Italiaans/Les10
Uit Wikibooks
Inhoud |
[bewerken] Onderwerp van les 10
Deze les behandelt het werkwoord 'dare' (geven) met het meewerkend voorwerp. Ook wordt er dieper ingegaan op de vraagwoorden.
Na deze les bent u op de helft van de cursus.
[bewerken] Het werkwoord 'dare' (geven)
Het werkwoord 'dare' betekent: 'geven' . Hier het rijtje van 'dare' in de onvoltooid tegenwoordige tijd:
do = ik geef
dai = jij geeft
dà = hij/zij/u geeft
diamo = wij geven
date = jullie geven
danno = zij geven
Het voltooid deelwoord van 'dare' is 'dato' .
'dare' wordt gewoon met 'avere' vervoegd.
[bewerken] Meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp word aangegeven met deze voornaamwoorden:
mi = mij
ti = jou/je
gli = hem (uitspraak: "lji")
le = haar (uitspraak: "lè")
Le = u (uitspraak: "lè")
ci = ons (uitspraak: "tsji")
vi = jullie/u (mv)
loro = (aan) ze, aan hen, hun
Bij deze woorden kun je het woordje 'aan' er in de meeste gevallen bij denken. Aan de hand van deze voorbeeldzinnen kan ik u het het beste uitleggen:
Paola mi dà il giornale. Paola geeft (aan) mij de krant.
Paola ti dà il giornale. Paola geeft (aan) jou de krant.
Gli porto il vino. Ik breng hem de wijn
Le preparo un caffé. Ik maak voor haar/u een koffie.
Ci porta il denaro. Hij/Zij brengt (aan) ons het geld.
Vi do la lettera. Ik geef (aan) jullie de brief.
Piace loro la musica. Zij houden van de muziek.
Meer hierover in Les 17.
[bewerken] Vraagwoorden
Deze vraagwoorden worden het meest gebruikt:
Chi? Wie?
Che? Wat?
Quale? Welk(e)?
Quanto? Hoeveel?
[bewerken] Woorden
401. l'aiuto m = de hulp
402. la collina = de heuvel
403. noleggiare = huren (voertuig)
404. il ghiaccio = het ijs (bevroren water) (consumptie ijs = il gelato)
405. sono io = ik ben het
406. il cappotto = de jas
407. l'inchiostro m = de inkt
408. le informazioni = de informatie (meervoud)
409. piangere = huilen
410. il legno = het hout
411. l'orologio m = het horloge
412. il miele = de honing
413. il cappello = de hoed
414. il passatempo = de hobby
415. l'uso m = het gebruik
416. bene! = goed!
417. usare = gebruiken
418. il regalo = het geschenk
419. il fucile = het geweer
420. metà = half, la metà = de helft
421. il martello = de hamer
422. i guanti = de handschoenen
423. pronto = hallo! (bij het opnemen van de telefoon)
424. l'hamburger m = de hamburger
425. la faccia = het gezicht
U kent nu 425 woorden.
[bewerken] Oefeningen
1. Lees de volgende tekst en beantwoord daarna de vragen.
Amsterdam è la capitale e la maggiore città dei Paesi Bassi, nella provincia dell'Olanda Settentrionale. Il comune di Amsterdam ha 739.295 residenti (al 1 gennaio 2005) di oltre 170 nazionalità, mentre la popolazione che risiede nell'area metropolitana è di circa 1.450.000 persone.
Uit de Italiaanse Wikipedia.
1.1. Wat is het onderwerp van deze tekst?
1.2. Wat betekent Olanda Settentrionale (regel 1/2)?
1.3. Hoeveel nationaliteiten hebben de burgers van de gemeente?
2. Vertaal de volgende vormen van 'dare'.
1. ho dato
2. diamo
3. avete dato
4. dà
5. date
3. Noteer het meewerkend voorwerp uit de volgende zinnen.
1. Carla mi dà la mela.
2. Vi porta il cappello.
3. Tu mi dai un caffè!
4. Vul de juiste vraagwoorden in op de puntjes.
1. ... è Lucia?
2. ... mele sono buone?
3. ... fragole e pomodori?
4. ... è pazzo?
5. ... sei tu?
5. Vertaal de volgende woorden en zinnen naar het Italiaans.
1. Mijn hobby? Ik heb geen hobby's.
2. U heeft gekke jassen en hoeden.
3. Die honing is vies.
4. Ik geef mijn opa een geschenk.
5. Aiuto!
6. Vertaal de volgende woorden en zinnen naar het Nederlands.
1. Non ho un' orologio.
2. Chi è la! Sono io.
3. Questi fucili sono cattivi.
4. Posso noleggiare una bicicletta?
5. L'inchiostro è azzurro.
De antwoorden zijn hier te vinden: Italiaans/AntwoordenLes10