Sociale geschiedenis van de hoge middeleeuwen/Volk

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Feodalisme en adel
  3. Klooster
  4. Kerk
  5. Volk
  6. Noord-Franse kastelen en donjons
  7. Noord-Franse vestinghuizen
  8. Inwoners Noord-Franse kastelen
  9. Leven in de Noord-Franse kastelen
  10. Huwelijk in de Noord-Franse kastelen
  11. Opkomst van het individu
  12. Bronnen en links

5. Volk

Volk[bewerken]

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege middeleeuwen, Volk

Het volk bestond in de tiende eeuw op het platteland uit: vrije boeren, keuterboertjes, landarbeiders in loondienst en slaven. In de steden bestond het volk uit kooplieden, handwerkslieden en zwervers. De stadsbevolking werd geleid door de patriciërs [1]. Hun ambten (als schout en schepen) waren niet erfelijk maar circuleerden in een klein aantal geslachten. In de elfde eeuw zou het plattelandsvolk, ook de vrije boeren, grotendeels tot lijfeigenen van de kasteelheren (de vazallen of de graven) en hun ridders worden.

Uitbuiting[bewerken]

De feodale heren (graven, ridders en landheren[2]) bewoonden ommuurde grote huizen en boerderijen waarbinnen het openbare gezag geen toegang had. Het volk woonde in veel kleinere, niet omheinde boerderijen of zelfs in hutten.

In de elfde eeuw werd het volk zwaar uitgebuit door de feodale heren. Het kon daar niets anders tegen doen dan lijdzaam verzet te plegen. In bergachtige streken wilde dat nog wel eens wat opleveren en ook in de enkele steden in het zuiden van Europa waar nog een beetje handel plaats vond[3]. Daar waren behalve de graaf en zijn ridders ook nog andere vrije burgers: de mannen van stand (boni homines), en in de steden de burgers (cives) die de macht van de adel wisten te beperken.

Maar voor het overige werd de massa overheerst door de graaf en zijn ridders en hoorde tot de huishouding van de kasteelheer (graaf), maar niet zoals de ridders (die als bloedverwanten golden) maar als leden van het dienstbare huispersoneel (familia).

De kasteelheren hadden het volk in paren neergezet op stukjes grond waar ze in slavenhutten woonden. Deze waren niet omheind. Ze mochten zich voortplanten en hun kinderen opvoeden. Ze mochten wat vee beheren (dat in feite van de heer was). Het waren dus slaven met een klein stukje privéleven en een eigen huishouding. Om de dag of twee moesten ze naar het kasteel van de heer gaan om diensten te verrichten. De vrouwen moesten in zijn vrouwenvertrekken spinnen en weven. Ze aten dan in de eetzaal. Bijna de helft van hun leven hoorden ze bij het huispersoneel van de kasteelheer. De heer kon naar willekeur kinderen van de slavenparen meenemen om aan zijn vaste huispersoneel toe te voegen. Hij kon op alles wat zich in de hutten van zijn slaven bevond beslag leggen. Hij kon hun dochters uithuwelijken en als de vader dat zelf wilde doen, moest hij daarvoor geld aan de heer betalen. De heer had recht op een deel van hun erfenis: als de vader stierf had hij recht op het vee en als de moeder stierf op een deel van haar kleren.

In de 11e en 12e eeuw gold het recht van onderdak, huishouding en ontvangst[4]. Dat betekende dat de heer of een van zijn ridders met zijn huishouding kon neerstrijken op een boerderij of in een dorp en dan beziggehouden moest worden, te eten en drinken krijgen en kunnen slapen alsof het om een familiebezoek ging. Ook de boeren die als vrij bekend stonden, moesten wijn uit de kelder halen, brood uit hun voorraadkist en verenbedden brengen. Het kostte soms moeite om gedaan te krijgen dat de boer en de boerin nog onder hun eigen verenbed mochten slapen.

Einde vrijheid[bewerken]

De weinige vrije boeren die er nog waren, hadden een omheind erf waarbinnen het openbare gezag geen toegang had. Dus daarbinnen konden ze niet afgeperst worden door de kasteelheren. Maar de erven van de slaven waren niet omheind en werden gezien als bijgebouwen van het huis van de heer. De heer was de eigenaar van alle mannen, vrouwen en kinderen die daar woonden en hij kon ze vrijelijk uitbuiten en afpersen.

