Kunstgeschiedenis/Prerafaëlieten

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Egypte louvre 223 femme.jpg
Meister des Jouvenel des Ursins 002.jpg
Sandro Botticelli - La nascita di Venere - Google Art Project - edited.jpg
Edouard Manet 081.jpg
Chen Chengpo 1936 Tamsui Middle School.jpg

INLEIDING
KUNSTHISTORISCH ONDERZOEK
PERIODEN
1. Prehistorie
2. Oudheid

3. Middeleeuwen
4. Renaissance en barok

5. Negentiende eeuw

6. Twintigste eeuw

7. Hedendaagse kunst


8. Lexicon

De Prerafaëlieten, of de 'Pre-Raphaelite Brotherhood', was een victoriaans genootschap, dat door zeven jonge, idealistische Britse beeldende kunstenaars, dichters en kunstcritici in 1848 in Londen werd opgericht, als een reactie tegen wat ze zagen als de stilistische pretenties en de fantasieloze onderwerpen van de schilderkunst uit hun tijd. Ze wilden een geheel nieuwe stijl van schilderen creëren, die terugkeek naar de romantiek van de middeleeuwse ridderlijkheid en die ook oog had voor actuele victoriaanse thema's. Ze vonden daarvoor inspiratie in de directe en ongecompliceerde Italiaanse schilderkunst uit de 14e en 15e eeuw, de tijd vóór Rafaël (1483-1520). Hoewel de prerafaëlieten amper een vijftal jaar actief waren als genootschap, hadden ze een aanzienlijke invloed op de Britse schilderkunst, de decoratieve kunsten en de binnenhuisarchitectuur.

Oprichting van de Pre-Raphaelite Brotherhood[bewerken]

In 1848 werd de Britse kunstwereld gedomineerd door de tradities van de Royal Academy, die haar inspiratie zocht in de renaissance. Drie jonge studenten aan deze Academy, Dante Gabriel Rossetti (1828-1882), John Everett Millais (1829-1896) en William Holman Hunt (1827-1910), voelden zich alles behalve gelukkig met deze starre en onveranderlijke tradities. In de herfst van 1848 kwamen ze samen in Gower Street in Londen, het ouderlijk huis van Millais. Daar bestudeerden ze een boek met gravures van fresco's van Gozzoli, Orcagna en anderen in de Campo Santo in Pisa. Bovendien had Holman Hunt met veel interesse het eerste deel van Modern Painters van John Ruskin (1819-1900) gelezen, waarin Ruskin de jonge kunstenaars in Engeland de raad gaf om de natuur zo getrouw mogelijk weer te geven, zonder daarbij iets te verwerpen of te selecteren. Rossetti was zo enthousiast over dit alles dat hij de vorming van een 'Brotherhood' voorstelde met min of meer duidelijke standpunten en veel verhevener doelen dan de meeste kunstenaars op dat moment durfden aan te kondigen. Dit voorstel werd meteen door Millais en Hunt aangenomen.

John Everett Millais’ Ophelia.

In de daaropvolgende dagen nodigden ze nog andere kunstenaars uit die er dezelfde ideeën op nahielden: de beeldhouwer-dichter Thomas Woolner (1825-1892), de schilders James Collinson (1825-1881) en Frederic George Stephens (1828-1907) en de criticus William Michael Rossetti (1829-1919), de jongere broer van Dante en tevens de literaire man van de beweging. Allen traden ze toe tot de Pre-Raphaelite Brotherhood.
Andere kunstenaars, die niet formeel deel uitmaakten van de prerafeëlieten, maar die toch min of meer naar de geest en de principes van het prerafaëlitisme werkten, waren Ford Madox Brown (1821-1893), Walter Howell Deverell (1827-1854) (die de plaats van James Collinson innam, toen die ontslag nam om te studeren voor het rooms-katholieke priesterschap), Arthur Hughes (1832-1915) en William Dyce (1806-1864).
De prerafaëlieten spraken af om maandelijks om de beurt bij een van de leden bij elkaar te komen. William Michael Rossetti werd aangesteld als secretaris van de prerafaëlieten. Het was zijn taak om een dagboek bij te houden, waarin niet alleen de verrichtingen van de broederschap moesten opgenomen worden, maar ook de verwezenlijkingen van de individuele leden en dat zo uitvoerig mogelijk.

Naamgeving[bewerken]

In de terechte veronderstelling dat het conventionalisme in de kunst begon met Rafaël, namen ze de naam 'prerafaëlieten' aan, om duidelijk te maken dat ze datgene wilden vertegenwoordigen dat ze als 'echt' beschouwden. Ze bewonderden de vroege Italiaanse en vooral Florentijnse religieuze schilders, waaronder Giotto di Bondone (1266/67-1337), Lorenzo Ghiberti (1378-1455), Giovanni Bellini (ca. 1430-1516) en Fra Angelico (ca. 1395-1455). In de werken van deze kunstenaars zagen ze een lieflijkheid, diepte en oprechtheid, die ze niet langer terugvonden in de werken van Rafaël en zijn opvolgers. Zelfs de onvolmaakte techniek van deze vroege kunstenaars had zijn charme. De stijve, wat onhandige figuren, de tekortkomingen in de perspectief en in het aanbrengen van licht en schaduw, het gebrek aan anatomische kennis, dat alles werd afgedaan als 'kinderziekten'.

