Sociale geschiedenis van de hoge middeleeuwen/Feodalisme en adel

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Feodalisme en adel
  3. Klooster
  4. Kerk
  5. Volk
  6. Noord-Franse kastelen en donjons
  7. Noord-Franse vestinghuizen
  8. Inwoners Noord-Franse kastelen
  9. Leven in de Noord-Franse kastelen
  10. Huwelijk in de Noord-Franse kastelen
  11. Opkomst van het individu
  12. Bronnen en links

2. Feodalisme en adel

Feodalisme[bewerken]

Al in de tijd van het Laat-Romeinse Rijk begon de ontstedelijking. In de steden waren de publieke gebouwen van de Romeinen geweest vanwaar het Romeinse Rijk werd bestuurd. Maar omdat steeds meer mensen op het platteland waren gaan leven, verbrokkelde de macht van de openbare bestuurders (de magistraten). Daarmee werd het privé-domein langzamerhand belangrijker dan het publieke (of openbare) domein.

De Germanen hadden veel meer interesse in hun privé-bezit dan in het publieke domein en dit zou tot het feodalisme leiden. Feodalisme is het resultaat van de privatisering van de macht. Die begon al in de Merovingische tijd, toen het koningschap erfelijk werd. In navolging daarvan werd in de negende eeuw de titel van graaf of hertog erfelijk en in navolging daarvan werd in de tiende eeuw de titel ridder erfelijk.

Er kwamen in en na de Karolingische tijd steeds meer lokale machten: graven, hertogen, prins-bisschoppen, vorst-abden, ridders, landheren. Iedereen wilde koning zijn in zijn eigen koninkrijkje. Als het ware werd elk huis een kleine soevereine staat. Feodalisme is te omschrijven als de opdeling van de macht in een veelvoud van autonome cellen, waarbinnen de heerser over de erfelijke macht beschikt om te bevelen en te straffen.

Hoewel het feodalisme al in de vijfde eeuw begon, werd er in de boeken die ons zijn overgeleverd pas rond 1000 regelmatig melding van gemaakt. Het zwaartepunt van het feodalisme lag rond 1100. De feodale heren leken toen op krijgsheren die elkaar doorlopend bestreden. Het volk maakten zij tot hun lijfeigenen. De handel lag stil. De geestelijkheid probeerde de macht van de feodale heren in te dammen. In de dertiende eeuw kreeg het Romeinse recht (waarin de nadruk lag op het openbare domein) weer invloed op de Noord-Franse rechtsgeleerden en begonnen de staten (onder leiding van koningen) en het openbare leven weer aan kracht te winnen. De burgerij van handwerkslieden en kooplieden in de steden werd machtiger ten koste van de adel en de geestelijkheid.

Door de invoering van het buskruit vanaf de veertiende eeuw verminderde het belang van de ridders. Voor het hanteren van een pistool of geweer was geen langdurige opleiding nodig zoals voor zwaardvechten. Door het gebruik van kanonnen verminderde het belang van de kastelen. Het einde van het feodalisme lag rond 1550.

Publiek domein[bewerken]

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen. Recht en belasting. Publiek domein

In de late oudheid, de eindfase van het Romeinse Rijk, konden de magistraten een leger op de been brengen en leiden. Zij konden rechtszittingen voorzitten en de aldaar uitgesproken vonnissen uitvoeren.

Onder het publieke domein vielen:

  1. De openbare wegen, rivieren, velden, weiden en bossen.
  2. De gemeenschappelijke, ongecultiveerde grond (saltus, woestijn, heide, rooij, meentgronden) waar iedereen mocht jagen en vruchten verzamelen.

In de hoge middeleeuwen werden de vazallen voor deze taken verantwoordelijk. Zij stelden echter vaak hun privébelangen voorop.

Eigendomssymbolen[bewerken]

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen. Eigendom en omheining. Eigendomssymbolen

Eigendommen van particuliere personen werden in de vroege middeleeuwen veelal aangegeven door tekens en symbolen.

  • De Franken gebruikten staken om de grond te markeren die bij hun erfgoed hoorde. Men stak ze in de weide als het gras begon te groeien en op de akkers als het graan begon te groeien. Dat betekende dat deze grond niet meer tot de gemeenschappelijke ongecultiveerde grond hoorde, maar nu privébezit was.
  • In het Bourgondische en Salische recht was sprake van bomen die als markering dienden en van grensstenen.
  • Het vaandel werd gebruikt om aan te geven dat datgene wat zich "onder het vaandel" bevond, privébezit was. Goederen onder het vaandel van een verslagen vijand konden vrijgegeven worden ter plundering. En de plunderaars plantten er dan hun privévaandels op ten teken dat het nu hun privébezit was.
  • De omheining (het hek of de haag) was het belangrijkste eigendomssymbool.

