt, moesten volgens het Aquitaanse recht van de mensen bij wie ze aanklopten, minimaal voedsel en water krijgen en hooi voor hun paarden.

Karel de Grote liet de nodige herbergen voor reizigers bouwen. De kloosters kregen bijna allemaal gastenverblijven, vaak twee per klooster: een voor de rijke reizigers te paard en een voor de arme. Er waren ook paardenstallen. En verder nog gastenverblijven voor pelgrims, want veel Ierse monniken liepen door Gallië op weg naar Rome of Byzantium. Benedictus schreef voor dat de abt en de monniken de voeten van al hun gasten moesten wassen.

Het Salische recht legde hoge boetes op als men de gast van de koning vermoordde. Toch was het onthalen van vreemdelingen niet vanzelfsprekend. Bonifatius merkt op dat zijn Angelsaksische landgenoten rond 730 op pelgrimage naar Rome, zich in elke stad moesten prostitueren om aan geld te komen, want het volk gaf hen geen aalmoezen. Daarom verbood de Kerk deze bedevaarten voor vrouwen.

Belasting[bewerken]

Na een militaire overwinning kreeg niet alleen de Frankische koning maar ook zijn adellijke krijgslieden een deel van de buit. Daarenboven wisselden de koning en zijn krijgslieden regelmatig geschenken uit (zowel in de Merovingische als in de Karolingische tijd). Deze vrijgevigheid was feitelijk verplicht en moest vooral door iedereen gezien worden.

De koningen probeerden, behalve dit systeem van giften, ook directe belastingen te heffen. De Franken zelf waren aanvankelijk door de Merovingische koningen vrijgesteld, want zij hadden in dienst van de koning reeds met hun bloed betaald. Maar de overwonnen Gallo-Romeinen moesten betalen.

In de Karolingische tijd werden afhankelijke boeren en slaven gedwongen tot de afdracht van een soort belasting aan de koning privé. De boeren moesten bijvoorbeeld vlas en wol afdragen. Die afdrachten kwamen onder de hoede van de echtgenote van de koning: een vrouw[9].

Later probeerden de Karolingische koningen over al hun onderdanen een hoofdelijke- en een grondbelasting te heffen. Maar dat gevecht verliep niet zonder slag of stoot en uiteindelijk verloren ze het. Deze directe belastingen werden feitelijk geprivatiseerd, want ze kwamen alleen de koning als privé-persoon ten goede. 'Frank' betekende echter 'vrij', dus ook vrijgesteld van belasting, dus wie deze wèl betaalde zou niet vrij zijn. Het verschuldigde bedrag werd daarom vaak betaald in de vorm van de een of andere dienst. En zo verwaterde de belasting. In Frankrijk werd hij pas aan het einde van de honderdjarige oorlog weer ingevoerd.

De staat kreeg dus geen belastinggeld meer binnen omdat de koningen erin waren geslaagd om deze (eerst publieke) belasting te privatiseren, waarop er geen belasting meer betaald werd. Een koning kreeg geen belastinggeld binnen en moest leven van zijn grondbezit.

Noten[bewerken]

  1. Visigoten, Bourgondiërs en Franken (Salische Franken en Ripuarische Franken) enzovoort
  2. Zoals ook de betekenis van de stad verminderde ten opzichte van de betekenis van het platteland.
  3. De Germanen (behalve de Visigoten) hadden weinig ervaring met onroerend goed of grondeigendom.
  4. Voor de Franken stond castratie gelijk aan de dood.
  5. Het was vrijwel onmogelijk om voor deze proef te slagen. Er waren echter ook Godsoordelen waarbij het moeilijk was om ervoor te "zakken". In een samenleving waarbij iedereen in deze proeven geloofde, "werkten" ze ook vaak en hadden ze een preventieve werking. Veel schuldigen bekenden reeds uit angst, nog voordat ze de proef deden. Als een onschuldige voor de proef "zakte", kon hij alleen maar denken dat hij dus schuldig was, want de gedachte dat God niet zou bestaan, kwam niet bij hem op. Bron: Keith Thomas, Religion and the decline of magic
  6. De beschuldigde werd met gebonden handen en voeten in een bassin met water gegooid en als ze bleef drijven, was het een heks en werd ze gemarteld of meteen geëxecuteerd. Als ze zonk was ze onschuldig. Ze werd dan met een touw naar boven getrokken en mocht naar huis. De waterproef werd in 1593 in Holland verboden en in 1595 in Brabant. Al in de Malleus (1486) was afgerekend met de vuurproef. Bron: Dresen-Coenders, Het verbond van heks en duivel,
  7. Meineed
  8. De boeteboeken waren de handboeken voor de biechtvaders. Zij waren gebaseerd op de angst om door te zondigen in de hel te komen.
  9. Een vrouw bleef altijd minderjarig en de enkele keer dat zij het huis mocht verlaten, moest zij gesluierd zijn.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.