Grondbeginselen[bewerken]

De prerafaëlieten vonden hun thema's in de eigentijdse maatschappij en in de literatuur. Ze waren niet alleen getuige van de technische vooruitgang die de Industriële Revolutie met zich meebracht, maar ook van de schrijnende sociale omstandigheden die daaruit voortkwamen. In de literatuur vonden ze inspiratie in de Arthurlegenden, in de werken van Dante Alighieri, Geoffrey Chaucer en William Shakespeare, in de Bijbel, in de mythologie en in de poëzie van Lord Byron, John Keats en Lord Alfred Tennyson. Zo combineerden ze bijvoorbeeld deze twee inspiratiebronnen om thema's te creëren die victoriaanse sociale omstandigheden afbeelden in combinatie met de idealen van middeleeuwse ridderlijkheid.

William Michael Rossetti zette de grondbeginselen op papier:

  • Echte ideeën hebben om tot uitdrukking te brengen.
  • De natuur aandachtig bestuderen, om zo te weten te komen hoe die op zijn best kan afgebeeld worden.
  • Meevoelen met wat direct, ernstig en oprecht is in de kunst uit vroegere tijden, met uitsluiting van het conventionele, het pronkerige en dat wat aangeleerd werd.
  • Door en door goede afbeeldingen maken, wat het belangrijkste van alles moet zijn.

Compositie[bewerken]

De studenten van de Royal Academy kregen de opdracht om eerst de essentie van de compositie vast te stellen en dan pas te werken aan de minder belangrijke details. Niet alle elementen van een compositie waren immers even belangrijk.

De prerafaëlieten waren het daar niet mee eens. Ze gingen ervan uit dat alle elementen van de compositie even belangrijk waren en ze werkten alles gedetailleerd uit tot het geheel er als een natuurlijk gevolg uit tevoorschijn kwam. Deze omkering van de prioriteiten maakt het niet gemakkelijk voor de kijkers om de schilderijen met een oogopslag te begrijpen. De blik wordt niet als vanzelf naar de belangrijkste delen van de compositie geleid, maar wordt getroffen door een grote verscheidenheid aan visuele stimuli. Dat effect wordt door sommige toeschouwers ervaren als verwarrend, maar het moedigt wel een nieuwe manier van kijken naar de wereld aan. De traditionele manier van ordenen wordt niet langer als vanzelfsprekend genomen, maar altijd in twijfel getrokken.

Schildertechniek[bewerken]

De prerafaëlieten gebruikten heldere, transparante kleuren die in hun tijd als opzichtig werden beschouwd. Ze pasten die toe in dunne laagjes op een zeer gladde, witte ondergrond, meestal doek. Meteen werken op wit, in plaats van eerst een gekleurde ondergrond op te zetten zoals tot dan toe gebruikelijk was, gaf veel meer helderheid aan een schilderij. Dit glaceren bootste het effect na van licht dat op het onderwerp viel en gaf een diepte die niet kon worden bereikt door kleuren te gebruiken die op een palet werden gemengd. Om hun verf zo zuiver mogelijk te houden, gebruikten ze witte porseleinen paletten die heel goed gereinigd konden worden. Ze maakten geen gebruik van het bruine pigment bitumen, waaraan veel 19e-eeuwse schilderijen ten onder zouden gaan.

Een typisch palet van de prerafaëlieten bevatte de volgende kleuren: kobaltblauw, ultramarijnblauw, smaragdgroen, meekrap (modern alternatief is alizarine crimson), okers, sienna's, ombers, en het karakteristieke prerafaëlitische paars, dat gemaakt werd door kobaltblauw en meekrap te mengen.

Millais en Hunt keerden de gevestigde volgorde van het schilderen om, door eerst de achtergrond in open lucht te schilderen en daarna verder te werken aan de figuren in hun atelier. De composities werden over het algemeen meteen op het doek uitgewerkt met potlood. Daarna werden de vormen zorgvuldig uitgewerkt met fijne penselen en waterverfpenselen. Als het schilderij klaar was, werd een beschermende laag hoogglanslak aangebracht, die tevens benadrukte dat het in olieverf geschilderd was, het meest gewaardeerde medium.

Eerste tentoonstelling 1849[bewerken]

In de winter van 1848-49 werkten Millais, Hunt en Rossetti aan de schilderijen, die concreet vorm moesten geven aan hun idealen. Millais koos een thema uit het werk Isabella or The Pot of Basil van John Keats en schilderde Lorenzo and Isabella, Hunt gaf de voorkeur aan Rienzi een thema uit de populaire roman Rienzi, the last of the Roman tribunes van Edward Bulwer-Lytton (1803-1873) en Rossetti werkte aan The Girlhood of Mary Virgin.

Ieder van hen koos familieleden of vrienden om voor hen te poseren, in plaats van professionele modellen. Millais en Hunt, die al eerder tentoongesteld hadden in de Royal Academy, zonden hun schilderijen daarheen voor de tentoonstelling van september 1849. Rossetti, die dat nog nooit eerder had gedaan, wilde geen afwijzing van de Royal Academy riskeren en zond zijn werk naar de Free Exhibition, nabij Hyde Park Corner, die opende in maart 1849. Zoals afgesproken signeerden ze allen hun werk met P.R.B. De schilderijen werden zeer gunstig onthaald en niemand bleek veel aandacht te schenken aan de initialen achter hun naam. Ze kenden dus een zeer bemoedigende start.

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.