Omheining[bewerken]

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen. Eigendom en omheining. Omheining

In de Merovingische en Karolingische tijd werd om bijna elk privé-gebied een omheining gebouwd. Er kwamen omheiningen om wijngaarden, tuinen, erven, huizen en dorpen[1]. Het waren voornamelijk de vorsten, vazallen, ridders, landheren en de rijke boeren die hun huizen en erven omheinden. Zij werden rond 1000 de feodale heersers.

Karel de Grote bouwde versterkingen van hout en aarde om zijn veroveringen te consolideren. Maar Karel de Kale klaagde dat mensen op eigen initiatief versterkingen gingen aanleggen: fortificaties van dicht geweven boom- en disteltakken en huizen die versterkt waren met met palissades. Vanaf 950 kwamen er steeds meer feodale bolwerken in het koninkrijk.

Dieven die van de oogst hadden gestolen, werden bestraft. Ze werden strenger bestraft als ze een omheining hadden beschadigd en nòg strenger als ze stukken omheining voor eigen gebruik hadden weggenomen. De boete kon oplopen tot vijf maal die van de prijs van een slaaf of paard. Het Salische recht stelde dat als een vrije man een hek verwijderde of beschadigde, hem een hand afgehakt zou worden en indien een slaaf dit deed hij ter dood veroordeeld zou worden.

Misdaden als diefstal, brandstichting en moord werden dubbel zo zwaar bestraft als ze binnen een omheining hadden plaatsgevonden. Anderzijds kon een heer (vazal) zich niet bemoeien met de gang van zaken binnen een omheining als de schuldige aan het misdrijf binnen dezelfde omheining woonde. Hij (de openbare macht) mocht niet tussenbeide komen, hij mocht zelfs niet het omheinde erf betreden tenzij hij daartoe door de heer des huizes (dominus) was uitgenodigd.

Vrijplaats[bewerken]

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen. Eigendom en omheining. Vrijplaats

De omheinde erven en huizen werden geïsoleerde vrijplaatsen omgeven door de gemeenschappelijke gronden en de openbare ruimte.

  • Als de vrije mannen deze vrijplaats verlieten, droegen ze wapens.
  • Als de aanzienlijke vrouwen deze vrijplaats verlieten, bedekten ze hun hoofd met een sluier.

Binnen de omheining borg men zijn bezittingen op: voedselvoorraden, gereedschappen, sieraden en het vee. Verder bevonden zich binnen de omheining: de minderjarige jongens, de vrouwen (die altijd minderjarig bleven), weduwen, wezen en slaven. Al deze mensen vielen onder het huisrecht dat door de huisheer (dominus: de vazal, ridder of landheer) werd uitgeoefend. Ze waren zijn dienstbare huispersoneel (familia) en 'in zijn hand' ofwel in zijn 'mundeburnium'[2].

Op drie manieren kon dit dienstbare huispersoneel overgaan van de hand van de huisheer naar de hand van de publieke macht.

  1. Als mensen de omheining uitliepen zonder begeleiding van de heer of van een vrije man van hun huishouding. Als ze vervolgens op openbare wegen of pleinen terechtkwamen, waren ze vreemdelingen (aubains) geworden. Ze vielen dan niet meer onder het vaderlijke gezag van hun heer, maar onder het publieke gezag van de vazal.
  2. Als de heer afwezig was en er geen vrije man was om de familia te beschermen, dan viel daarmee de familia onder het publieke gezag van de vazal.
  3. De huisheer kon de vazal om hulp vragen of bij hem een klacht (clamor) indienen, als er binnen zijn omheining een misdaad was gepleegd. Hij kon ook de schuldige uitleveren aan de vazal.

In toenemende mate zou de dominus (ook de landheer en de rijke boer) een feodale heerser worden.

Koning, vazal, ridder en volk[bewerken]

Penning van Karel de Grote, ca. 813

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen, Koning, vazal, ridder, volk

Karel de Grote droomde van een hiërarchie met
1.) hemzelf, de koning aan het hoofd en onder zijn vaderlijke leiding:
2.) de leenmannen of vazallen: de graven, hertogen, prins-bisschoppen en de vorst-abden en onder hun vaderlijke leiding:
3.) de ridders en tenslotte:
4.) het volk

Koning[bewerken]

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen, Koning

Garde[bewerken]

De Merovingische koning was omringd door een garde van zijn vrije krijgslieden die hem trouw waren tot in de dood en samen met hem aan dezelfde tafel aten. Sommige leden van die garde waren de aangetrouwde broers van de koning en de anderen beschouwde hij als zijn pleegzonen. De koning en zijn garde hielden elk voorjaar een militaire expeditie (meestal waren dat plundertochten) en de krijgslieden kregen hun deel van de buit. Tussen deze expedities door gingen ze samen op jacht in de 'woestijn'.

