Heraclitus over de natuur/Fragmenten, begrippen en gedachten bij Pseudo-Hippocrates

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hendrik ter Brugghen - Heraclitus.jpg
Heraclitus over de natuur

In het artikel Over de natuur is getracht losse citaten en vermeldingen samen te voegen tot grotere gehelen, om zo bij te dragen aan de reconstructie van de oorspronkelijke tekst. Uiteraard is niet met zekerheid te zeggen welke kleine brokstukken oorspronkelijk bij elkaar hebben gehoord, maar een mogelijke reconstructie maakt het geheel wel beter interpreteerbaar en begrijpelijk.

Hieronder zijn echter de fragmenten niet samengevoegd, maar wel alfabetisch geordend, omdat met uitzondering van de eerste twee fragmenten niet met zekerheid is vast te stellen hoe de fragmenten oorspronkelijk geordend waren. Daarbij zijn de fragmenten op uiteenlopende wijzen te interpreteren en kunnen ze in meerdere contexten geplaatst worden.

De fragmenten, begrippen en gedachten bij Pseudo-Hippocrates vormden oorspronkelijk één doorlopende tekst. Pseudo-Hippocrates was een zogenaamde Heraclitus-imitator, die de stijl van Heraclitus trachtte na te bootsen en enkele fragmenten uit Over de natuur in enigszins gewijzigde vorm in zijn werk opnam, maar de terminologie van Heraclitus consequent handhaafde. Omdat de teksten van Pseudo-Hippocrates dus vele verborgen fragmenten lijken te bevatten, zijn ze hier gedeeltelijk als aanhangsel opgenomen.

"Over de natuur" volgens de fragmenten en de antieke testimonia[bewerken]

  • Fragment 1 Heraclitus, de zoon van Bloson, uit Efeze, deelt het volgende mede: van het woord dat hier werkelijk is, eeuwig, blijken zonder begrip te zijn: de mensen, en wel vóór zij daarvan horen, én eenmaal gehoord hebbende. Want hoewel alles (duidelijk) wordt volgens dit woord hier, lijken zij onervaren, daarbij strevende, en bij zulke woorden en werken, waarvan ik een uiteenzetting geef, volgens de natuur elk voor zich ontledend, en tonend wat het daarbij houdt. Maar de andere mensen ontgaat wat zij wakend zoal doen, zoals wat zij slapende vergeten.
  • Fragment 2 Daarom is het nodig aan te sluiten bij het <verbindende>. Van het woord dat hier werkelijk verbindend is leven de velen, alsof zij particulier verstand bezitten.
  • Fragment 3 Al wiens woorden ík ook gehoord heb, niet één komt zover als dit: namelijk te weten dat het wijze van alles onderscheiden is.
  • Fragment 4 Alles pleegt te bewegen, en anders zijnd, is de natuur veranderend.
  • Fragment 5 Alles is: ontbindend—niet ontbindend, verwekker—geen verwekker, vader—zoon.
  • Fragment 6 Alles wordt ooit vuur.
  • Fragment 7 Alles zou verdwijnen, vernietigd worden.
  • Fragment 8 Als alles (duidelijk) rook zou worden, zouden neuzen onderscheiden.
  • Fragment 9 Als dát goden zijn, waarom zijn zij dan bedroefd? (Tegen de Egyptenaren.)
  • Fragment 10 Als de zon er niet was, zou het nacht zijn.
  • Fragment 11 Als hij dertig jaren is kan een man het vermogen krijgen grootvader te worden.
  • Fragment 12 . . . als kinderen van hun ouders.
  • Fragment 13 Als mensen overkomt waar zij naar streven is dat nog niet het betere; ziekte maakt gezondheid aangenaam en goed, honger verzadiging, vermoeidheid het uitrusten.
  • Fragment 14 Als zij immers niet voor Dionysus een optocht hielden en een lied zongen ter ere van de schaamdelen, zouden het schaamteloze praktijken zijn; maar Hades en Dionysus zijn dezelfde voor wie zij razen en het feest voor Bacchus vieren.
  • Fragment 15 Bij dit alles hier is de bliksem sturende.
  • Fragment 16 Dag, nacht, maanden, seizoenen, jaren, regen, wind, <ontstaan door uitwasemingen>.