Alle mannen zonder macht (pauvres) waren onderworpen aan de kasteelheer. Als onaanzienlijke vrijen bij een rechtszaak betrokken waren, vaardigde de kasteelheer een dienaar af om de rechtszitting te leiden en de kleine vrijen werden er bestraft alsof het slaven waren. Tussen 1000 en 1100 was het verschil tussen de eerdere vrijen (homines libri) en de slaven (servi) vervaagd. Als de kasteelheer op het einde van de elfde eeuw grond verkocht, werden alle slaven en kleine vrijen die er op woonden mee verkocht als een kudde dieren.

De kasteelheren begonnen van al hun inwoners te eisen dat ze zich aan hen overleverden. Ook de vrijen moesten zich aan de heer toevertrouwen (onderwerpen). Als een ridder zich toevertrouwde aan een heer, werd hij daarmee zijn bloedverwant maar als een vrije zich toevertrouwde aan een heer, werd hij daarmee een lid van zijn dienstbaar huispersoneel (familia). Hij was geen bezit meer van zichzelf, niet meer vrij, de heer kon zijn huis binnendringen en nemen wat hem goeddacht. De vrije werd een lijfsman, een lijfeigene. Het volk werd nu niet meer 'populus' genoemd maar 'plebs' en had haast geen privéleven meer.

De kasteelheren slaagden er niet in om alle 'armen' die onder hun macht vielen tot hun lijfeigenen te maken.

  1. Veel ridders woonden in grote en autonome huizen en hadden kleine luiden als dienstpersoneel en die waren weliswaar net zo goed lijfeigenen, maar dan van de ridder en niet van de kasteelheer.
  2. Sommige inwonenden ('homines habitatores') waren deels ontsnapt aan het lijfeigenschap. Deze mannen hadden zich beter verweerd tegen de heer. Hun voorvaders hadden geweigerd de onderwerpingsrituelen te doen. Toch moesten zij op gezette tijden "geschenken" naar de heer brengen en corveediensten voor hem verrichten. Maar zij hadden nauwkeurig omschreven taken terwijl de heer zijn lijfeigenen altijd alles kon laten doen wat hem goeddacht.

De feodale samenleving manifesteerde zich rond 1100 in zijn volle glorie. De kasteelheren gingen alle ongewapende inwoners en reizigers op hun grondgebied afpersen en leegschudden. Handel was vrijwel onmogelijk geworden:

  1. doordat het platteland belangrijker was geworden dan de steden waar de kooplieden woonden,
  2. omdat kooplieden vaak werden beroofd: ofwel door de feodale heren, ofwel door struikrovers die op afgelegen plaatsen hun gang konden gaan omdat de heren nauwelijks enig publiek gezag uitoefenden om dat te verhinderen.

Godsvrede[bewerken]

De Godsvredebeweging dwingt respect af voor de goederen van de kerk.
De Godsvredebeweging bepaalde de rol van de geestelijken, de adellijken en het lage volk-in de middeleeuwse maatschappij

De geestelijkheid had (net als het volk) te lijden onder het oorlogszuchtige en uitbuitende gedrag van de feodale heren. De kerk ontwikkelde daarom in de loop van de elfde en twaalfde eeuw de Godsvredebeweging. Het idee borduurde voort op de (al uit de Merovingische tijd stammende) immuniteiten en kerkasielen[5]. De kerk breidde dit domein van God verder uit en noemde het de Godsvrede. Hiermee beschermde de kerk niet alleen zichzelf maar ook het volk tegen de feodale heren.

De graven, ridders en landheren moesten de Godsvrede onderschrijven door een eed te zweren. De feodale heer kon dat moeilijk weigeren want hij had de steun van de kerk nodig, anders kon de kerk hem als een afvallige aanmerken en dan hoefde zijn volk hem niet meer als hun heer te erkennen.

De Godsvrede gold als onaantastbaar, wie haar schond, haalde zich de woede van God (en de kerk) op de hals.