In de Merovingische tijd werd het rijk van de koning erg groot. In een poging om het contact met heel zijn rijk te behouden, bouwde de koning meerdere paleizen in zijn rijk en begon met zijn gevolg van paleis naar paleis te trekken. Bij afwezigheid van de koning en zijn garde werden die paleizen bewoond door een graaf (een soort opzichter) in naam van de koning.

Pleegkinderen[bewerken]

De Merovingische aristocraten stuurden hun zonen tussen hun zevende en veertiende naar het hof van Neustrië of Austrasië als voorbereiding op hun taken in de stad of op het land. De koning werd hun pleegvader en verzorgde hen volledig. Ze aten samen, ze sliepen in hetzelfde huis, ze kregen van hem kleding, gingen met hem op jacht, werden door hem opgevoed, kregen sieraden van hem, werden door hem geamuseerd en kregen van hem de ridderslag en hun zwaard. Soms ook nog een echtgenote. Dit gebruik bleef voortbestaan tijdens de Karolingische tijd. De koning kende de kinderen van jongs af aan, als ze zich nog niet anders konden voordoen dan ze waren. Als de koning vond dat de kinderen hem toegenegen en trouw waren, gaf hij hun een leengoed en maakte hen graaf of hertog. Naar hun bekwaamheid keek hij nauwelijks.

Feodalisering[bewerken]

Privé-belangen van personen waren voor de Germanen veel belangrijker dan het publieke welzijn dat door de Romeinen zo belangrijk werd geacht.

Het koninkrijk was privé-bezit geworden en het koningschap werd erfelijk. De ombuiging van het openbare bestuur naar een feodaal bestuur begon al bij het Merovingische koningshuis. Pas de Capetingen zouden terugkeren naar de staat als een publieke zaak (res publica).

De Merovingische en Karolingische koning behoedde niet meer de staatskas want dat was nu zijn privé-eigendom. De belastingen die hij hief, kwamen alleen hem als privépersoon ten goede. Ook de symbolen van de macht werden privébezittingen. De vazallen (graven en hertogen), door de Karolingische koning aangesteld, zag hij als behorende tot zijn huishouding, dus ook dat was een privé-aangelegenheid. Zijn paleis leek uiterlijk nog op de openbare gebouwen van het oude Rome, maar het was naar binnen gekeerd. De koning voerde oorlog met zijn garde, die hij als zijn familie beschouwde, dus ook oorlog was een privé-aangelegenheid geworden.

De Germaanse koning kreeg zelfs magisch-goddelijke trekjes. Tegenstanders van de koning die te machtig dreigden te worden, konden vermoord worden. Clovis vermoordde iedereen die een bedreiging voor hem zou kunnen vormen.

Vazallen[bewerken]

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen, Vazallen

Toen het rijk in de Karolingische tijd te groot was geworden en de koning teveel rond zou moeten reizen om het contact met zijn rijk niet te verliezen, begon hij aan sommige aanzienlijken (vooral uit zijn garde) een leengoed te geven om het in zijn plaats te besturen. Deze mensen werden zijn leenmannen of vazallen: de graven, de hertogen, de prins-bisschoppen en de vorst-abden. Later werden de vazallen geselecteerd uit de groep pleegkinderen rond de koning. De koning zou zijn leenman beschermen en de leenman legde een eed (foedus) af dat hij het gebied in naam van de koning zou regeren en dat hij de koning in geval van oorlog met zijn mannen zou komen helpen. Karel de Grote breidde het aantal vazallen sterk uit. Deze functie was toen nog niet erfelijk.

De koning stelde zich op als de pleegvader van zijn vazal die zich vrijwillig in zijn dienst had gesteld. In een ceremonie vouwden de jonge (juniores) vazallen hun handen die de oudere (seniorem) koning omsloot met zijn handen. Ze waren nu 'in zijn hand', of mundeburnium. Door zijn gevouwen handen in de handen van de koning te leggen gaf de vazal zich aan hem over als een kind aan zijn vader, een onderworpen kind dat dankbaar door de koning werd beschermd en zelfs werd gevoed. De openbare dienstbaarheid was daarmee veranderd in een vorm van privé vriendschap of familieband.