  • Fragment 17 Dat is de kringloop van de wereldordening, op en neer, uit het eeuwige, naar het eeuwige.
  • Fragment 18 Dat zijn geneesmiddelen, omdat deze het kwaad genezen en de zielen buiten bereik doen stellen van rampen die deze bij de geboorte waren overkomen.
  • Fragment 19 De besluitvaardigheid pleegt zich diep te verbergen bij onvertrouwdheid en goed: want bij onvertrouwdheid ontsnapt het aan de aandacht en wordt dan niet gekend.
  • Fragment 20 De boog heet leven, maar zijn werk is de dood.
  • Fragment 21 De dagen, bij het samenkomen der maanden, waarop zij [de maan] niet schijnt: nieuwe maan, daarvoor, daaropvolgend, nu eens verandert zij minder, dan weer meer.
  • Fragment 22 De dood van aarde is de geboorte van water, de dood van water is de geboorte van lucht, de dood van lucht is de geboorte van vuur.
  • Fragment 23 De geesteshouding van een mens omsluit niet de besluitvaardigheid, maar de goddelijke heeft deze; veeleer mag een man onmondig heten bij een demon, zoveel als een kind bij een man.
  • Fragment 24 De geneesheren snijden, branden, folteren, mishandelen, zij eisen daarbij, wat zij niet eens zouden verdienen, loon te ontvangen; dezelfde werkzaamheid heeft het goede en de ziekte.
  • Fragment 25 De geneesheren zeiden, volgens hun woord, dat zij niet bij machte waren mij van ziekte te genezen, noch in te zien hoe uit stortregen droogte kan ontstaan. Zij weten niet dat de god in de wereldordening het grote lichaam geneest, zich opstellend tegen de wanverhouding daarvan. Als ik weet wat de natuur van de wereldordening is, weet ik ook wat die van de mensen is, weet ik van ziekte, weet ik van gezondheid; ik heb mijzelf genezen: ik heb de god nagebootst. Niet ik overwin de ziekte, maar de besluitvaardigheid overwint de ziekte voor mij. En wanneer iets ontbindt, zal hetzelfde opgesteld worden, en blijft het vroegere voortgestuwd worden, maar het latere staat stil. Het zich inspannen van de wereldordening bewerkt genezing. Ik weet van het ophouden der ziekte.
  • Fragment 26 De god: dag—nacht, winter—zomer, oorlog—vrede, verzadiging—honger; maar hij neemt andere gedaantes aan, zoals <vuur,> wanneer vermengt met reukstoffen, genoemd naar de smaak van elk.
  • Fragment 27 De grenzen van Dageraad en Avond zijn de Beer en, tegenover de Beer, de Wachter van de stralende Zeus.
  • Fragment 28 De grenzen van de ziel zult u niet kunnen naspeuren, welke weg u ook doorloopt, zij is het die diepte en veel te vertellen heeft.
  • Fragment 29 De heer van wie het orakel te Delphi is zegt niet, noch verbergt, maar geeft een teken.
  • Fragment 30 De hemel bestaat uit vuur.
  • Fragment 31 De honing is bitter voor mensen met geelzucht, maar zoet voor gezonde mensen.
  • Fragment 32 De jeugd is een tweede zon voor hen die zijn opgevoed.
  • Fragment 33 De kortste weg naar de roem is goed worden.
  • Fragment 34 De meest wijze mens zal bij de god een aap lijken, <zoals> de schoonste aap wanstaltig is bij het geslacht der mensen samengebracht.
  • Fragment 35 De mening is een heilige ziekte.
  • Fragment 36 De mensen beginnen volwassen te worden rond hun veertiende.
  • Fragment 37 De mensen wacht, als zij gestorven zijn, wat zij niet verwachten, waar zij ook niet van overtuigd zijn, waarvan niets hen zou verdelen.
  • Fragment 38 De mensen zijn aan misleiding ten prooi ten aanzien van het doorzien van wat zichtbaar is, bijna net zoals Homerus, die de meest wijze van alle Hellenen werd. Want ook hij liet zich door kinderen die luizen aan het doden waren misleiden en zij zeiden: alles wat wij gezien en aangegrepen hebben, dat hebben wij achtergelaten, alles wat wij niet gezien en niet gevangen hebben, dat nemen wij mee.
