Heraclitus over de natuur/Het boek van Heraclitus

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hendrik ter Brugghen - Heraclitus.jpg
Heraclitus over de natuur

Heraclitus schreef waarschijnlijk slechts één korte en bondige verhandeling die evenals de Werken en dagen van Hesiodus ongeveer dertig boekbladzijden telde. Wij weten niet wat de titel van deze verhandeling was. Waarschijnlijk had het zelfs in het geheel geen titel. De meeste schrijvers uit de oudheid geven het als titel Over de natuur, sommigen De Muzen, anderen Inzichten over de aard, om zich toe te wenden, van één ordening voor het gezamelijke alles. Diodotus zou het Een nauwkeurig afgesteld roer als richtsnoer voor het leven genoemd hebben. [1] Heraclitus zou het boek als wijgeschenk in de tempel van Artemis hebben gedeponeerd om het daar in bewaring te geven. [2]

De opbouw van het boek[bewerken]

De verhandeling zou zijn opgebouwd uit drie redevoeringen, namelijk één kosmologische, één politieke en één theologische redevoering. [3] Waarschijnlijk hebben de Stoïcijnen deze indeling gemaakt toen zij de verhandeling van commentaar voorzagen. Het lijkt er sterk op dat deze redevoeringen elkaar in de oorspronkelijke verhandeling niet duidelijk opvolgden, maar dat de gehele verhandeling door de gehele tekst heen een kosmologisch, politiek en theologisch karakter had, zodat Diodotus tot de conclusie kon komen dat het gehele werk over de staat handelde en dat de gedeelten over de natuur alleen maar ter illustratie dienden. [4] De verhandeling zou volgens Theofrastus slechts half voltooid zijn, terwijl de onderwerpen nu eens op de ene wijze en dan weer op de andere wijze werden uiteengezet. Theofrastus schrijft dit aan de melancholie van Heraclitus toe. [5]

De bondigheid en het duistere karakter van het boek[bewerken]

In de verhandeling zou met opzet zo moeilijk mogelijke formuleringen zijn gebruikt, opdat het alleen voor de hoogst ingewijden toegankelijk zou zijn en niet door het populaire karakter ervan geminacht zou worden. [6] Soms zou Heraclitus zich in zijn boek echter zo duidelijk uiten dat zelfs iemand die traag van begrip is er makkelijk inzicht in kon verwerven en zijn ziel ernaar kon schikken. Desalniettemin bleef het wat de bondigheid en de machtige stijl betreft onvergelijkelijk. [7] De Aristotelische school beoordeelde de gebruikte stijl in het boek negatief. Want Aristoteles vermeldt dat Heraclitus gebruik maakte van constructies die elkaar opvolgen zonder dat duidelijk is welk woord bij welke constructie hoort. Zo citeert Aristoteles letterlijk het begin van het eerste fragment waarin staat: “van het woord dat hier werkelijk is, eeuwig, blijken zonder begrip te zijn: de mensen”. Het gaat hierbij om het woord “eeuwig”. Het is onduidelijk of er bedoeld wordt dat het woord werkelijk en eeuwig is, of dat juist de mensen eeuwig zonder begrip blijken te zijn. Er kan echter ook voor gepleit worden dat deze duisterheid een bijzonder en positief effect geeft. [8] Timon beschrijft de duisterheid van het boek dat uitgaat van een filosofie met een hooghartig karakter als volgt:


Maar onder hen,

De kraaiende,

Was volkslasteraar Heraclitus,

In raadselen sprekend,

Die zich tegen hen opstelde.

[9]


Dit beeld wordt ook geschetst in het volgende epigram:


Heraclitus ben ik:

Wat heeft me met ruwheid

Opwaarts, neerwaarts, gesleept?

Niet voor jullie heb ik hard gewerkt,

Maar voor wie mij begrepen.

Eén mens is er mij dertigduizenden,

Maar zij die niet in tel zijn, zijn er me niet één.

Dat roep ik ook bij Phersephone uit.

[10]


Het boek van Heraclitus is duister, maar niet geheel ontoegankelijk:


Laten wij niet snel en gehaast in het midden plaatsen,

Het boek van Heraclitus.

Zeer onbegaanbaar is dit voetpad voor u.

Duisternis en donkerte is er, zonder verlichting.

Maar was voor u een ingewijde in de Mysteriën het aan het inleiden,

Dan was het van de stralende dingen,

En helderder dan de zon.

