Sociale geschiedenis van de hoge middeleeuwen/Leven in de Noord-Franse kastelen

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Feodalisme en adel
  3. Klooster
  4. Kerk
  5. Volk
  6. Noord-Franse kastelen en donjons
  7. Noord-Franse vestinghuizen
  8. Inwoners Noord-Franse kastelen
  9. Leven in de Noord-Franse kastelen
  10. Huwelijk in de Noord-Franse kastelen
  11. Opkomst van het individu
  12. Bronnen en links

9. Leven in de Noord-Franse kastelen

Kastelen en vestinghuizen: somber of comfortabel?[bewerken]

Op de moderne mens maken de kastelen, de donjons en de vestinghuizen een sombere indruk. Ze zijn donker en bedompt. Sommigen denken dat men er boven op elkaar gepakt leefde en dat de promiscuïteit er welig tierde. Dat is echter alleen maar onze opvatting. Als de kasteelbewoners van toen op hun beurt naar ons zouden kunnen kijken, zouden zij misschien wel vinden dat onze gezinnen vaak in een groot isolement leven en soms zelfs in een afschuwelijke eenzaamheid. Het is dus maar zeer de vraag of de kastelen werkelijk zo somber en triest waren als wij nu denken.

Al rond 1032 had de graaf van Anjou zeer veel ramen in zijn huis. De sala (of de verdieping van de donjon die als sala werd gebruikt) had meestal veel ramen. Het interieur van de zalen was waarschijnlijk wel een beetje sober. Er was doorgaans weinig wandversiering, hoewel er toch vaak kleden aan de muren hingen. Er stonden veel meubels en verplaatsbare spullen. Men had liever kleine siervoorwerpen dan monumentale beeldhouwwerken, omdat de eerste gemakkelijker te vervoeren waren. De vorsten trokken in hun gebied rond van kasteel naar kasteel[1] en zij en hun gevolg moesten telkens alles meenemen.

Als er naast de donjon woningen waren gebouwd, waren die doorgaans comfortabeler en ruimer dan de woningen die in de donjon zelf lagen. Woningen waar (ook) vrouwen en meisjes in woonden, waren meestal comfortabeler dan woningen waar alleen mannen in woonden.

De hoogste verdieping van de paleisdonjon kreeg meer licht en was waarschijnlijk ook beter verwarmd dan de lager gelegen vertrekken. In de loop van de twaalfde eeuw kwam er wat meer comfort in de paleisdonjons. Al in de late elfde eeuw kwamen er latrines en betere stookplaatsen. Tegen 1200 kwamen er zelfs waterleidingen op de verdiepingen en werden de muurversieringen eleganter.

Men droeg fraaie kleren en sieraden. De zalen waren verlicht door vele kaarsen en mooi versierd met schilden en zijden doeken aan de muren. In de slaapkamer (camera) stond kostbaar servies van goud en zilver en in andere vertrekken werd muziek gemaakt. Het was dus lang niet alles kommer en kwel.

De kastelen en vestinghuizen puilden uit van kostbare stoffen, bont, kleding, spiegels, lampen, vaatwerk en edelmetaal. Deze rijkdommen waren meestal opgeborgen in de kamer van de heer. Als er echter in de zaal een vooraanstaande gast werd ontvangen, droegen knechten en meisjes alle kostbaarheden van het kasteel (kandelaars, schalen, wapens, zilverwerk) in processie voor hem langs.

Namen[bewerken]

Achternamen raakten pas na de twaalfde eeuw in gebruik. Daarvoor gebuikte men alleen voornamen die doorgegeven werden van vader op zoon, van oom op neef, en van grootvader op kleinzoon. Men hoopte dat de kinderen de goede kwaliteiten zouden overnemen van degene van wie de naam afkomstig was.

Men vond zijn neven net zo belangrijk als zijn broers.

Onruststokers[bewerken]

Riddertoernooi, ca. 1322
De verovering van Jeruzalem tijdens de eerste kruistocht, 1099

De ridders verveelden zich regelmatig en de kasteelheer moest die verveling zien te verdrijven want die kon tot onderlinge agressie leiden. Hij ging zo veel mogelijk met hen op jacht of naar een oorlog[2] of een toernooi. Hij zorgde ervoor dat er vrouwen voor hen waren, dat ze voldoende kleding kregen (extra mooie voor de feesten), dat ze eens per jaar bontjassen kregen en het lekkerste eten. Hij moest de altijd sluimerende onrust in de hand houden door veel geschenken en vriendelijkheden uit te delen. Vrijgevigheid was verplicht, daar hing zijn macht van af. Rond 1180 was er een economische opleving in heel Noord-Frankrijk. De aristocratie smeet met geld en veel aristocraten dreigden ten onder te gaan aan hun eigen 'vrijgevigheid'.

