Heraclitus over de natuur/De zon als het levengevende

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hendrik ter Brugghen - Heraclitus.jpg
Heraclitus over de natuur

In de astronomie neemt het hemellichaam van de zon een bijzondere plaats in. Hij schenkt namelijk het levende in de kosmische staatsordening het leven, zodat deze ordening in stand blijft. Dit is mogelijk omdat de zon dag in dag uit weer jong is, doordat hij opnieuw ontvlamt (99). Hij is echter begrensd en zal, omdat de godin van het recht hem anders straf oplegt, die grenzen niet overschrijden (100). Het belang van het hemellichaam is erin gelegen dat hij licht en dag brengt (101). Dit is mogelijk omdat hij zich in zuivere lucht begeeft, dit in tegenstelling tot de maan (102) en de andere sterren, die zich, anders dan de zon, ver weg bevinden (103). De maan bevindt zich niet in de zuivere streek van de zon (104). Dat de zon echter iedere dag weer ontvlamt, vindt zijn oorzaak in het gegeven dat hij uit de zee opduikt, namelijk door te ontvlammen (105 en 106).

Fragmenten hierover[bewerken]

99. De zon is iedere dag jong.

100. Want de zon is volgens zijn natuur een voet van een mens in breedte, de grenzen zal hij niet te buiten gaan: als hij zijn grenzen overschrijdt, zullen de Erinyen hem achterhalen, de boden van Dikè.

100a. Maar de zon zal de grenzen niet te buiten gaan; maar zo niet, dan plegen de Schrikgodinnen, de boden van Dikè, hem te achterhalen.

101. Als de zon er niet was, zou het nacht zijn.

102. Volgens Heraclitus is het meest stralend de zon: want deze pleegt zich in de meest zuivere lucht te begeven, maar de maan in de troebele, vandaar dat zij ook gedempt schijnt.

103. Het helderst is de vlam van de zon, ook is die het warmst, maar de andere sterren houden zich verder van de aarde af, nabij de aarde is echter de maan.

104. Het zuivere is de streek waar alles wat boven de maan is zich bevindt, dat is ook hetgeen wat Heraclitus leerde.

105. Daarom zeggen lieden die Heraclitizeren dan ook dat uit het drinkbare, dat droog wordt of bevriest, stenen ontstaan en aarde ontstaat, maar dat uit de zee de zon pleegt op te dampen.

106. Maar bij hun ouderdom dooft nu werkelijk het weinige van hen veel eerder uit dan de Heracliteïsche zon, voor zover die niet wederom aangaat.


> Vorige pagina: Heraclitus over de natuur/De wisseling der seizoenen, de wisseling van dag en nacht, de verandering van het weer
> Volgende pagina: Heraclitus over de natuur/De voeding
> Terug naar: Heraclitus over de natuur/Gedetailleerde inhoudsopgave
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.