De Karolingische koning ontbood voor zijn grote feesten al zijn vazallen voor enkele dagen aan zijn hof. De vazallen waren verplicht om geregeld de koning te bezoeken om met hem te eten.

Feodalisering[bewerken]

In de negende en tiende eeuw begonnen de vazallen (in navolging van de koning) te menen dat hun ambt erfelijk was. Terwijl toch de macht die de koning ooit aan hun voorvaderen had gedelegeerd, uitsluitend voor die ene persoon bestemd was geweest. De vazallen gingen de koning toen ook steeds minder bezoeken. De ridders, door de vazallen in de Karolingische tijd aangesteld, zagen zij als behorende tot hun huishouding. En steeds meer zouden vazallen en ridders samen de bevolking gaan uitzuigen en tot lijfeigenen maken.

De Capetingische vorsten van de elfde eeuw werden niet meer omgeven door een garde en de pleegkinderen van hun vazallen. Ze werden alleen nog maar bijgestaan door zeer nauwe familie, een paar jachtvrienden en wat strijdmakkers. De handhaving van orde en recht was een plaatselijke aangelegenheid geworden van onafhankelijke vazallen die af en toe naar de neutrale terreinen van hun grenzen gingen om daar vriendschap met elkaar te sluiten. Ieder van die vazallen zag zichzelf als de beschermheer van zijn deel van het koninkrijk dat onlosmakelijk aan hem en zijn geslacht was onderworpen. Het volk zag de vazal (en de koning) als een vader: hij kon hen oproepen voor een oorlog en in tijden van hongersnood voorzag hij hen van geld, kleding, brood en bonen. Dus ook het volk hoorde bij het privé-domein van de vazal of de koning.

De kastelen die de vazallen bewoonden, waren omheind en dus vrijplaatsen waar het openbare gezag geen toegang toe had.

Ridders[bewerken]

Ridderslag in de vijftiende eeuw, met zwaard gegeven

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen, Ridders

Bij de opkomst van de feodaliteit kregen de koning en zijn vazallen behoefte aan gewapende begeleiders, die te paard konden strijden. Hiertoe werden enkele mannen (vaak onvrije boerenzonen) uitgekozen. Deze mannen werden van jongs af aan getraind in paardrijden, zwaardvechten en vechten met de lans[3]. Na hun training kregen zij de ridderslag en een zwaard van hun heer. Zij waren zijn privé-krijgslieden (miles privatus, meervoud: milites privati) of ruiters of ridders (cabalarius).

De ridders waren onderworpen aan hun kasteelheer (de vazal): de graaf, hertog, prins-bisschop of vorst-abt, zoals die weer aan de koning waren onderworpen. Zij leefden meestal op zijn kasteel en als de openbare vrede in gevaar was, moesten ze in actie komen.

Het gezag van de heer over de ridders was als het gezag van een (pleeg)vader over zijn zoons. De jonge (juniores) ridders vertrouwden zich toe aan hun oudere (seniorem) kasteelheer door hun gevouwen handen in die van de heer te leggen (of hem een kus te geven), precies zoals de vazal bij de koning deed. Ze waren dan 'in zijn hand', of mundeburnium.

De kasteelheer (seigneur van seniorem, oudere) moest zijn ridders onderhouden, hen te eten, kleding, wapens en onderdak geven. Soms gaf hij hen een klein leengoed: een versterkt woonhuis met een klein aantal hoeven, waarvan de boeren pacht betaalden aan de ridder. Als de ridders onderling ruzie kregen, hielden ze een gerechtelijk duel of de heer arbitreerde tussen hen.

Feodalisering[bewerken]

De ridders begonnen zich in de loop van de 10e en 11e eeuw verheven te voelen boven de boeren waaruit zij waren voortgekomen en ook zij begonnen (in navolging van de koning en zijn vazallen) hun ambt als erfelijk op te vatten. In de elfde eeuw zouden zij zich voornamelijk gaan bezighouden met het knevelen van het volk dat bijna volledig tot lijfeigenen van de vazallen was gemaakt. Geregeld ondernamen ze tochten rondom het kasteel (cavalcades) om het volk schrik aan te jagen.

Noten[bewerken]

  1. Het Engelse woord town zou afkomstig zijn van het Germaanse Zaun, omheining
  2. Mundeburnium
  3. Als het oorlog was, kon een ridder gemakkelijk vele tientallen boeren (die gedwongen waren om met hun rieken en vlegels mee te vechten) doodslaan.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.