  • Fragment 39 De mensen zijn in overeenstemming met hun natuur redeloos, zij zijn alleen van den beginne af aan het verstand gehecht, maar als dat waarachtig zou zijn, zoals het waarachtige is, dan zou elk voor zich de ijdelheid in de mening verhullen.
  • Fragment 40 De natuur van alle dagen is één.
  • Fragment 41 De olie is voor de mensen van nut.
  • Fragment 42 De sterren gaan aan en doven uit.
  • Fragment 43 De sterren worden gevoed door de opdampingen uit de aarde.
  • Fragment 44 De straal van de droge ziel is de meest wijze en de beste.
  • Fragment 45 De verstandelijke vurige massa uit de zee is de zon.
  • Fragment 46 De volwassen Efeziërs zouden het verdienen zich allen te verhangen en voor de onvolwassenen de stad achter te laten, zij die Hermodorus, een man die van henzelf de meest nuttige was, verdreven, verklarend: “Van ons mag niet eens één de meest nuttige wezen; als dat niet zo mocht zijn, dan ergens anders en temidden van anderen.”
  • Fragment 47 De vordering van de mening is een verhindering.
  • Fragment 48 De weg op en neer is één en dezelfde.
  • Fragment 49 De weg van de kaarde, recht en krom, is één en dezelfde.
  • Fragment 50 De wereldordening hier, dezelfde in alles, is noch door iemand der goden, noch door een mens gemaakt, maar was altijd en is en zal zijn: vuur, eeuwig levend, wat aangaat met mate en uitdooft met mate.
  • Fragment 51 De ziel is een vonk van <het vuur> der sterren.
  • Fragment 52 De zielen bestaan uit vuur: immers, zij bewegen.
  • Fragment 53 De zielen ruiken in Hades.
  • Fragment 54 De zielen van hen die sterven in de strijd, zijn zuiverder dan die van hen die sterven door ziekten.
  • Fragment 55 De zon dooft uit en ontvlamt weer.
  • Fragment 56 De zon is dag in dag uit weer jong.
  • Fragment 57 De zon is volgens zijn natuur in breedte een menselijke voet. Hij zal niet buiten zijn grenzen gaan, zo niet, als hij zijn grenzen, (. . .), overschrijdt, dan zullen de Eninyen hem opsporen, de boden van Dikè.
  • Fragment 58 . . . demonen in alles tezamen.
  • Fragment 59 Dertig jaren voor een generatie, in deze tijd heeft de verwekker het door hem verwekte zelf als verwekker.
  • Fragment 60 . . . die de aanvoerder is der geslepen praters.
  • Fragment 61 . . . die vergeet waarheen de weg voert.
  • Fragment 62 Donder ontstaat door het samengaan van wind en wolken en het spuwen van lucht naar de wolk, maar bliksem door het aansteken van het opgedampte, gloeiende wervelwind echter door het ontvlammen en uitdoven van wolken.
  • Fragment 63 Donker is niet het andere voor licht, maar zij zijn één en hetzelfde.
  • Fragment 64 Dood is wat wij wakend zien, wat slapend slaap.
  • Fragment 65 Door vermenging van tegendelen is er het onbewogene.
  • Fragment 66 Droogtes en ook stortregens zijn de wisselingen van het uitspansel.
  • Fragment 67 Een bij wint honing en verzamelt het.
  • Fragment 68 . . . een brandende fakkel (de zon).
  • Fragment 69 . . . een generatie, een maand.
  • Fragment 70 Eén is de grens van alle dingen; maar de gemeenschappelijke dingen volgens de grens beginnen zelf door elkaar, tegelijk zich voordoend of ondergaand. Want het gaat naar dezelfde grens, die ook van het goede en niet van het goede is.
  • Fragment 71 Eén is er mij tienduizenden, indien hij de beste is.
  • Fragment 72 Eén is het wijze, alleen, het zal wel en het zal niet willen toestaan, met de naam Zeus te worden aangeduid.
  • Fragment 73 Eén is het wijze: vertrouwd zijn met de besluitvaardigheid, die alles door alles bestiert.
