Heraclitus over de natuur/De ziel, het gemoed, de verandering in ons

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hendrik ter Brugghen - Heraclitus.jpg
Heraclitus over de natuur

Zoals in de fraaie ordening het kosmische vuur de belichaming is van de wisselingen en de veranderingen, zo maakt de ziel het wezen van de verandering in de individuele dingen uit. De ziel is eigen aan alles in de kosmische ordening, omdat dit, evenals het kosmische vuur, levend is. Voor de mensen vormt de verandering in de ziel het gemoed. De ziel is ook in staat in andere elementen te veranderen en dit is een kwestie van leven en dood (126). Zielen worden namelijk vochtig, wat voor hen verkwikkelijk is en veranderen ten slotte in water (127). Zij snuiven immers damp in de rivier van de onderwereld, waarin zij ten slotte ondergedompeld worden (128). Hierbij worden zij afgesneden van het intelligente vuur, en doven uit als gloeiende kolen die uit het vuur verwijderd worden (129). Door vochtig te worden verliezen de zielen aldus hun verstand, zoals duidelijk wordt bij een man die wijn gedronken heeft (130). Hij vergeet daarbij de weg die leidt naar wijsheid en verstand (131), dit in tegenstelling tot de meest edele ziel die geen vocht heeft opgenomen en dus in staat is de wijsheid te bereiken (132). Een dergelijke (kosmische) ziel straalt zuiver, terwijl deze vrij is van schaduw en nevel (133). Daarbij wordt de menselijke ziel niet edel als al zijn wensen vervuld worden, omdat het onaangename zijn tegendeel, namelijk het aangename, brengt en de zielen zuivert (134). Ook is het van belang tegen de grillen van het gemoed te vechten, waardoor de ziel immers niet edel wordt. Dit is echter niet gemakkelijk (135). Want tegen het gemoed vechten, bezorgt last en is dus onaangenaam, terwijl de ziel het onaangename onmiddellijk ervaart (136).

De menselijke en kosmische zielen ondergaan aldus verandering. Dit vindt onder ander plaats wanneer zij onder invloed van vocht hun intelligentie geleidelijk verliezen. Ook dit proces, alsook de toestand waarin zij geheel in vocht zijn opgegaan, is vol van verandering en komt overeen met de toestand van een rivier, waarin steeds opnieuw water op ten toekomt. De rivier blijft echter dezelfde en aldus is er sprake van verandering in permanentie en dit is wederom een voorbeeld van de zogenoemde eenheid der tegendelen. De zielen die in vocht zijn opgegaan, dampen daaruit op een later ogenblik uiteindelijk weer op. Dit vocht stroomt in de bedding van de rivier, zoals er ook in de onderwereld een rivier stroomt (139). Het is onmogelijk aan deze noodzakelijke verandering te ontkomen, terwijl dezelfde rivier, doordat zij steeds weer ander water bevat, in een ander opzicht ook weer niet dezelfde is. Ook dit is een vorm van de eenheid der tegendelen (137) en aldus is niets permanent (138). De laatstgenoemde eenheid der tegendelen bestaat eruit dat iets in het ene opzicht wel en in het laatste opzicht niet is en aldus treden wij in de één en dezelfde rivier, terwijl wij in verschillende rivieren treden. Hieruit is de gevolgtrekking te maken dat wij er zowel wél als níet zijn. (140). Deze bepaling geldt niet alleen voor ons, maar heeft op alles in de kosmische ordening betrekking (141).

De verandering in de ziel en de ziel zelf bezitten ten slotte diepte, omdat deze onbegrensd zijn. Hier spreekt Heraclitus wederom van de logos (het woord), wat lijkt te suggereren dat deze diepte en onbegrensdheid in termen van getalsmatige en dus redelijke verhoudingen van verstandelijkheid is uit te drukken (142).

Fragmenten hierover[bewerken]

126. Want de zielen hun dood: water wordt geboren, maar water haar dood: aarde wordt geboren, uit aarde wordt echter water, maar uit water ziel.

127. Voor zielen is het verkwikking of dood vochtig te worden.

128. De zielen ruiken in Hades.

129. Maar gloeiende kolen doven uit door afscheiding.

130. Een man wanneer dronken, wordt geleid door een onvolwassen kind, wankelend, niet beseffend waarheen hij gaat, vocht in de ziel heeft hij.

131. ... van hem die vergeet waarheen de weg leidt.

132. Droge ziel: de meest wijze en de beste.

133. De straal van de ziel is droog geworden, zonder schaduw en onbewolkt.

134a. Als mensen overkomt waar zij naar streven is dat nog niet het betere.

134b. Ziekte maakt gezondheid aangenaam en goed, honger verzadiging, vermoeidheid het uitrusten.

135. Tegen het gemoed vechten is een lastigheid: want dat waarnaar zij mocht streven, is een koop voor de ziel.

136. Zoals een spin in het midden van haar web het merkt, wanneer een vlieg sommige van haar draden vernielt en daarom daarheen rent, alsof zij zich om de draad vervolgens gebelgd voelt, zo gaat de ziel van een mens, wanneer er een kwetsuur ontstaat daarheen haastig.

137. Want het is onmogelijk tweemaal in dezelfde rivier te treden; hij verstrooit en brengt samen, en komt dichtbij en gaat weg.

138. Niets is blijvend.

139. Op wie in dezelfde rivieren treden stroomt ander en ander water toe: maar ook zielen dampen uit het vochtige op.

140. In dezelfde rivieren treden wij en treden wij niet, wij zijn en ook zijn wij niet.

141. Alles pleegt te zijn en niet te zijn.

142. De grenzen van de ziel zult u niet na kunnen speuren, alle wegen doorlopend, zij is het, die het diepe woord heeft.

142a. Aan de ziel is het woord eigen dat vermeerdert.


> Vorige pagina: Heraclitus over de natuur/Leven en dood, waken en slapen, de levensloop
> Volgende pagina: Heraclitus over de natuur/De mensen en de dieren; de landbouw
> Terug naar: Heraclitus over de natuur/Gedetailleerde inhoudsopgave
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.