[11]

De verspreiding van het boek en de eerste ontvangst[bewerken]

Een zekere Crates zou het boek voor het eerst naar het vasteland van Griekenland hebben gebracht. Hij zou het onder het publiek hebben gebracht met de volgende mededeling: “het is nodig dat iemand een Delische duiker is om er niet zelf in te verdrinken. [12] Euripides zou Socrates de verhandeling aangereikt hebben met de woorden: “Wat denkt ge ervan? ” Socrates zou hem ten antwoord gegeven hebben: “Maar wat ik duidelijk begrijp, is enerzijds aanzienlijk; naar ik meen is ook dat wat ik niet begrijp dit doch ook tenslotte, maar er is een duiker van Delos voor nodig om tot de bodem erin door te dringen. ” Volgens een Oudgrieks gezegde was een Delische duiker iemand die in het zwemmen zeer bedreven was. [13] [14]

De beroemdheid van het boek onder volgelingen[bewerken]

De verhandeling zou onder volgelingen zo beroemd zijn geworden dat erom heen een partij ontstond. De leden van deze partij werden Heracliteërs genoemd. [15] Er is inderdaad een Heracliteïsche school geweest die zich in het bijzonder zou hebben toegelegd op het bestuderen van de namen voor de dingen om zo kennis te verkrijgen over dat wat werkelijk bestaat. [16]

De terhandneming van het boek door filologen en dichters[bewerken]

De jambendichter Seythinus zou een poging gedaan hebben de redevoering in het metrum om te zetten, terwijl er veel epigrammen op de verhandeling zouden zijn gemaakt. [17] Het werk moet door filologen veelvuldig becommentarieerd zijn. Eerder is al Diodotus genoemd, maar ook Antisthenes, Heraclides Poticus, Cleanthes, de stoïcijn Sphaerus, Pausianus, Nicomedes en Dionysus hebben commentaren geleverd. Pausianus zou zelfs “de Heraclitist” zijn genoemd. [18] Ook Clemens van Alexandrië bevestigt dat het boek van Heraclitus, dat “een raadselachtig karakter” had, veelvuldig is uitgelegd, omdat het de lezers ervan duister voorkwam. [19]

Noten[bewerken]