  • Fragment 74 Een man wanneer dronken, wordt meegevoerd door een onvolwassen kind, al wankelend; en beseft niet waar hij heengaat, daar hij een vochtige ziel heeft.
  • Fragment 75 Een mens in de nacht, steekt een licht aan voor zichzelf: stervend, uitgedoofd. Maar levend gaat hij aan bij de dode: slapend, uitgedoofd in zijn ogen, wakend gaat hij aan bij de slaper.
  • Fragment 76 Een suf mens pleegt zich bij elk woord te verbijsteren.
  • Fragment 77 Eerbetoon onderwerpt goden en mensen.
  • Fragment 78 En dat alles <een wending maakt> naar warmte, en naar koude, en naar vermogen, wordt tegengehouden en verschaft.
  • Fragment 79 En het andere komt van de ziel zelf, van het verstandelijke: bij de dood ervan ontstaat het vochtige.
  • Fragment 80 En het heldere brengt de dag teweeg, maar het <andere> de nacht.
  • Fragment 81 En toen ik jong was placht ik niets te weten, volwassen geworden, kreeg ik in alles inzicht.
  • Fragment 82 En tot beelden van demonen bidden zij, die zij niet horen zoals deze te horen zijn; zij geven geen vergoeding, zoals dat te eisen is.
  • Fragment 83 En wisselingen zijn noodzakelijk, voortkomend uit de tegendelen. En de weg op en neer neemt de zielen in doortocht op. En voor hetzelfde zich inspannen is vermoeidheid, maar als zij uitrusten gaan zij veranderen. Wanneer de vermoeidheid voor hen aanvangt, zullen de werkers volgen en opwaarts gaan. Terwijl alles tezamen, dat van de god, samen met hen beweegt, worden zij bewogen en beheerst. Terwijl het gemoed in ruste is, weer aan het begin, zal de ziel naar verwachting neerwaarts gevoerd worden.
  • Fragment 84 Er is een kom voor de maan.
  • Fragment 85 Er zijn uitwasemingen uit aarde en zee, de ene helder en zuiver, maar de andere donker.
  • Fragment 86 Ezels nemen eerder strooisel dan goud.
  • Fragment 87 Geboren, streven zij er eerst naar te leven om het doodslot te bezitten, maar eerder om uit te rusten, en zij laten kinderen na: het doodslot wordt geboren.
  • Fragment 88 Gebrek en verzadiging is het vuur.
  • Fragment 89 Het bestaan der mensen is vol jammer en ellende en de wereld een tranendal, niets anders dan dat, wat niet vergankelijk moge zijn.
  • Fragment 90 Het denken is vuur.
  • Fragment 91 Het eeuwige leven is een kind, spelend als een kind, damspelend, <in afzondering brengend, samenbrengend,> een kind heeft het koningschap.
  • Fragment 92 Het ene en het andere vermeerdert eeuwig al naar gelang zijn behoefte.
  • Fragment 93 Het goede en slechte zijn hetzelfde.
  • Fragment 94 Het helderst en het warmst is de vlam van de zon. Maar de sterren staan verder van de aarde af, de maan echter dichter bij de aarde.
  • Fragment 95 Het is alle mensen deelachtig geworden zichzelf te kunnen leren kennen en verstandig te zijn.
  • Fragment 96 Het is nodig overmoed te blussen, eerder dan een laaiend vuur. Maar vechten is nodig voor het volk, ten bate van de wet als ook ten bate van de wal.
  • Fragment 97 Het is nodig te weten dat oorlog werkelijk verbindend is en recht twist en dat alles geschiedt volgens twist en noodzaak.
  • Fragment 98 Het is nodig zeer veel onderzoek te doen voor wijsgerige mannen.
  • Fragment 99 Het is ongepast zo grappig te zijn dat men zelf als grap wordt gezien.
  • Fragment 100 Het koude warmt op, het warme koelt af, het vochtige droogt op, wat dor is wordt nat.
  • Fragment 101 Het leven van vuur is de dood van lucht, en de lucht zijn leven is de dood van vuur.
  • Fragment 102 Het tegenstrevende komt samen, en uit het zich afzonderende de schoonste harmonische ordening.
  • Fragment 103 Het vuur vermeerdert door het heldere, maar het vochtige door het andere.
  • Fragment 104 Het water zijn leven is de dood van aarde, aarde zijn leven is de dood van water.
