Heraclitus over de natuur/Het goddelijke

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hendrik ter Brugghen - Heraclitus.jpg
Heraclitus over de natuur

Binnen de kosmische staatsordening zijn de goden overal leidend en beschermend (77). De (opperste) godheid neemt dan ook de gedaante aan van een aantal tegengestelden die alles brengen wat wij nodig hebben, of ook in staat is te veranderen in wat voor ieder goed en aangenaam is (78). Bijzondere godheden zijn in de eerste plaats de Sibille, die ‘met razende mond’ profeteert, (79) en in de tweede plaats de god Apollo, wiens orakeltaal op de juiste wijze geduid moet worden (80).

Fragmenten hierover[bewerken]

77. Want ook daar zijn goden.

78a. De god: dag—nacht, winter—zomer, oorlog—vrede, verzadiging—honger.

78b. Zoals wanneer het wordt vermengd met reukstoffen, wordt hij genoemd naar de smaak van elk.

79. Maar de Sibille met razende mond, die zonder lach woorden roept, overbrugt met haar stem duizenden jaren door de god, niet door het menselijke.

80. De heer van wie het orakel is, in Delphi, zegt niet, noch verbergt, maar beduidt.


> Vorige pagina: Heraclitus over de natuur/De wet
> Volgende pagina: Heraclitus over de natuur/De onmondigen en de volwassenen, de goden en de mensen
> Terug naar: Heraclitus over de natuur/Gedetailleerde inhoudsopgave
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.