De hele huishouding kon tientallen en soms wel 200 mensen omvatten. Er broeide altijd onrust. De mannen, vooral de ridders, konden met elkaar slaags raken. De jongeren werden onderdrukt door de ouderen en waren jaloers op hen. De vriendschappen moesten doorlopend worden hersteld. De ridders organiseerden zich in partijen die met elkaar streden om de gunst van de heer en de vrouwe. Er was altijd ruzie en rumoer.

De heer had 3 middelen om die onrust te controleren:

1) De grootste onruststokers werden buiten gegooid. Ze werden bijvoorbeeld op kruistocht gestuurd[3] of (als zwerfridder) op een door de heer betaalde rondreis. De oudste zoon van de heer en de nieuwe ridders werden, nadat ze tot ridder waren geslagen, voor een of twee jaar in een ander kasteel geplaatst voor een opleiding tot ze hun overtollige energie een beetje kwijt waren. Maar het eigen huis kreeg daarvoor in de plaats dan weer de onruststokers van dat andere huis.

2) Juridische bevoegdheden. De heer kon in geval van twist (na overleg met zijn raad) in de zaal een uitspraak doen. In de zaal werden de grieven uitgesproken en de argumenten aangehoord zoals in de kapittelzaal in de kloosters en er werden beloningen en straffen uitgedeeld. Soms kwam het tot een duel tussen twee ridders: een georganiseerde vechtpartij die als uitlaatklep diende voor de onvrede. Dit duel werd gezien als een Godsoordeel: God zou degene helpen die in zijn recht stond.

3) De hoofse liefde ontwikkelde zich halverwege de twaalfde eeuw. De heer hield bewust zijn echtgenote als een soort worst voor aan de ongetrouwde ridders en huishoudfunctionarissen als inzet van een wedstrijd met zeer ingewikkelde en verfijnde regels. Dat dwong hen om hun aandriften in toom te houden.

Deze drie middelen werkten niet altijd, er werd wel eens een moord gepleegd in het kasteel. In de feodale tijd van de dertiende eeuw vond men dat elke man zijn prijs had. Deze prijs was het weergeld dat betaald moest worden als hij vermoord werd. Daarmee kon je bepalen wat iemands plaats was in de hiërarchie. Dat was nog precies hetzelfde zoals de Franken er in de vroege middeleeuwen over dachten.

Vrouwen[bewerken]

De meeste mannen vonden dat de vrouwen de ruzies in het kasteel veroorzaakten, want zij waren listig en gevaarlijk. Zij betoverden de mannen en zaaiden tweedracht. Als er iemand zomaar opeens ziek werd of stierf, dan dacht men dat het aan de kuiperijen van de vrouwen lag. En in de eerste plaats wezen dan de vingers naar de kasteelvrouwe.

Over de vrouwen in ondergeschikte posities maakte niemand zich zorgen want zij werden door de vrouwe (de gravin of de koningin) stevig onder de duim gehouden. Maar om de dames van hoge geboorte maakte men zich zorgen. De mannen vonden dat vrouwen nu eenmaal zwakker waren en eerder tot zonde geneigd. De heer des huizes bewaakte de vrouwen dan ook streng: zijn eigen vrouw, zijn dochters, zussen, de vrouwen en dochters van zijn overleden broers, neven of vazallen. Hij kon ze straffen en zo nodig laten terechtstellen.

Vrouwenvertrekken[bewerken]

Vrouwen waren vijandig en verleidelijk en daarom werden ze opgesloten in de vrouwenkamer. De kasteelheer mocht hier als enige 's avonds na het eten heen om zich (met zijn hoofd in de schoot van een van de dames) te laten strelen, kammen of ontluizen. Andere mannen mochten er niet komen, behalve om op verzoek van de heer voor korte tijd te komen lezen en zingen. De zieken werden in deze kamer door de vrouwen verzorgd en de doden werden hier afgelegd. Soms leek deze kamer op een klooster en er was zelfs wel eens een soort moeder-overste als toezichthoudster: een weduwe uit de familie of een dochter voor wie men geen man had gevonden. Soms probeerde de kapelaan nog binnen te dringen als hij vond dat de vrouwen geestelijk bijstand nodig hadden.

Vrouwenbezigheden[bewerken]

De vrouwen moesten bezig gehouden worden want 'niets doen' was heel gevaarlijk voor deze zwakke wezens. Ze moesten bidden en handwerken, spinnen en borduren terwijl de mannen oorlog voerden of op jacht gingen. Maar tijdens hun bezigheden fantaseerden de mannen over het kwade waar de vrouwen tijdens hun afwezigheid vast en zeker mee bezig waren. Ze zouden wel tot homoseksualiteit vervallen als ze onder elkaar waren, temeer daar ze met meerderen in een bed sliepen. Ze hadden onderlinge geheimen waar de mannen niets van wisten. Die geheimen kregen de vrouwen te horen van oude vrouwen die in de dorpen les gaven in magie (tot in de dertiende eeuw en nog wel later[4]). Ze waren bezig met toverkunsten en met liefdesdrankjes en doodsdrankjes die ziekte of gezondheid brachten, begeerte prikkelden of doofden. Dit alles (en ook de ziekenverzorging en het afleggen van de doden) onttrok zich aan de controle van de mannen.