  • Fragment 105 Hetzelfde is: levend en dood, en wakend en slapend, en jong en oud; immers, dit hier is, omslaand, dat, en deze, omslaand, dit.
  • Fragment 106 Hetzelfde is: verkwikking—geen verkwikking, besluitvaardigheid—geen besluitvaardigheid, groot—klein, opwaarts—neerwaarts, rondgaan en wisseling.
  • Fragment 107 Hij (silc. Homerus) zou het verdienen van de wedstrijden verdreven en afgeranseld te worden, (en) Archilochus (evenzo).
  • Fragment 108 Homerus sprak de wens uit: “moge de twist uit goden en mensen verdwijnen;” hem ontgaat dat alles dan ineen zou storten, uit strijd en onenigheid heeft het de geboorte.
  • Fragment 109 Honden blaffen immers ook bij wat zij niet kennen.
  • Fragment 110 Ik alléén pleeg alles te weten, maar de andere mensen niets.
  • Fragment 111 Ik ging op onderzoek bij mijzelf.
  • Fragment 112 In Priëne werd Bias geboren, de zoon van Teutames, wiens woord van meer gewicht is dan die van de anderen.
  • Fragment 113 In begrip sprekend is het nodig kracht te putten uit het alles verbindende, zoveel als uit de wet van een stad en veel krachtiger. Want alle wetten der mensen worden gevoed door één, de goddelijke: deze heeft immers macht voorzover zij wil, en is volkomen sterk genoeg en overwint.
  • Fragment 114 In dezelfde rivieren treden wij en treden wij ook niet, wij zijn er en wij zijn er ook niet.
  • Fragment 115 In overeenstemming en vrede gaat het in de brand op.
  • Fragment 116 Indien het onverwachte niet verwacht wordt, zal men het niet ontdekken, het is dan onnaspeurbaar en ontoegankelijk.
  • Fragment 117 Kinderen zullen van hun speelgoed, eenmaal mannen geworden, afstand doen.
  • Fragment 118 Kippen baden in stof.
  • Fragment 119 Lijken zijn eerder weg te werpen dan mest.
  • Fragment 120 Maar bij de geboorte is er de harmonische vermenging van tegendelen.
  • Fragment 121 Maar de Sibille met razende mond, die zonder lach woorden roept, zonder opsmuk en zonder zalf, overbrugt met haar stem duizenden jaren door de god: want haar woorden zijn niet in het menselijke samengesteld.
  • Fragment 122 Maar door een teken aangegeven zal de besluitvaardigheid van de god voor hen zeer duidelijk zijn.
  • Fragment 123 Maar leermeester der meesten is Hesiodus: van hem denken zij dat hij het meeste wist, terwijl hij dag en nacht niet kende: want die zijn één.
  • Fragment 124 Maar natuur pleegt zich te verbergen.
  • Fragment 125 Maar velen denken niet aan zulke dingen, waarop zij stuiten; ook kennen zij hun lessen niet, maar zij houden vast aan hun overtuigingen.
  • Fragment 126 Maar volgens de verhouding der perioden wordt er een zevental opgeteld bij de maand, en afgetrokken volgens de Grote Beer en de Kleine Beer, onvergankelijk is het gedenkteken daarvan in het teken.
  • Fragment 127 Maar zij zuiveren zich van ander bloed, bezoedelend, zodanig alsof iemand die in modder treedt, zich met modder zou afwassen, hij zou krankzinnig lijken, als iemand van de mensen hem zoiets zag doen. En tot godenbeelden die daar zijn, bidden zij, zodanig alsof iemand van hen tegen huizen aan het babbelen was, niet wetend wat goden en ook niet wat heroën voor wezens zijn.
  • Fragment 128 Met hun holle zijde gaan de kommen opwaarts, bij de verduistering van zon en maan, en met hun bolle zijde neerwaarts, vanuit het andere gezichtspunt.
  • Fragment 129 Moge de rijkdom jullie nooit in de steek laten, Efeziërs, zodat aangetoond zal worden hoe ondeugdelijk jullie zijn.
  • Fragment 131 . . . naderbijtreding.
  • Fragment 132 Natuur is de besluitvaardigheid die boven het woord staat.
