Engelse literatuur/Moderne literatuur na WO I

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek
Engelse literatuur


Stream of consciousness
Virginia Woolf in 1927

Stream of consciousness (Engels voor 'stroom van bewustzijn') is een verhaaltechniek die toegepast wordt bij fictie met de bedoeling een veelvoud aan indrukken weer te geven die zich aan het bewustzijn van een individu spontaan opdringen. De term werd in een niet-literaire context geïntroduceerd door de Amerikaanse psycholoog William James in The Principles of Psychology (1890) .

Ontwikkeling[bewerken]

William James beschreef als psycholoog de continue stroom van gedachten van een persoon, reflecties die voortvloeien uit observaties: onze geest springt zonder duidelijke logica voortdurend van de ene gedachte op de andere. Het was echter May Sinclair die als eerste criticus de term gebruikte om een literaire techniek te beschrijven, met name in in haar bespreking van het werk van Dorothy Richardson uit 1918.

De stream of consciousness-roman maakt gebruik van de techniek van de monologue intérieur. Vroege voorbeelden vinden we in het het 18e-eeuwse werk Tristram Shandy van Laurence Sterne. Aan het einde van de 19e eeuw werd het veelvuldig en voor het eerst als bewust procedé toegepast door Knut Hamsun. In de 20e eeuw werd het toegepast door diverse, met name Engelstalige, schrijvers, onder anderen door Dorothy Richardson, Virginia Woolf en James Joyce. Deze laatste auteur schreef met Ulysses (1922) het beroemdste voorbeeld van schrijven met stream of consciousness. In het boek volgt hij de innerlijke toestand van de hoofdpersonages Leopold, Molly Bloom en Stephen Dedalus op de voet door de flux van gedachten en gevoelens weer te geven. Daardoor wordt de lezer de informatie fragmentarisch aangeboden, vaak geaccentueerd door het ontbreken van interpunctie.

Bekende voorbeelden in de Nederlandstalige literatuur zijn Eva (1927) van Carry van Bruggen, Meneer Visser's hellevaart (1936) van Simon Vestdijk, De Verwondering (1962) van Hugo Claus en Het boek alfa van Ivo Michiels. Ook bij Lodewijk van Deyssels In de zwemschool (1891) en Jeugd (1892) vindt men al sporen van deze techniek.

Techniek[bewerken]

Met stream of consciousness bootst de schrijver het menselijk denken na door weergave van een ononderbroken stroom van ideeën, gevoelens, observaties en herinneringen. In tegenstelling tot verhalen met een conventionele plot kan het thema in stream of consciousness-verhalen plots veranderen of het verhaal kan ineens een andere richting uitgaan. Het volgt als het ware de grilligheid van de gedachten en gevoelens van de personages. De schrijver richt zich slechts zelden rechtstreeks tot de lezer. In plaats daarvan onthult hij het karakter van zijn personages aan de lezer door weer te geven wat zich in hun hoofd afspeelt. Stream of consciousness-verhalen kunnen in de eerste of derde persoon geschreven zijn. Om de illusie van werkelijke gedachten te versterken, wordt niet elke gedachte afgewerkt of volledig uitgesproken. Vaak worden zinnen onderbroken, of 'springt' het personage op een totaal andere gedachte. Ook het weglaten van interpunctie en het fragmenteren van de tekst zijn kunstgrepen die de schrijver daartoe bewust toepast.

Bekende voorbeelden[bewerken]

  • Leutnant Gustl (1901) van Arthur Schnitzler
  • A Portrait of the Artist as a Young Man (1914/1916) van James Joyce
  • Ulysses (1922) van James Joyce
  • The Sound and the Fury (1929) van William Faulkner
  • The Waves (1931) van Virginia Woolf

De beweging die nu bekendstaat onder de naam Engels literair modernisme ontstond uit een gevoel van onvrede met het victoriaanse conservatisme, dat objectieve waarheid en zekerheid claimde. Dat modernisme werd vooral beïnvloed door de ideeën van de Romantiek, de politieke geschriften van Karl Marx en de psychoanalytische theorie van het onbewuste van Sigmund Freud. Eveneens belangrijke invloeden voor modernistische schrijvers waren het impressionisme, en later het kubisme.

De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) bracht dramatische veranderingen teweeg in het leven en denken van de mensen uit die tijd, en dat liet ook zijn sporen na in de Engelse literatuur. Vooral in de poëzie, geschreven door jonge mannen aan het front, is dat duidelijk: Rupert Brooke (1887-1915) was zo een van de "war poets". Hij stierf in de lente van 1915, maar kende postuum veel succes met zijn bundel sonnetten "1914". Ook Wilfred Owen (1893-1918) werd als jonge officier gedood aan het front, een week voor wapenstilstand, en de gesneuvelde joodse soldaat Isaac Rosenberg (1890-1918) kreeg pas na zijn dood waardering voor de oorlogsgedichten die hij had geschreven.

"If I should die, think only this of me: That there's some corner of a foreign field That is for ever England" (Geschreven door Rupert Brooke, kort voor zijn dood in 1915) [1]

De jaren tussen 1910 en 1930 vormen een van de rijkste periodes in de Engelse literatuur, te vergelijken met het einde van de 16e eeuw of het begin van de 19e eeuw. De meest radicale continentale modernistische school was die van Filippo Marinetti, die Londen vaak bezocht en lezingen gaf over zijn ideeën. Hij wilde een radicale breuk met het verleden, zowel in beeldende kunst en muziek als in poëzie. Zo ver gingen de Engelse schrijvers niet, maar ze toonden zeker interesse in de futuristische theorie en praktijk. Getuige daarvan is het werk van Ezra Pound [2], Wyndham Lewis en D.H. Lawrence. De in Europa verblijvende Amerikaan Ezra Pound was van grote invloed op het stimuleren van vernieuwende schrijvers zoals James Joyce en T.S. Eliot. In deze periode schreef ook Virginia Woolf die in haar werk voluit experimenteerde met taal en structuur. In sommige van haar romans neemt ze afstand van plot en structuur en maakt ze gebruik van de stream of consciousness-techniek om de psychologische aspecten van haar personages te benadrukken. Een voorbeeld van deze techniek is haar korte verhaal The Mark on the Wall, dat samengesteld is uit een schijnbaar willekeurige reeks van herinneringen en impressies. Virginia Woolfs bekendste en succesrijkste roman is To the Lighthouse uit 1927.

Er bestond ook, zeker sinds de tijd van Dickens en Thackeray, een traditie van lichte, komische literatuur die hoofdzakelijk in tijdschriften verscheen. In de late negentiende en vroege twintigste eeuw werd de komische roman (comic novel) populair. Jerome K. Jeromes Three Men in a Boat uit 1889 is nu een klassieker in het genre. P.G. Wodehouse richtte met hilarische, maar ingetogen (tongue in cheek) geschreven boeken als My Man Jeeves uit 1919 zijn komisch talent op de Engelse upper-class met zijn maniertjes en gevoeligheden. Wodehouse was tevens een meesterlijk verteller en taalvirtuoos.

Andere bekende schrijvers van deze periode zijn W.H. Auden, Dylan Thomas, R.S. Thomas en Graham Greene.

Noten
  1. vertaling: "Als ik zou sterven, gedenk me aldus: dat ergens op een vreemd stuk grond er een plekje is dat eeuwig Engeland zal toebehoren."
  2. Amerikaan van geboorte, maar definitief naar Europa verhuisd in 1908
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.