Italiaans/Les02

Uit Wikibooks

Ga naar: navigatie, zoek
<Inhoudsopgave - Les 1 - Les 2 - Les 3>

Inhoud

[bewerken] Onderwerp van les 2

Les 2 (Lezione Due) van de cursus Italiaans gaat over de vervoeging van regelmatige werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Ook leert u twee onregelmatige werkwoorden: essere (zijn) en avere (hebben). Ook leert u een klein aantal woorden.

[bewerken] Tekst

Pedro: Salve! Sono Pedro, come ti chiami?

Carla: Ciao! Mi chiamo Carla. Benvenuto in Italia, Pedro! Parli Italiano?

Pedro: No, non parlo bene Italiano ! Oggi partiamo per la Svizzera.

Carla: Bene. Hai due pani e le fragole per mio padre?

Pedro: No, abbiamo un pane e una fragola.

Carla: E l'acqua?

Pedro: Che cosa?

Carla: L'acqua?!

Pedro: No, non ho l'acqua, ma grazie.

Carla e Pedro: Ci vediamo!


oggi = vandaag

per mio padre = voor mijn vader

ma = maar


Opdracht: Vertaal dit tekstje over Pedro en Carla.

[bewerken] De regelmatige werkwoorden

In het Italiaans zijn er drie infinitiefuitgangen van het regelmatige werkwoord, namelijk:

-are
-ere
-ire

Van de werkwoorden op -ire is er ook een aantal afwijkende, maar ze zijn toch regelmatig. In afwijking van het Frans is de beleefdheidsvorm U ondergebracht bij de derde persoon enkelvoud (hij/zij/het), en dus niet bij de tweede persoon meervoud ('jullie'). Voorbeeld: 'Parla olandese" = U/hij/zij/het praat Nederlands. De uitgangen zijn vet aangegeven.

parlare pagare ¹ credere partire capire²
io parlo pago credo parto capisco
tu parli paghi credi parti capisci
lui/lei parla paga crede parte capisce
noi parliamo paghiamo crediamo partiamo capiamo
voi parlate pagate credete partite capite
loro parlano pagano credono partono capiscono

¹: Bij werkwoorden die eindigen op -gare of -care wordt er in de 2e persoon enkelvoud en 1e persoon meervoud een tussen "h" ingevoegd. Dit is om een verandering van uitspraak te voorkomen. De "g" of "gh" blijft dus uitgesproken als een Franse "g" zoals in garçon en de "c" als een "k".

²: Er zijn twee vormen van werkwoorden op -ire. De eerste, zoals partire, is de gangbare. Bij werkwoorden als capire moet men echter de tweede manier gebruiken

[bewerken] Geen persoonlijk voornaamwoord nodig

Zoals u ziet is het persoonlijk voornaamwoord steeds weggelaten. Deze zijn niet nodig in het Italiaans, tenzij er nadruk op ligt.

[bewerken] De onregelmatige werkwoorden essere en avere

In deze les leert u twee onregelmatige werkwoorden: zijn en hebben. Net als bij de vorige werkwoorden leert u alleen de onvoltooid tegenwoordige tijd.

essere avere
io sono ho
tu sei hai
lui/lei è ha
noi siamo abbiamo
voi siete avete
loro sono hanno

[bewerken] De persoonlijke voornaamwoorden

De persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp worden in het Italiaans alleen gebruikt als er nadruk op ligt. Om welke persoon het gaat, horen we aan de werkwoordsuitgangen.

io = ik

tu = jij, je

lui = hij

lei = zij, ze

Lei = u (let op de hoofdletter L)

noi = wij, we

voi = jullie

loro = zij, ze (meervoud)

Loro = U (meervoud)

[bewerken] Een aantal woorden

De klemtoon is vet aangegeven. Een taal spreken begint met

0. /no = ja/nee (let op het accent in sì, want si zonder accent betekent 'zich'.)

1. Benvenuto! = Welkom!

2. Mi chiamo... = Ik heet...

3. Come ti chiami? = Hoe heet jij?

4. Come si chiama? = Hoe heet hij/zij/u?

5. Come stai? = Hoe gaat het met je?

6. Come sta? = Hoe gaat het met u?

7. Ciao! = Hallo! (Tegen vrienden en (vreemde) kinderen, niet tegen vreemde volwassenen! Gebruik dan Buongiorno!= goedendag)

8. Ci vediamo!/Arrivederci!/ArrivederLa! = Tot ziens! (De laatste vorm is beleefd, 'La' is lijdend voorwerpsvorm van u.)

9. Grazie! = (spreek uit: graa-tsie-e, 'ie' zijn in het Italiaans twee losse klinkers!) Dank u wel!

10. No grazie = Nee, dank u (wel)

11. la fragola = de aardbei

12.l'acqua v = het water

13. il pane = het brood

14. parlare = praten/spreken

15. credere = geloven

16. partire = vertrekken

17. capire = begrijpen

18. pensare = denken

19. costare = kosten

20. piacere = houden van, lekker vinden. Wordt gebruikt bijvoorbeeld mi piace il pane = ik vind het brood lekker. Letterlijk: mij behaagt het brood.

21. la Svizzera = Zwitserland

22. l'Italia v = Italië

23. Come? = Hoe? Wat?

24. Che cosa? = Wat? (la cosa = het ding/de zaak)

25. Dove? = Waar?

26. Chi? = Wie?

27. Zero = nul

28. Uno = één

29. Due = twee

30. Tre = drie

31. Quattro = vier

32. Cinque = vijf

33. Sei = zes

34. Sette = zeven

35. Otto = acht

36. Nove = negen

37. Dieci = tien

38. e = en (pas op: è met accent = hij/zij/het/U is)

U kent al 38 woorden!

[bewerken] Oefeningen

1. Vul de gevraagde vorm van het werkwoord in:

Ik praat
Wij begrijpen
Zij hebben
Jullie zijn
Zij vertrekt

Uw score is 0 / 0


2. Vertaal de volgende woorden en zinnen in het Nederlands:

1. Come ti chiami?

2. Mi chiamo Jan.

3. Hai l'acqua.

4. Abbiamo il pane?

5. Il pane e l'acqua.


3. Vertaal de volgende woorden en zinnen in het Italiaans:

1. Ik heb de aardbei.

2. Hoe heet zij? Zij heet Paola.

3. Ik praat goed Italiaans.

4. Wat? Het kost €5,-.

5. Jullie hebben water.


De antwoorden zijn hier te vinden: Italiaans/Antwoorden_Les02


<Inhoudsopgave - Les 1 - Les 2 - Les 3>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.
Persoonlijke instellingen