  • Fragment 133 Niet lukraak omtrent de grootste zaken verbanden leggen.
  • Fragment 134 Niet mij, maar het woord horend is het wijs ermee in te stemmen dat alles één is.
  • Fragment 135 Onbewogen schift ook de roerdrank.
  • Fragment 136 Onsterfelijken zijn sterfelijk, sterfelijken onsterfelijk, levend van deze dood, maar in dit leven dood.
  • Fragment 137 Onwetendheid voor de anderen verbergen is ook een meer degelijk werk, maar bij de wijn is dit een lastigheid.
  • Fragment 138 Oorlog is van alles de vader, maar ook van alles de koning; en die daar heeft hij goden laten zijn, maar die daar mensen, die daar heeft hij tot slaaf gemaakt, maar die daar vrij.
  • Fragment 139 Op de derde dag van de maand schijnend, schijnt op de zestiende de volle maan, na veertien dagen, zij verlaat de ondermaat in haar dagen.
  • Fragment 140 Op wie in dezelfde rivieren treden stroomt ánder en ánder water toe; maar ook zielen dampen uit het vochtige op, eeuwig worden zij verstandelijk.
  • Fragment 141 Pythagoras pleegt ons toe te schijnen als de geslepen prater.
  • Fragment 142 Pythagoras, zoon van Mnesarchus, deed van alle mensen het meeste onderzoek, maakte uittreksels uit die boeken daar, en vormde zijn eigen wijsheid: veelweterij en gekunsteldheid.
  • Fragment 143 Runderen vermaken zich eerder met erwten dan met honing.
  • Fragment 144 . . . samengeperst vuur (de sterren).
  • Fragment 145 . . . seizoenen die alles brengen.
  • Fragment 146 Slechte getuigen zijn voor mensen ogen en oren wanneer zij barbaarse zielen hebben.
  • Fragment 147 Slechte mensen zijn de tegenstanders der waarachtigen.
  • Fragment 148 Sterrenkúndige was Homerus, zeggende: “Hector en zijn vriend zijn in één nacht geboren”.
  • Fragment 149 Tegen het gemoed vechten is een lastigheid: want waar zij naar zou streven gaat op koop van de ziel.
  • Fragment 150 Thales (schijnt als eerste de sterrenkunde beoefend te hebben).
  • Fragment 151 Varkens beleven eerder genoegen aan modder dan aan zuiver water.
  • Fragment 152 Veelweterij leert niet verstand <te hebben>. Hesiodus zou dat anders geleerd zijn en Pythagoras, en anders Xenophanes wel en Hecataeus ook.
  • Fragment 153 Verbindend is voor allen het denken.
  • Fragment 154 Verbindingen: gehelen en geen gehelen, samenkomend zich afzonderend, samenklinkend een wanklank, uit alles één, en uit één alles.
  • Fragment 155 Verstandig zijn in de grootste deugd, en wijsheid is het de waarheid te spreken en te handelen volgens de natuur met besef.
  • Fragment 156 Voor de god is alles schoon en goed en rechtvaardig, maar de mensen hebben het ene als onrechtvaardig ondersteld, maar het andere als rechtvaardig.
  • Fragment 157 Voor hen die waken is er één en een gemeenschappelijke ordening, van de slapers wendt ieder zich naar het particuliere toe.
  • Fragment 158 Voor wat dáár is staan zij op en worden wakker, wakers over levenden en doden.
  • Fragment 159 Voor zielen is het een verkwikking, niet de dood, vochtig te worden.
  • Fragment 160 Vuur wordt geruild tegen alles, en tegen vuur alles tezamen, zoveel als tegen goud goederen en tegen goederen goud.
  • Fragment 161 Waarmee zij het meest aan een stuk verkeren, daarvan zonderen zij zich af; en waar zij dagelijks op stuiten dat schijnt hun vreemd toe.
  • Fragment 162 Want aanvaard is wat de meest aanvaarde kent pleegt te bewaken; maar het recht zal hen overmeesteren die leugens opbouwen en ervoor getuigen.
  • Fragment 163 Want al wat rondloopt wordt met slagen geweid.
  • Fragment 164 Want alles zal het vuur, het naar zich toetrekkend, oordelen en overmeesteren.
