Sociale geschiedenis van de hoge middeleeuwen/Kerk

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Feodalisme en adel
  3. Klooster
  4. Kerk
  5. Volk
  6. Noord-Franse kastelen en donjons
  7. Noord-Franse vestinghuizen
  8. Inwoners Noord-Franse kastelen
  9. Leven in de Noord-Franse kastelen
  10. Huwelijk in de Noord-Franse kastelen
  11. Opkomst van het individu
  12. Bronnen en links

4. Kerk

Kerk en feodalisme[bewerken]

De priesters gingen zich aan God overleveren zoals de ridders aan de kasteelheer en de kasteelheer aan de koning. Ze lagen met gevouwen handen op hun knieën in de hoop om in de hemel te komen en daar op een vaderlijke wijze door God te worden onderhouden.

Net zoals de koning een aantal baronnen als adviseurs om zich heen had, en elke baron voor zijn beschermelingen sprak, zo dacht men dat God zich had omringd met de heiligen die op de dag des oordeels voor hun beschermelingen zouden spreken. De heilige werd als een soort vazal van God gezien en de christenen wilden de ridders van deze vazal zijn. Het beste middel om dit te bereiken was door toe te treden tot een klooster.

Veel ridders in de elfde eeuw besloten dan ook op het einde van hun leven om een grote schenking aan een klooster te doen en monnik te worden[1]. Zelfs veel hoge adellijken zagen zichzelf als lijfeigenen van een heilige en schaarden zich onder zijn vaandel. Ook het volk schaarde zich onder het vaandel van een heilige of van Maria.

Eigenkerk[bewerken]

Een kasteelheer had op zijn kasteel vaak een college van kanunniken onder zijn leiding en een kapelaan die de missen en preken in de kapel hield. Zij moesten bidden voor de heer. Vaak waren zij familie van hem. Omdat zij konden lezen en schrijven, moesten zij hem ook boeken voorlezen, liederen en toespraken voor hem schrijven en soms zelfs de boekhouding doen. Want de kapel in zijn kasteel zag de heer als zijn eigen kerk.

Godsvrede[bewerken]

De geestelijkheid had (net als het volk) te lijden onder het oorlogszuchtige en uitbuitende gedrag van de feodale heren. De kerk construeerde daarom in de loop van de elfde en twaalfde eeuw de Godsvredebeweging. Het idee borduurde voort op de (al uit de Merovingische tijd stammende) immuniteiten en kerkasielen. De kerk beschermde met de Godsvrede niet alleen zichzelf maar ook het volk tegen de feodale heren.

De graven, ridders en landheren moesten de Godsvrede onderschrijven door een eed te zweren. De feodale heer kon dat moeilijk weigeren want hij had de steun van de kerk nodig, anders kon de kerk hem als een afvallige aanmerken en dan hoefde zijn volk hem niet meer als hun heer te erkennen.

- Er mocht niet geplunderd worden in kerken, kloosters en tijdens aan God gewijde feestdagen.
- Er mocht geen geweld gebruikt worden tegen Zijn priesters en monniken en ook niet tegen boeren, armen, vrouwen, kinderen, pelgrims, reizigers en kooplieden.

Doordat de kooplieden niet meer door de feodale heren overvallen mochten worden, bloeide de handel weer enigszins op.

De Zwarte Dood, Duitsland, 1411
Joodse man met het verplichte gele teken op zijn mantel. Hij draagt tevens een zak met geld en knoflookstrengen, 16e eeuw
Middeleeuwse afbeelding van de duivel, uit de Codex Gigas ca. 1230
Hugo van Cluny, Hendrik IV en Mathildis van Toscane, 1115

De kerk en haar tegenstanders[bewerken]

Voor deze paragraaf is als bron gebruikt: Keith Thomas, Religion and the decline of magic.

Tovenaars, homoseksuelen, Joden, moslims en ketters leden vanaf 1100 onder toenemend verbaal en fysiek geweld omdat het christendom populairder werd bij het volk en zich agressiever poogde te verspreiden. De Joden waren hiervan de eerste slachtoffers, er kwamen pogroms. Joden moesten een Jodenhoed of een Jodenring dragen en werden uit Frankrijk en Engeland verdreven. Ze zouden ook de schuld krijgen van de pestepidemieën.