- Er mocht niet geplunderd worden in de kerken, de kloosters en de terreinen daaromheen (de kerkhoven en de kerkasielen) die omgegeven waren met een muur of met een grachtje of gemarkeerd waren door kruisbeelden.
- Er mocht niet geplunderd worden op aan God gewijde feestdagen.
- Er mocht geen geweld gebruikt worden tegen Zijn priesters en monniken.
- Er mocht geen geweld gebruikt worden tegen weduwen, wezen en armen, later ook niet meer tegen vrouwen, kinderen, pelgrims, reizigers en kooplieden.
- Er mochten geen vluchtelingen opgepakt worden die hun toevlucht hadden gezocht in een kerkasiel.
- Boeren mochten niet meer zomaar gevangen genomen worden en hun vee mocht niet meer afgepakt worden.
- Van niemand mocht meer huis en geld afgepakt worden. Ook niet onder het mom dat dit nu eenmaal de prijs voor de vrede was.

Doordat ook kooplieden niet meer door de feodale heren overvallen mochten worden, bloeide de handel weer enigszins op.

Verenigingen[bewerken]

In de elfde en twaalfde eeuw ontstonden kleine, besloten gemeenschappen van parochieleden die onderling vriendschap hadden gesloten en elkaar steunden. Veel van die gemeenschappen vestigden zich (net zoals de seculiere kanunniken) op het terrein rondom de kerk dat immuniteit genoot en waar de feodale heren niets te zeggen hadden en niet mochten komen. De armen en machtelozen (pauvres) konden zich hier terugtrekken voor de eisen van hun heer en zijn ridders.

In de wat grotere dorpen (die opleefden door het herstel van de handel) groeiden deze vriendschapsverbanden uit tot verenigingen. Mannen (behalve geestelijken) konden na hun vijftiende jaar lid worden van zo'n vereniging. De leden kwamen geregeld bijeen om elkaar te helpen, samen te eten en samen te drinken. Ook de gezinshoofden van de dorpen kwamen hier bijeen. Er werden vriendschapseden (of Godsvrede-eden) gezworen aangaande het gedrag onderling en het gedrag ten opzichte van de geestelijkheid en de feodale heren, zoals ook de feodale heren eden gezworen hadden om het volk en de geestelijkheid te ontzien.

Men streefde naar eendracht. Als er onderlinge ruzies waren, zou het "openbare" gezag van de graaf niet ingrijpen. Deze greep alleen in als de hele gemeenschap geschokt was door een ernstige misdaad (fractus villae): openbare echtbreuk of openbare diefstal[6].

Hoge heerlijkheid[bewerken]

Om de eendracht binnen die verenigingen (die namen hadden als 'vriendschap' en 'vrede') te handhaven kwam er een groep notabelen naar voren die binnen die gemeenschappen voor verzoening wilde zorgen. Want niet alleen voor geweld, ook voor haat was geen plaats: achter mensen aanjagen of hinderlagen voor ze leggen, was verboden. Elke vorm van onderlinge agressiviteit moest worden uitgebannen en werd naar buiten geprojecteerd op diegenen die de gemeenschappelijke belangen van de vereniging wilden schaden.

Die notabelen oefenden een vorm van rechtspraak uit die in de twaalfde eeuw de 'hoge heerlijkheid' ging heten. Deze vrederechters werden een nieuw soort openbare magistraten want hun rechtspraak was (weliswaar aanvankelijk binnen een particuliere vereniging) een vorm van openbare rechtspraak omdat ze in het belang van de gemeenschap was.

Het openbare leven kwam na lange tijd weer tot leven.

De verenigingen bepaalden dat de feodale heer (graaf, ridder, landsheer) binnen zijn omheinde erf de van hem afhankelijken (cliens) en zijn slaven (servi) mocht geselen en slaan zonder daardoor de Godsvrede te verstoren. Als slaven die in hetzelfde huis woonden met elkaar slaags raakten, moesten zij aan hun heer een boete betalen zonder dat de vrederechters zich ermee mochten bemoeien, behalve als er een slaaf in zo'n ruzie dood was geslagen. Er waren dus huizen uitgezonderd van het nieuwe openbare recht.

Met geweld binnendringen in een huis werd zwaar bestraft. In de dertiende eeuw stelden de hoge heerlijkheden dat niemand bestraft zou worden die een indringer in zijn huis doodde. Een verenigingslid die zijn vriendschapseed had verbroken door een omheining te verbreken en binnen te dringen in een (feodaal) huis, werd zwaar bestraft. De overige verenigingsleden mochten dan ongestraft zijn huis slopen.