  1. Diogenes Laërtius, IX, 12: ἐπιγράφουσι δ᾿ αὐτῷ οἱ μὲν Μούσας, οἱ δὲ Περὶ φύσεως, Διόδοτος δὲ ἀκριβὲς οἰάκισμα πρὸς στάθμην βίου, ἄλλοι Γνώμον᾿ ἠθῶν, τρόπου κόσμον ἕνα τῶν ξυμπάντων. “Sommigen geven het als titel Muzen, anderen weer Over de natuur, Diodotus: Een nauwkeurig afgesteld roer als richtsnoer voor het leven, anderen Inzichten over de aard, om zich toe te wenden, van één ordening voor het gezamelijke alles.”
  2. Diogenes Laërtius, IX, 6: ἀνέθηκε δ᾿ αὐτὸ εἰς τὸ τῆς ᾿Αρτέμιδος ἱερόν. “Maar hij gaf het in bewaring in het heiligdom van Artemis.”
  3. Diogenes Laërtius, IX, 5: τὸ δὲ φερόμενον αὐτοῦ βιβλίον ἐστὶ μὲν ἀπὸ τοῦ συνέχοντος Περὶ φύσεως, διῄρηται δ᾿ εἰς τρεῖς λόγους, εἴς τε τὸν περὶ τοῦ παντὸς καὶ πολιτικὸν καὶ θεολογικόν. “Maar het aan hem toegeschreven boek wordt Over de natuur genoemd, het is verder verdeeld in drie redevoeringen, één over het alles en een staatkundige en een theologische [redevoering].”
  4. Diogenes Laërtius, IX, 15: τῶν δὲ γραμματικῶν Διόδοτος, ὃς οὔ φησι περὶ φύσεως εἶναι τὸ σύγγραμμα ἀλλὰ περὶ πολιτείας, τὰ δὲ περὶ φύσεως ἐν παραδείγματος εἴδει κεῖσθαι. “Maar van de grammatici is er Diodotus, die zegt dat de verhandeling niet over de natuur handelt maar over de staat, maar dat verder hetgeen wat over de natuur handelt als voorbeeld dient.
  5. Diogenes Laërtius, IX, 6: Θεόφραστος δέ φησιν ὑπὸ μελαγχολίας τὰ μὲν ἡμιτελῆ, τὰ δ᾿ ἄλλοτε ἄλλως ἔχοντα γράψαι. “Maar Theofrastus zegt: uit melancholie was enerzijds zijn werk half voltooid, maar dan weer schreef hij het op een andere wijze op.”
  6. Diogenes Laërtius, IX, 6: ὡς μέν τινες, ἐπιτηδεύσας ἀσαφέστερον γράψαι, ὅπως οἱ δυνάμενοι <μόνοι> προσίοιεν αὐτῷ καὶ μὴ ἐκ τοῦ δημώδους εὐκαταφρόνητον ᾖ. “Naar lieden beweren, betrachtte hij het meer onduidelijk te schrijven, opdat het alleen voor de vermogenden toegankelijk zou zijn en er niet door zijn populariteit op neergezien zou worden.”
  7. Diogenes Laërtius, IX, 7: λαμπρῶς τε ἐνίοτε ἐν τῷ συγγράμματι καὶ σαφῶς ἐκβάλλει, ὥστε καὶ τὸν νωθέστατον ῥᾳδίως γνῶναι καὶ δίαρμα ψυχῆς λαβεῖν· ἥ τε βραχύτης καὶ τὸ βάρος τῆς ἑρμηνείας ἀσύγκριτον. “Soms uit hij zich helder in zijn boek en duidelijk, zodat ook iemand die traag van begrip is er makkelijk inzicht in kan verwerven en er zijn ziel naar kan schikken, het aannemende, wat de kortheid betreft en de machtige uitdrukking is het onvergelijkelijk. ”
  8. Aristoteles, Rethorica, Γ5. 1407b 11-18: ῞Ολως δὲ δεῖ εὐανάγνωστον εἶναι τὸ γεγραμμένον καὶ εὔφραστον· ἔστιν δὲ τὸ αὐτό· ὅπερ οἱ πολλοὶ σύνδεσμοι οὐκ ἔχουσιν, οὐδ᾿ ἃ μὴ ῥᾴδιον διαστίξαι, ὥσπερ τὰ ῾Ηρακλείτου. τὰ γὰρ ῾Ηρακλείτου διαστίξαι ἔργον διὰ τὸ ἄδηλον εἶναι ποτέρῳ πρόσκειται, τῷ ὕστερον ἢ τῷ πρότερον, οἷον ἐν τῇ ἀρχῇ αὐτῇ τοῦ συγγράμματος· φησὶ γὰρ (B 1.1) ‘τοῦ λόγου τοῦδ᾿ ἐόντος ἀεὶ ἀξύνετοι ἄνθρωποι γίγνονται’· ἄδηλον γὰρ τὸ ἀεί, πρὸς ποτέρῳ <δεῖ> διαστίξαι. “Het is nodig dat het geheel eenvoudig te lezen is, zonder haperingen, en eenvoudig uit te spreken is: dit mag hetzelfde wezen. Waar er vele opeenvolgende verbindingen zijn is dit