De kerk zei dat de pest de straf van God was. De mensen zochten zondebokken en vonden die in de Joden. Zij zouden de bronnen vergiftigd hebben en ze werden massaal en gruwelijk vermoord. Zo werden ze bijvoorbeeld opgesloten in houten huizen die in brand werden gestoken of ze werden in tonnen opgesloten die in de Rijn werden gegooid.

De kerk begon haar tegenstanders ervan te beschuldigen verboden seksuele praktijken en geheime rituelen gewijd aan satan uit te oefenen. Ketters (Waldenzen en Katharen) en de Joden werden ervan beschuldigd om met de duivel te heulen. De Tempeliers en de heksen zouden deze beschuldigingen later ook te horen krijgen.

De inquisitie[2] was rond 1250 met toestemming van de paus ingesteld door de Dominicanen tegen de ketterij. Door het gebruik van marteling verkregen de aanklagers bekentenissen over wandaden waarvan zij feitelijk al 'wisten' dat de aangeklaagden ze gepleegd hadden. Het was een zichzelf waarmakend principe. Men begon op die manier te wennen aan de vreemdste beschuldigingen, want ze werden bekend. Rond 1450 werd bijvoorbeeld het waanidee van de duivelsaanbidding volledig geaccepteerd.

Obsessie met de dood, 1100-1500[bewerken]

Voor deze paragraaf zijn ook andere bronnen gebruikt:

  • Joseph Klaits, Servants of Satan.
  • Keith Thomas, Religion and the decline of magic.

1) Vanaf 1100 begon het individualisme op te komen bij de welvarende adel en geestelijkheid. Zij zagen hun dood niet langer als een overgang uit een onplezierig aards leven naar een betere wereld, maar als het einde van een prettig leven. Hierdoor ontstond angst voor de dood.
2) Christus zelf had voor zijn dood beloofd dat hij weldra op aarde terug zou keren. De christenen geloofden nog eeuwen lang dat deze terugkeer aanstaande was. Dan zouden alle gelovigen naar de hemel gaan. Vanaf 1100 werd er echter steeds meer de nadruk gelegd op het laatste oordeel. Alleen wie goed had gedaan, mocht naar de hemel, maar wie kwaad had gedaan, moest naar de hel[3]. Rijke mensen konden nog wel een plaats in de hemel kopen, maar de meeste mensen achtten de kans dat ze naar de hel zouden gaan het meest reëel. De hel speelde een steeds belangrijkere rol in hun leven, net als de duivel. Toen het koninkrijk Gods maar niet kwam, werd de duivel rond het midden van de middeleeuwen dreigender. Hij werd na 1100 zwart en half dierlijk voorgesteld[4].
3) Na 1200 begon de geestelijkheid het volk grote angst in te boezemen voor de hel en de duivel. Omdat de meeste mensen geloofden dat ze naar de hel zouden gaan, werd de angst voor de dood ook steeds groter. In de 14de en 15de eeuw raakten veel mensen geobsedeerd door de dood.
4) Deze angst voor de dood werd verhevigd door het verschijnen van de pest die vanaf 1347 herhaaldelijk in Europa huishield tot 1720.

Volk en geloof[bewerken]

Voor deze paragraaf zijn ook andere bronnen gebruikt:

  • Keith Thomas, Religion and the decline of magic.
  • Joseph Klaits, Servants of Satan.

Het geloof in God, de duivel, de hemel, de hel, de goddelijkheid van Christus, de onsterfelijkheid van de ziel, het scheppingsverhaal en de heropstanding van de ziel na het laatste oordeel werden al rond 1300 door het volk met grote onverschilligheid ontvangen. Als mensen echter met deze onverschilligheid te koop liepen, moesten ze voor de kerkelijke gerechtshoven verschijnen op beschuldiging van ketterij. Zeker het aantasten van het geloof in hemel en hel werd als een ernstig vergrijp beschouwd, want het geloof in hemel en hel was een probaat middel om de lagere klasse in het gareel te houden. Het volk geloofde echter niet in het hiernamaals, omdat de meesten van hen immers wel in de hel zouden belanden. Dan was het beter om er maar niet in te geloven. De mate van ongeloof bij het volk zou wel eens groter geweest kunnen zijn en ook al veel eerder begonnen kunnen zijn dan nu verondersteld wordt want veel mensen durfden niet hardop te zeggen wat ze dachten. Ketterverbranding werd in Engeland pas in 1677 afgeschaft. Meestal waren veroordeelde ketters buitenbeentjes van de gemeenschap.