Buitenechtelijke seksualiteit[bewerken]

In de schaduw van de boomgaard, in de kelders, 's nachts in de hoeken en gaten van het huis (er brandden hier geen zwakke lampjes zoals in de kloosterslaapzalen) waren er mannen en vrouwen die elkaar omhelsden, zo vertelden de romanschrijvers. Volgens hen wemelde het in de kastelen van de willige en uitdagende vrouwen die zelfs het initiatief namen. Meestal waren het dienaressen die voor de mannen als tussendoortje golden, maar ook wel eens familieleden: schoonmoeders, schoonzusters, tantes, dus ook incest kwam vermoedelijk vaak voor. Bastaarddochters (van vaders en ooms uit het college van kanunnikenen) waren zeer actief op zoek naar een man en zij werden doorgaans de moeders van de toekomstige concubines.

Rondom het koninklijke of grafelijke echtpaar waren er heel veel ongetrouwde mannen en vrouwen en dat leidde onvermijdelijk tot promiscuïteit. De heer bood, volgens de romanschrijvers, zijn wettige dochters geregeld aan de ridders aan. En volgens de heiligenbiografieën werden de mannen vaak uit hun onschuldige slaap gehaald door onverzadigbare vrouwen.

Zijn eer was een grote zorg voor de heer en die eer hing af van het gedrag van de vrouwen (want buitenechtelijke seksualiteit was hun schuld, de mannen golden in dezen als geheel onschuldig). De kasteelheer kon op de eerste plaats te schande gemaakt worden door zijn eigen vrouw. Hij speelde het spel van de hoofse liefde en ook al was dat bedoeld als een gesublimeerde liefde en ook al gebruikte hij het alleen maar om de jonge mannen te temmen, toch zette dit spel veel van die jonge mannen aan om hun moed te bewijzen door de geïdealiseerde vrouw te verleiden en haar te nemen. En het meest begeerden zij natuurlijk de kasteelvrouwe, ook al was het ten strengste verboden om haar echt te nemen. Zij werd echter wel eens door een heethoofdige ridder verkracht. In een kasteel vonden mogelijk nogal veel verkrachtingen plaats. Maar het kwam ook voor dat de dame zich vrijwillig gaf. Overspel was mogelijk aan de orde van de dag en iedereen hield elkaar (jaloers) in de gaten.

Men probeerde overspel te voorkomen door de vrouwen doorlopend in de gaten te houden en door ze in het vrouwenvertrek op te sluiten. Als een vrouw echt naar buiten moest (voor officiële plechtigheden, of voor een bezoek aan de kerk) dan werd ze begeleid door mannen. Als ze op reis ging, dan ging het hele huishouden met haar mee om haar op het rechte pad te houden. Zelfs als ze op pelgrimstocht ging, dan moest ze de hele weg in haar draagstoel blijven zitten die met gordijnen van de buitenwereld afgesloten was. Maar een enkele keer wist een vrouw te ontsnappen aan haar voortdurende gevangenschap. Ze liet zich daartoe wel eens schaken.

Als er overspel was gepleegd werd deze schande meestal zo veel mogelijk voor de buitenwereld verborgen gehouden, maar soms kwam de echtbreuk van de vrouwe de heer goed van pas. Als ze hem bijvoorbeeld geen zonen gaf of als hij genoeg van haar had. De Karolingische echtscheiding was al rond 850 door de kerk verboden, dus moest de adellijke heer naar sluwere methodes zoeken om zich van zijn vrouw te ontdoen. Dezelfde methode werd overigens toegepast als een zus van de heer haar deel van de erfenis wilde opeisen. Dan maakte de heer de tekortkomingen van de vrouw in kwestie met luide stem openbaar en liet hij zien hoeveel pijn zij hem gedaan had. Dan kon hij het huisgerecht bijeen roepen dat door hemzelf werd voorgezeten en haar op wettige wijze straffen en het huis uitjagen. Hij kon haar zelfs levend verbranden.

Overigens waren er ook wel dames die hun man vergiftigden als zij hem niet meer konden verdragen.