  • Fragment 165 Want begin en eind zijn verbonden op de omtrek van een cirkel.
  • Fragment 166 Want daarop bevindt zich ook het verlangen, bij elkaar geworpen wordt ooit ook alles van zijn standplaats afgedwongen, eenmaal ontbonden in deze omstandigheden, ontstaat het ook daaruit.
  • Fragment 167 Want de natuur begint vanuit onenigheid, met twee ingangen daarvan vormt zij kentekenen.
  • Fragment 168 Want de ziel gaat naar de in het alles voort te jagen zielen, naar het gelijke.
  • Fragment 169 Want de zielen hun dood: water wordt geboren, maar water haar dood: aarde wordt geboren, uit aarde wordt echter water, maar uit water ziel.
  • Fragment 170 Want eeuwig stroomt alles opwaarts en neerwaarts.
  • Fragment 171 Want er zijn werkelijk kommen, in het uitspansel, naar ons toegewend met hun holle zijde, voor de vlammen der hemellichamen, en de schijngestalten. Maar de opneming der hemellichamen van de opdampingen uit vocht, brengt een schittering teweeg die doet verlichten, zowel alles als de geest, via edele schijn. Het meest stralend is verder de zon: want deze pleegt zich in de meest zuivere lucht te begeven, maar de maan in de troebele, vandaar dat zij ook gedempt schijnt.
  • Fragment 172 Want groter doodslot verkrijgt groter aandeel.
  • Fragment 173 Want het is allemaal voorbeschikt . . .
  • Fragment 174 Want het is onmogelijk tweemaal in dezelfde rivier te treden; hij verstrooit en brengt samen, en komt dichtbij en gaat weg.
  • Fragment 175 Want het warme, dat door het heldere vermeerdert, brengt de zomer teweeg, maar het vochtige, dat door het donkere meer wordt, de winter.
  • Fragment 176 Want niets van hen gaat mij ter harte. Maar ik spoor alle volwassenen, zij die kopen en zij die niet kopen, aan te weeklagen.
  • Fragment 177 Want ogen zijn nauwkeuriger getuigen dan oren.
  • Fragment 178 Want onzichtbare harmonie is sterker dan zichtbare, de zich erin vermengende god is het onderscheid en de onenigheid, bescherming en ondergang.
  • Fragment 179 Want rust en stilstand zijn uit het rusteloze geheel.
  • Fragment 180 Want waar zit hun verstand of besef? Zij vertrouwen de stemmen des volks en nemen de menigte als leermeester, en zien niet in dat de velen slecht zijn, maar weinigen zijn goed. Want één ding verkiezen boven alles de besten: eeuwigdurende roem boven wat sterfelijk is, maar de velen zijn verzadigd, zoveel als vee.
  • Fragment 181 Want zij die goud zoeken graven veel aarde op en vinden weinig.
  • Fragment 182 . . . wat bij een misschien ooit bij uitzondering geschiedt (over offers van de gezuiverde mensen).
  • Fragment 183 Wat niet ooit macht mocht hebben, hoe zou iemand daarvoor verborgen blijven?
  • Fragment 184 Wat zien en horen leert, daaraan geef ik de voorrang.
  • Fragment 185 Wendingen van vuur: eerst zee, en van zee de ene helft aarde maar voor zijn helft gloeiende wervelwind. Zee wordt vergoten en toegemeten naar dezelfde verhouding, als er was voordat aarde werd.
  • Fragment 186 Wet is ook: gehoor geven aan de wil van één.
  • Fragment 187 Zee: het meest zuivere en meest bezoedelde water, voor vissen drinkbaar en een middel tot behoud, maar voor mensen ondrinkbaar en schadelijk.
  • Fragment 188 Zij (silc. de slapers) werken mee aan wat er in de wereldordening geschiedt.
  • Fragment 189 Zij begrijpen niet hoe het zich afzonderende met zichzelf instemt: een weerkerende harmonische ordening, zoals bij de boog en ook bij een lier.
  • Fragment 190 Zij die sterven in de strijd worden door goden en mensen geëerd.
  • Fragment 191 Zij die zonder begrip gehoord hebben lijken doven; het gezegde getuigt van hen: bij het werkelijke, maar afwezig.
