Kunstgeschiedenis/Toegepaste kunst

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Egypte louvre 223 femme.jpg
Meister des Jouvenel des Ursins 002.jpg
Sandro Botticelli - La nascita di Venere - Google Art Project - edited.jpg
Edouard Manet 081.jpg
Chen Chengpo 1936 Tamsui Middle School.jpg

INLEIDING
KUNSTHISTORISCH ONDERZOEK
PERIODEN
1. Prehistorie
2. Oudheid

3. Middeleeuwen
4. Renaissance en barok

5. Negentiende eeuw

6. Twintigste eeuw

7. Hedendaagse kunst

8. Toegepaste kunst


9. Lexicon

Toegepaste kunst omvat alle soorten kunst die zich bezighouden met het design en de decoratie van alledaagse gebruiksvoorwerpen om ze esthetisch aantrekkelijk te maken. Dat betekent dat deze objecten zo zijn ontworpen dat de resultaten tegelijkertijd nuttig en mooi zijn.

'Schone kunsten', daarentegen, beogen de geest (gevoel en intellect) van de toeschouwer te stimuleren en zijn dus niet in de eerste plaats functioneel. Toegepaste kunst is een breed vakgebied dat esthetiek, design, consumentenbehoeften en het vinden van praktische oplossingen voor problemen combineert. Het is een gebied waarin design en decoratie samenkomen om objecten en ideeën te creëren die zowel functioneel als kunstzinnig smaakvol zijn. Specifieke studiegebieden zijn onder meer grafisch ontwerp, modeontwerp, architectuur, auto-ontwerp, reclame en keramiek.

Vroegste ideeën over vormgeving[bewerken]

Recueil de décorations intérieures uit 1812 was een van de eerste verhandelingen waarin ontwerpers hun uitgangspunten theoretisch uiteenzetten. De auteurs, Charles Percier en Pierre F.L. Fontaine, waren architecten en decorateurs van keizer Napoleon. Hun Recueil dat de algemeen geldende wetten van het ware, het eenvoudige en het schone bespreekt, zou van grote invloed blijken op het latere 'functionalisme' waar de 'industriële vormgeving' is uit voortgekomen. Zij stelden toen reeds de normen en principes vast van bruikbaarheid en ergonomie die een grote rol in het ontwerp dienden te spelen. Hun begrip 'arts industriels' was echter veel ruimer dan wat er nu in onze sterk geïndustrialiseerde moderne wereld onder wordt verstaan. Het ging hier om een heel scala van producten, van zuiver ambachtelijke tot de meest gemechaniseerde, van huisnijverheid tot fabriek. Ook de Duitse architect Karl Friedrich Schinkel publiceerde een reeks toonaangevende teksten over goed design voor esthetisch verantwoorde gebruiksvoorwerpen, waarbij hij zich richtte tot Fabrikanten und Handwerker.

Museale collecties[bewerken]

Gottfried Semper schreef enkele weken na de wereldtentoonstelling in het Londense Crystal Palace zijn Wissenschaft, Industrie und Kunst (1852). Daarin zette hij zijn visie uiteen over een ideale museumcollectie die het doel had om de smaak van het publiek en de fabrikanten op te voeden. Dit opvoedende aspect leidde ook tot aan het museum verbonden opleidingen voor ontwerpers en ambachtslieden.

Sociale bewogenheid van Ruskin en Morris[bewerken]

De verslechterende arbeidsomstandigheden van het fabrieksproletariaat in Engeland bewogen mensen als kunstcriticus John Ruskin en William Morris ertoe om alle fabrieksproductie als mensonwaardig te veroordelen. Daardoor kreeg vanaf de tweede helft van de 19e eeuw het begrip 'industrie' of 'nijverheid' een pejoratieve bijklank.

Uitbreiding van het begrip 'kunstnijverheid'[bewerken]

Het 19e-eeuwse begrip werd mettertijd, met 'terugwerkende kracht' ook gebruikt voor alle gebruiksvoorwerpen uit eerdere eeuwen en stijlperiodes die een duidelijk esthetische kwaliteit bezaten.

Scheiding tussen schone kunsten en toegepaste kunsten[bewerken]

In de Klassieke oudheid was er geen scheiding tussen 'schone kunsten' en 'toegepaste kunsten'. Het Latijnse woord 'ars' betekent oorspronkelijk 'kunde', 'vaardigheid'; kunst en kunde werden niet onderscheiden. Die scheiding is ook een typisch westers verschijnsel, dat zich pas langzaam, na de middeleeuwen, voltrok. In de middeleeuwen zelf was er geen verschil tussen kunstenaar en ambachtsman. Pas in de renaissance begon een zekere scheiding op te treden tussen de scheppende kunstenaar en de uitvoerende ambachtsman. Dit dient evenwel onmiddellijk genuanceerd te worden, want veel kunstenaars waren ook bij de kunstnijverheid betrokken, waar immers hun ontwerpen werden uitgevoerd. Schilders als Albrecht Dürer, Hans Holbein en Rafaël maakten bijvoorbeeld ontwerpen voor gouden voorwerpen, glasschilderingen, interieurdecoraties en wandtapijten. Het was zelfs zo dat veel kunstenaars in Italië hun basisopleiding in een goudsmidatelier kregen. Ook Dürer startte op die manier als leerling goudsmid bij zijn vader. Stilaan begonnen de kunstenaars zich in de renaissance boven de gilden voor handwerkers te verheffen en streefden eenzelfde status na als die van een dichter of geleerde. Een echt 'hiërarchische scheiding kwam echter pas in de 18e eeuw en vooral de 19e eeuw, wat ook door de opkomst van de fabrieksproductie in de hand werd gewerkt. De al eerder genoemde Ruskin veroordeelde deze ontkoppeling van de toegepaste en schone kunsten in heftige bewoordingen. Wat hem tegenstak in de mechanische productie was de foutloze precisie die bij hem levenloos en geestdodend overkwam. De fabrieksarbeider die dit werk moest doen werd zo van zijn creativiteit en spontaniteit beroofd:

« You must either make a tool of the creature, or a man of him. You cannot make both. Men were not intended to work with the accuracy of tools. (On the nature of Gothic, 1853) »
Voorbeelden van industrieel ontwerp
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.