Door de invoering van de Godsvrede hadden de feodale heren een stuk van hun macht moeten inleveren en had het volk het iets minder slecht gekregen, maar het feodalisme zou nog lange tijd voortduren.

Sociale controle[bewerken]

Voor de hierna volgende hoofdstukken is een andere bron gebruikt[7].

Dompelstoel voor kijvende vrouwen

In de dorpen en steden had niemand enige privacy. De gemeenschap zag en wist alles. Als iemand zich onbetamelijk gedroeg in de ogen van de gemeenschap, dan werd de slechterik getrakteerd op ketelenmuziek met spreekkoren onder zijn raam (als het om een licht vergrijp ging).

Ruziezoekers en roddelaars werden door de gemeenschap van huis gehaald en in een optocht met muzikanten naar het gerecht gebracht. Het gerecht kon hen in het schandblok laten slaan. Al vanaf de dertiende eeuw werd in Engeland de dompelstoel gebruikt om kijvende vrouwen publiekelijk te straffen.

De kerk kon lastposten straffen door hen de communie te weigeren want er moest vrede heersen. De boosdoeners moesten eerst publiekelijk hun excuses maken voordat ze weer in de gemeenschap werden opgenomen.

Excommunicatie was een zware kerkelijke straf want dat betekende dat men zijn vrienden en zakenpartners kwijtraakte, men kon zelfs vogelvrij verklaard worden.

Volk en geloof[bewerken]

Het geloof in God, de duivel, de hemel, de hel, de goddelijkheid van Christus, de onsterfelijkheid van de ziel, het scheppingsverhaal en de heropstanding van de ziel na het laatste oordeel werden al rond 1300 door het volk met grote onverschilligheid ontvangen. Als mensen echter met deze onverschilligheid te koop liepen, moesten ze voor de kerkelijke gerechtshoven verschijnen op beschuldiging van ketterij. Zeker het aantasten van het geloof in hemel en hel werd als een ernstig vergrijp beschouwd, want het geloof in hemel en hel was een probaat middel om de lagere klasse in het gareel te houden. Het volk geloofde echter niet in het hiernamaals, omdat de meesten van hen immers wel in de hel zouden belanden. Dan was het beter om er maar niet in te geloven. De mate van ongeloof bij het volk zou wel eens groter geweest kunnen zijn en ook al veel eerder begonnen kunnen zijn dan nu verondersteld wordt want veel mensen durfden niet hardop te zeggen wat ze dachten. Ketterverbranding werd in Engeland pas in 1677 afgeschaft. Meestal waren veroordeelde ketters buitenbeentjes van de gemeenschap.

Obsessie met de dood[bewerken]

Voor deze paragraaf zijn ook andere bronnen gebruikt:

  • Joseph Klaits, Servants of Satan.
  • Keith Thomas, Religion and the decline of magic.

1) Vanaf 1100 begon het individualisme op te komen bij de welvarende adel en geestelijkheid. Zij zagen hun dood niet langer als een overgang uit een onplezierig aards leven naar een betere wereld, maar als het einde van een prettig leven. Hierdoor ontstond angst voor de dood.
2) Christus zelf had voor zijn dood beloofd dat hij weldra op aarde terug zou keren. De christenen geloofden nog eeuwen lang dat deze terugkeer aanstaande was. Dan zouden alle gelovigen naar de hemel gaan. Vanaf 1100 werd er echter steeds meer de nadruk gelegd op het laatste oordeel. Alleen wie goed had gedaan, mocht naar de hemel, maar wie kwaad had gedaan, moest naar de hel[8]. Rijke mensen konden nog wel een plaats in de hemel kopen, maar de meeste mensen achtten de kans dat ze naar de hel zouden gaan het meest reëel. De hel speelde een steeds belangrijkere rol in hun leven, net als de duivel. Toen het koninkrijk Gods maar niet kwam, werd de duivel rond het midden van de middeleeuwen dreigender. Hij werd na 1100 zwart en half dierlijk voorgesteld[9].
3) Na 1200 begon de geestelijkheid het volk grote angst in te boezemen voor de hel en de duivel. Omdat de meeste mensen geloofden dat ze naar de hel zouden gaan, werd de angst voor de dood ook steeds groter. In de 14de en 15de eeuw raakten veel mensen geobsedeerd door de dood.
4) Deze angst werd verhevigd door het verschijnen van de pest die vanaf 1347 herhaaldelijk in Europa huishield tot 1720.