Hoofse liefde en romans[bewerken]

Koningin Guinevere, William Morris
Koning Arthur, ca. 1385, tapijt

In de slaapkamer van het kasteel zat een raam en wie met de verkeerde getrouwd was, ging daar zitten dromen van verlossing, zo vertellen ons de romans. Vrouwen, maar ook mannen, zaten tot stikkens toe opgesloten in het kasteel. Sommigen zochten een uitweg in de ommuurde boomgaard (met fonteinen, nagemaakte bronnen en een nagemaakt woud) waar verboden liefdes ontsproten die in de ondergrondse duisternis van de kelder werden voortgezet. Vrouwen lieten zich wel eens schaken om uit hun gevangenis te ontsnappen (om dan meestal weer in een andere gevangenis terecht te komen).

In het midden van de twaalfde eeuw verschenen de hoofse romans waarbij de held zich door allerlei hindernissen heen moest vechten om zijn uitverkoren dame te redden. Aangezien het meestal om een verboden liefde ging (echtbeuk), werd de liefde op een onderaardse plek geconsumeerd.

In de dertiende eeuw stopten de feodale heren er geleidelijk aan mee om elkaar te bestrijden. De Godsvrede die de geestelijken hadden opgelegd en het herstel van de koningshuizen zorgden voor een relatieve vrede. Daardoor raakten de ommuurde huizen ontvolkt. Er verschenen erotische boeken voor de ongehuwde jonge mannen, waarin dit soort huizen en torens werden voorgesteld als gevangenissen bomvol jonge, knappe meisjes die smachtten naar redding[5].

Voorbeelden van romans uit deze tijd zijn: de graalromans van Chrétien de Troyes:
Perceval ou le conte du Graal, La mort de roi Artu
Dit zijn romans over Lancelot, Koning Arthur, Koningin Guinevere en Parzival.
Verder het Roelantslied en de vier Heemskinderen.

Doden[bewerken]

De doden vormden een gevaar want ze keerden vaak 's nachts terug[6] naar het kasteel om van alles te eisen. De doden moesten 'binnen het hiernamaals' gehouden worden. Als de familie erg rijk was, liet ze de doden ter aarde bestellen in een dure familiegraftombe bij de abdij[7]. Aan het einde van het jaar werden de overledenen herdacht, maar ook hun verjaardagen werden gevierd. Dan hield de familie rond hun graf een banket[8] om de dode te vriend te houden zodat hij niet zou gaan rondspoken.

De gewonere mensen werden in het atrium van de kerk begraven en de armen op het kerkhof rond de kerk.

Sterven[bewerken]

Als de heer stierf, werden de volgende rituelen uitgevoerd:
1) De stervende heer nam in de zaal afscheid van zijn eigen familie en dienstpersoneel en al zijn vrienden. Met luide stem maakte de heer zijn laatste wil bekend. Zijn grote erfgoed (grond en kasteel) ging naar zijn erfgenaam (meestal zijn oudste zoon).
2) Dan trok hij zich terug in zijn kamer in een kleine kring mensen. Vaak trad hij toe tot een broederschap na een flinke som geld aan het klooster geschonken te hebben om zeker te zijn van een plaats in de hemel. Hij stond zijn persoonlijke bezittingen af aan zijn familie en ridders: geld, kleding, sieraden en relikwieën. Hij loste zijn schulden af, hij smeekte degenen die hij had gekrenkt om vergiffenis en biechtte zijn zonden op aan de kapelaan.
3) Daarna nam hij afscheid van zijn vrouw en zijn ridders. Hij legde zich in Gods hand. Tijdens zijn doodstrijd was hij niet alleen: er werd dag en nacht bij hem gewaakt. Pas zijn dood vormde het eerste moment in zijn leven dat hij alleen was.
4) De dode werd in een stoet naar de begraafplaats gebracht. De hele familie liep mee en iedereen had zijn plaats al naar gelang zijn rang. Er werden gulle gaven onder de armen uitgedeeld. De vrouwen uitten hun rouw door te huilen, zich de kleren van het lijf te scheuren en hun gezicht open te krabben[9]. Na de teraardebestelling werd een groot feestmaal gehouden.

Noten[bewerken]

  1. Vazallen en rondtrekkende vorsten.
  2. Er waren bijvoorbeeld aanvallen van de Saracenen die Narbonne belegeren vlak voor 1200.
  3. Een probaat middel want de kerk waardeerde dit zeer en de onruststoker werd zelden teruggezien.
  4. Keith Thomas, Religion and the decline of magic.
  5. Er sprak een diep verlangen uit naar een vrij seksueel verkeer. Er is geen enkele cultuur bekend waarin aan dit verlangen werd toegegeven, maar men dichtte het wel toe aan de ketterse sekten (als excuus om ze te bestrijden)
  6. Dit Germaanse geloof van vóór de kerstening bestond dus nog steeds.
  7. Hoewel de Mausolea rond 750 zouden zijn afgeschaft?
  8. Ook de Germanen hielden banketten rond het graf.
  9. Zoals de Germanen altijd al gerouwd hadden
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.