zeker niet het geval en dan is het ook niet gemakkelijk te ontleden, zoals bij Heraclitus. Want het werk van Heraclitus is niet goed te ontleden, daardoor is het onduidelijk bij welk [zinsdeel] een woord gesitueerd moet worden, bij wat ervoor komt of bij wat erna komt. En dit geldt voor bij het begin van zijn opstel; want hij zegt: van het woord dat hier werkelijk is, eeuwig, blijken de mensen zonder begrip te zijn: het is immers onduidelijk bij welke twee [zinsdelen] ‘eeuwig’ gesitueerd <moet> worden.”
  9. Diogenes Laërtius, IX, 6: τοῦτον δὲ καὶ ὁ Τίμων ὑπογράφει λέγων· τοῖς δ᾿ ἔνι κοκκυστής, ὀχλολοίδορος ῾Ηράκλειτος, αἰνικτὴς ἀνόρουσε.
  10. Diogenes Laërtius, IX, 16: Ηράκλειτος ἐγώ· τί μ᾿ ἄνω κάτω ἕλκετ᾿ ἄμουσοι; οὐχ ὑμῖν ἐπόνουν, τοῖς δ᾿ ἔμ᾿ ἐπισταμένοις. εἷς ἐμοὶ ἄνθρωπος τρισμύριοι, οἱ δ᾿ ἀνάριθμοι οὐδείς. ταῦτ᾿ αὐδῶ καὶ παρὰ Φερσεφόνῃ.
  11. Diogenes Laërtius, IX, 16: μὴ ταχὺς ῾Ηρακλείτου ἐπ᾿ ὀμφαλὸν εἴλεε βίβλον τοὐφεσίου· μάλα τοι δύσβατος ἀτραπιτός. ὄρφνη καὶ σκότος ἐστὶν ἀλάμπετον· ἢν δέ σε μύστης εἰσαγάγῃ, φανεροῦ λαμπρότερ᾿ ἠελίου.
  12. Diogenes Laërtius, IX, 12: Σέλευκος μέντοι φησὶν ὁ γραμματικὸς Κρότωνά τινα ἱστορεῖν ἐν τῷ Κατακολυμβητῇ Κράτητά τινα πρῶτον εἰς τὴν ῾Ελλάδα κομίσαι τὸ βιβλίον· ὃν καὶ εἰπεῖν Δηλίου τινὸς δεῖσθαι κολυμβητοῦ, ὃς οὐκ ἀποπνιγήσεται ἐν αὐτῷ. “Seleucus, daar wordt aan herinnert, de grammaticus, zegt dat een zekere Croton mededeelt in de Duiker dat een zekere Crates het boek voor het eerst naar de Hellas bracht; en daarbij zei hij: het is nodig dat iemand een Delische duiker is om er niet zelf in te verdrinken.”
  13. Diogenes Laërtius, II, 22: φασὶ δ᾿ Εὐριπίδην αὐτῷ δόντα τὸ ῾Ηρακλείτου σύγγραμμα ἐρέσθαι, τί δοκεῖ; τὸν δὲ φάναι, ἃ μὲν συνῆκα, γενναῖα, οἶμαι δὲ καὶ ἃ μὴ συνῆκα· πλὴν Δηλίου γέ τινος δεῖται κολυμβητοῦ. “Maar er wordt gezegd dat Euripides hemzelf [scil. Socrates] de verhandeling van Heraclitus bracht. Wat denkt ge ervan? Maar wat ik duidelijk begrijp, is enerzijds aanzienlijk; naar ik meen is ook dat wat ik niet begrijp dit doch ook tenslotte, maar er is een duiker van Delos voor nodig om tot de bodem erin door te dringen.
  14. Suidas Lexicon, s.v. Δηλίου κολυμβητοῦ: τοῦτο ἐρρήθη εἰς βιβλίον ῾Ηρακλείτου διὰ τὸ δυσνόητον, Δηλίου τινὸς δεῖσθαι κολυμβητοῦ, ὃς οὐκ ἀποπνιγήσεται ἐν αὐτῷ. ἐπιγράφουσι δὲ αὐτὸ οἱ μὲν Μούσας, οἱ δὲ Περὶ φύσεως, Διόδοτος δὲ ᾿Ακριβὲς οἰάκισμα πρὸς στάθμην βίου, ἄλλοι Γνώμην ἠθῶν, Κόσμον τρόπων ἑνὸς τῶν ξυμπάντων. ἢ οὕτως· Δηλίου κολυμβητοῦ, ἐπὶ τῶν ἄκρως νηχομένων. Σωκράτει γὰρ δόντος τοῦ Εὐριπίδου ῾Ηρακλείτου τοῦ σκοτεινοῦ σύγγραμμα, ἐρέσθαι, τί δοκεῖ; τὸν δὲ φάναι· ἃ μὲν συνῆκα γενναῖα· οἶμαι δὲ καὶ ἃ μὴ συνῆκα· πλὴν Δηλίου δεῖται κολυμβητοῦ εἰς τὸ μὴ ἀποπνιγῆναι ἐν αὐτῷ. καὶ παροιμία· Δήλιος κολυμβητής, ἐπὶ τῶν πάνυ ἐμπείρων νήχεσθαι. “Het volgende werd gezegd in verband met de verhandeling van Heraclitus, omdat het moeilijk te begrijpen was, namelijk dat het een duiker van Delos vereiste die daarin niet zou verdrinken. Sommigen noemen het de Muzen, anderen Over de natuur, maar Diodotus