  • Fragment 192 Zij vermengen kolen met het vuur, en bij de verandering worden deze gloeiend, maar zij worden uitgedoofd door afscheiding, zoals <zoiets ook bij> het verstandelijke <plaatsvindt>.
  • Fragment 193 Zij verschaffen ongeloofwaardige beschouwingen van het zekere (dichters en schrijvers van fabelen).
  • Fragment 194 Zij weeklagen en beschimpen de natuur, die noodzakelijkheid is, en oorlog. Maar er wordt ook veel onrechtvaardig lijden beëindigd, terwijl de doden samenwerken aan het onsterfelijke.
  • Fragment 195 Zij weten niet te luisteren en ook niet te spreken.
  • Fragment 196 Zij zouden de naam Dikè niet eens kennen, als dát er niet was.
  • Fragment 197 Zoals een spin in het midden van haar web het merkt, wanneer een vlieg sommige van haar draden vernielt en daarom daarheen rent, alsof zij zich om de draad vervolgens gebelgd voelt, zo gaat de ziel van een mens, wanneer er een kwetsuur ontstaat daarheen haastig.

Fragmenten, begrippen en gedachten bij Pseudo-Hippocrates[bewerken]

  • Fragment 198 Ontstaan en vergaan is hetzelfde; vermenging en scheiding is hetzelfde; ontstaan en vermenging is hetzelfde; vergaan, verminderen, scheiding is ieder hetzelfde bij alles en alles bij ieder is hetzelfde. Want de wet in de natuur gaat over het tegendeel van hetzelfde. Maar alles, zowel het goddelijke als het menselijke, stroomt opwaarts en neerwaarts door wisselingen: dag en nacht omtrent de langste en kortste tijd, zo ook de maan omtrent zijn grootste en kleinste omvang, vuur dat zijn weg gaat en water, evenzo als de zon omtrent de kortste en langste tijd. Alles is hetzelfde en niet hetzelfde: licht is de hemel, donker de Hades, licht de Hades, donker de hemel: dat daarginds zal rondgaan en dit hier zal daarheen gaan, in alle perioden, al het stromen, zal dat daarginds voltooid worden, en dit hier, en weer dat daarginds.
  • Fragment 199 En wat de mensen verrichten, weten zij niet, maar ook verrichten zij het niet, zij menen het te weten; en zij zetten zich in beweging, waarvan zij niet weten, maar toch wordt voor hen alles door de goddelijke noodzaak, en hij wil het en wil het niet. En voortdurend gaat hij van daaruit hierheen en vindt zijn rust terwijl alles met elkaar is vermengd, ieder heeft zijn volle aandeel gekregen, dat wordt gevoerd van het grotere naar het kleinere. Maar bij de aantasting van alles bij elkaar, gaat het grotere over in het kleinere en het kleinere in het grotere, en bij de vermeerdering gaat het grotere over in de verandering daarvan en dit veranderde in het grotere. Maar al het andere en de ziel der mensen en het lichaam is gelijk, de ziel stelt het ordelijk op.
  • Fragment 200 Maar het sluit naar de portie der mensen de portie in, het geheel in het geheel, zij heeft een vermenging van vuur en water, het pleegt te ontvangen maar het pleegt ook te geven: en het ontvangen is er met het kleinere maken, en met het grotere geven. De mensen zagen brandhout, hij trekt maar hij duwt ook voort, maar het is hetzelfde dat zij doen, maar als zij minder doen, doen zij meer, zodanig als de natuur der mensen is: hij duwt voort, maar hij trekt: hij geeft, maar hij ontvangt: in het geven is zoveel als meer, maar in het ontvangen, zoveel als minder. Maar bij het stromende bewaakt iedereen dat van zichzelf, en bij het scheiden van het mindere pleegt het naar het mindere te stromen, maar bij het uitbreiden van mindere, samenkomend, wordt het verwisseld voor de grote orde. Maar het vreemde en wat niet van gelijke aard is, een ander toebehorend, wordt ook voortgestoten volgens het stromende. Maar hij die de ziel bezit zal meer en minder een ledemaat van zichzelf, noch bijvoeging, noch wegneming, van zijn portie, missen. Maar de vermeerdering van wat van den beginne af was, en de vermindering, het blijvende, het stromende, hoort bij de verrichtingen van elk.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.