Hervormingsbewegingen in de kloosters[bewerken]

Voor deze paragraaf is als bron gebruikt: Dresen-Coenders, Het verbond van heks en duivel.

Al vóór 1000 waren veel kloosters groot, dichtbevolkt en rijk geworden. Hun rijkdom dankten zij onder andere aan:
1) De grote bedragen die adellijke oblaten soms meekregen.
2) Ouderen gaven vaak op het einde van hun leven een grote som geld aan het klooster om dan op hun oude dag door het klooster verzorgd te worden.
3) Adellijken gaven vaak op het einde van hun leven een grote som geld aan het klooster om daarin te kunnen toetreden. Zo verzekerden zij zich van een plaats in de hemel.

Door al die rijkdom nam men het in de meeste kloosters niet meer zo nauw met de kloosterregels van Benedictus.

Zie ook: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen, Vraat- en hebzucht.

1) Als reactie daarop gaf Paus Gregorius VII (paus van 1073-1085) de aanzet tot de Gregoriaanse kerkhervorming (rond 1100).
De orde van Cluny (gesticht rond 909) heeft zich tot 1200 eveneens sterk gemaakt voor hervormingen binnen de kerk.
Deze hervormers wilden terug naar een strikt naleven van de regel van Benedictus. Maar hun inspanningen hadden geen aanhoudend succes. Tijdens de elfde en de twaalfde eeuw werden de kloosters steeds rijker[5].
2) Als tegenbeweging verschenen rond 1200 de bedelorden: de Franciscanen, de Dominicanen en de Karmelieten. De oorspronkelijke Benedictijnenkloosters waren door grondbezit aan een plaats gebonden, meestal op het platteland. De bedelorden hadden weinig grondbezit en daardoor waren de monniken mobieler. Ze konden overal preken en lesgeven. Ze voorzagen in hun levensonderhoud door te bedelen. Ze verspreidden zich in de dertiende eeuw over heel Noordwest-Europa (dat toen aan het verstedelijken was) en ze waren meestal in de steden gevestigd.

Zoekende kerk in de dertiende eeuw[bewerken]

Het blijkt dat de kerk in de dertiende eeuw nog steeds voornamelijk een toeschouwende rol had. Men keek naar de gebruiken die vaak nog uit de oude Germaanse tijd stamden en probeerde deze in een christelijke richting om te buigen. En als dat niet lukte, omdat niemand het wou, dan staakte de kerk die poging maar. Zo probeerde de kerk tevergeefs om:

  • Spirituele zaken in het huwelijk te bevorderen.
  • Huwelijken met verwanten tot in de zevende graad te verbieden.
  • Polygamie en echtscheiding te verbieden, dit lukte pas na lange tijd.

Noten[bewerken]

  1. In Duitsland en Lotharingen noemde men leden van de hoge adel 'Sainteur' als ze lid waren van een orde. Door hun hoge status hoefden ze geen handarbeid te doen
  2. De normale rechtsgang was accusatoir, een Germaans principe. De inquisitoire rechtspraak was een Romeins principe. De verdachte was vrijwel rechteloos en mocht gemarteld worden.
  3. Hiernamaals.
  4. Toen werd het christendom eigenlijk dualistisch: enerzijds God en anderzijds Satan. Vreemd genoeg kwam deze omslag van monotheïsme naar dualisme kort na de uitroeïng van de Katharen die een dualistisch geloof hadden.
  5. Vanaf 1334 waren de abten van Cluny hun ideeën over armoede waarschijnlijk geheel en al vergeten, getuige het feit dat zij het schitterende en kostbare Musée national du Moyen Âge in Parijs bouwden.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.