De Zwarte Dood, Duitsland, 1411
Jodenhoed in de Codex Manesse

Pest[bewerken]

De pest heerste vooral in de steden waar veel ratten waren. Iedereen die kon, vluchtte de stad uit naar het platteland maar werd daar aangevallen door boeren die vreesden dat de rijke heren de pest uit de stad hadden meegenomen. Er was voedseltekort, werkeloosheid, plunderingen en geweld. Als iemand de pest had, liet men hem meestal aan zijn lot over of stopte hem in een quarantainehuis. De overlevenden hadden een trauma of een schuldgevoel. Groepen mensen kregen Sint-Vitusdans, anderen trokken rond als flagellanten.

Joden[bewerken]

Tovenaars, homoseksuelen, Joden, moslims en ketters leden vanaf 1100 onder toenemend verbaal en fysiek geweld omdat het christendom populairder werd bij het volk en zich agressiever poogde te verspreiden. De Joden waren hiervan de eerste slachtoffers, er kwamen pogroms. Joden moesten een Jodenhoed of een Jodenring dragen en werden uit Frankrijk en Engeland verdreven. Ze zouden ook de schuld krijgen van de pestepidemieën.

De kerk zei dat de pest de straf van God was. De mensen zochten zondebokken en vonden die onder andere in de Joden. Zij zouden de pest verspreid hebben door de bronnen te vergiftigen en ze werden massaal en gruwelijk vermoord. Zo werden ze bijvoorbeeld opgesloten in houten huizen die in brand werden gestoken of ze werden in tonnen opgesloten die in de Rijn werden gegooid. Mogelijk was de aanleiding voor deze beschuldiging aan de Joden dat:
1) ze nogal geïsoleerd leefden[10].
2) ze leefregels (qua reinheid en voeding) in acht namen die ervoor zorgden dat zij zelf minder snel de pest kregen dan andere mensen.

Het werd de Joden verboden om overheidsfuncties uit te oefenen of grond te bezitten. Ook werden de Joden geweerd uit de ambachts- en handelsgilden. Wel was het Joden toegestaan krediet te verlenen. Op het derde concilie van Lateranen van 1179 verbood de Kerk christenen van mede-christenen rente te vragen bij het uitlenen van geld wegens het Bijbelse verbod uit Deuteronomium 21:19-20, waarin wordt bepaald dat men geen rente mag aannemen van zijn "broeder" maar wel van "de buitenstaander". Dientengevolge raakte de geldhandel geconcentreerd in Joodse handen. De jodenhaat die vanuit de Kerk werd verspreid, leidde tot verscheidene kruistochten waarbij Joden door de kruisvaarders op grote schaal zijn vermoord[11].

Noten[bewerken]

  1. De steden waren in verval maar er stonden nog publieke huizen uit de Romeinse tijd.
  2. Ook de landheren zouden zich in de elfde eeuw als feodale heersers beginnen te gedragen.
  3. De handel was op veel plaatsen vrijwel tot stilstand gekomen 1) doordat het platteland belangrijker was geworden dan de steden en 2)doordat de heren de kooplieden begonnen te beroven, dan wel 3) doordat struikrovers de kooplieden beroofden omdat er nauwelijks enig publiek gezag was dat dit tegenging.
  4. Dat was in de late oudheid een openbaar recht geweest van de rondreizende magistraat dat de burgers hem verplicht waren te geven.
  5. Deze rechten of vredesbepalingen had de kerk verkregen van de koning. Daardoor waren deze plaatsen gevrijwaard van geweldpleging.
  6. Dan verschaften zijn dienaren zich zelfs toegang tot het privéterrein van de kerk als de schuldigen kerkdienaren waren.
  7. Keith Thomas, Religion and the decline of magic.
  8. Hiernamaals.
  9. Toen werd het christendom eigenlijk dualistisch: enerzijds God en anderzijds Satan. Vreemd genoeg kwam deze omslag van monotheïsme naar dualisme kort na de uitroeing van de Katharen die een dualistisch geloof hadden.
  10. Joden in de vroege middeleeuwen.
  11. Bron van deze alinea: een artikel genaamd "De middeleeuwen" van B.M.J. Speet.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.