Een nauwkeurig afgesteld roer als richtsnoer voor het leven, anderen Inzichten over de aard van de wereldordening om zich toe te wenden van het gezamenlijke alles. Of hetzelfde is: een Delische duiker, in verwijzing naar hen die in de diepte zwemmen. Want toen Euripides Socrates de duistere verhandeling van Heraclitus gaf, vroeg hij: Wat denkt ge ervan? Maar hij maakte duidelijk: wat ik duidelijk begrijp, is enerzijds aanzienlijk; naar ik meen is ook dat wat ik niet begrijp dit doch ook tenslotte, maar er is een duiker van Delos voor nodig om tot de bodem erin door te dringen. En volgens het gezegde is een Delische duiker iemand die in het zwemmen zeer bedreven is.”
  15. Diogenes Laërtius, IX, 6: τοσαύτην δὲ δόξαν ἔσχε τὸ σύγγραμμα ὡς καὶ αἱρετιστὰς ἀπ᾿ αὐτοῦ γενέσθαι τοὺς κληθέντας ῾Ηρακλειτείους. “Maar zijn verhandeling kreeg zulk een grote roem dat er rond hem ook partij ontstond die bekend is onder de naam ‘de Heracliteërs’.”
  16. Proclus, In Platonis Parmenidem Commentaria, I, 6, 623—624: καὶ ἄλλο τοῦ Ἡρακλειτείου, τὴν διὰ τῶν ὀνομάτων ἐπὶ τὴν τῶν ὄντων γνῶσιν ὁδόν. “En anders is het gesteld met de Heracliteïsche school, die door de naamgevingen [te bestuderen] de weg naar de kennis van het bestaande [zoekt].”
  17. Diogenes Laërtius, IX, 16: ῾Ιερώνυμος δέ φησι καὶ Σκυθῖνον τὸν τῶν ἰάμβων ποιητὴν ἐπιβαλέσθαι τὸν ἐκείνου λόγον διὰ μέτρου ἐκβάλλειν. πολλά τ᾿ εἰς αὐτὸν ἐπιγράμματα φέρεται. “Maar Hiëronymus zegt: ook Seythinus, de jambendichter, heeft een poging gedaan om zijn redevoering in het metrum om te zetten. En zijn verder veel epigrammen op gemaakt.”
  18. Diogenes Laërtius, IX, 15: πλεῖστοί τέ εἰσιν ὅσοι ἐξήγηνται αὐτοῦ τὸ σύγγραμμα· καὶ γὰρ ᾿Αντισθένης καὶ ῾Ηρακλείδης ὁ Ποντικὸς Κλεάνθης τε καὶ Σφαῖρος ὁ Στωικός, πρὸς δὲ Παυσανίας ὁ κληθεὶς ῾Ηρακλειτιστής, Νικομήδης τε καὶ Διονύσιος. “En er zijn velen die zijn verhandeling hebben uitgelegd, onder meer namelijk: Antisthenes en Heraclides Ponticus, en ook Cleanthes en Sphaerus de Stoïcijn, maar daarbij ook Pausianus, die bekend staat als de Heraclitist, Nicomedes en ook Dionysus.”
  19. Clemens van Alexandrië, Stromata, V, p. 571 C (19e eeuws): καὶ μυρῖα ἐπὶ μυρίοις εῦροιμεν ἂν ὑπό τε φιλοσόφων, ὑπό τε ποιητῶν αἰνιγματωδῶς εἰρημένα· ὄπου γε καὶ ὅλα βιβλία ἐπικεκρυμένην τὴν τοῦ συγγραφέως βούλησιν ἐπιδείκνυνται, ώς καὶ τὸ τοῦ Ἡρακλείτου Περὶ φύσεως, ὃς καὶ δι’ αὐτὸ τοῦτο σκοτεινὸς προσηγόρευται. “En er zouden talrijke en tálrijke berichten, zowel onder de wijsgeren, alsook onder de dichters, zijn, met een raadselachtig karakter, als er althans niet ook hele boeken ten toon werden gespreid die de betekenis van de verhandelingen willen achterhalen, dit geldt ook voor Over de natuur van Heraclitus, daarin spreekt ook hij ons op duistere wijze toe.”


> Vorige pagina: Heraclitus over de natuur/Het leven van Heraclitus
> Volgende pagina: Heraclitus over de natuur/Inleiding tot de fragmenten
> Terug naar: Heraclitus over de natuur/Gedetailleerde inhoudsopgave
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.