Latijn/Woordenlijst

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Latijn Les 1 - Les 2 - Les 3 - Les 4 - Les 5 - Les 6 - Les 7 - Les 8 - Les 9 - Les 10 - Les 11 - Les 12 - Les 13 - Les 14 - Les 15 Het schrift - Uitspraak - Naamwoorden - Werkwoorden Woordenlijst

In deze woordenlijst zijn de woorden die in de lessen 1 t/m 15 worden gebruikt, terug te vinden. Een kleine toelichting van de indeling en noteerwijze;

Werkwoorden

Deponente werkwoorden (les 9) eindigen op -i, vervolgd door hun supiniumstam. Daarnaast staat er in de kolom voor de vertaling (dep.).

Hieronder volgt de noteerwijze van de werkwoordstammen:

  • Eindigend op -are (A-conjugatie); groep I
  • Eindigend op -ére (E-conjugatie); groep II
  • Eindigend op -ere (C-conjugatie); groep III
  • Eindigend op -ire (I-conjugatie); groep IV
  • Eindigend op -ere (G-conjugatie); groep V

Zelfstandige naamwoorden

Van zelfstandige naamwoorden wordt de genitivus enkelvoud en vervolgens het geslacht weergegeven na de nominativus enkelvoud.

Zelfstandige naamwoorden krijgen de volgende noteerwijze:

  • A-declinatie: nom. sing., -ae (genus)
  • O-declinatie: nom. sing., -i (genus)
  • E-declinatie: nom. sing., -ei (genus)
  • U-declinatie: nom. sing., -us (genus)
  • G-declinatie: nom. sing., (laatste letter onveranderlijk deel + nieuwe stam + -is) (genus)

Bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden worden als volgt genoteerd:

  • A- + O-declinatie: mannelijk woord, -a, -um
  • G-declinatie op -is: mannelijk + vrouwelijk woord, -ile
  • G-declinatie op andere uitgangen: mannelijk woord, vrouwlijke uitgang, onzijdige uitgang

Bijwoorden en voorzetsels

Bijwoorden krijgen niets anders dan hun latijnse naam en betekenis, omdat deze niet worden verbogen.

Voorzetsels krijgen na hun latijnse naam tussen haakjes de afkorting van de naamval die met het voorzetsel meegaat.

Inhoudsopgave:

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

A[bewerken]

a(b) (+abl) door (passief), van(af)
abducere, abduxi, abductum, III wegvoeren, ontvoeren
acer, acris, acre scherp, fel, hevig
ad (+acc) naar
aestas, -tatis (f) zomer
aetas, -atis (f) leeftijd
ager, -gri (m) akker
agricola, -ae (m) boer
alacer, -cris levendig, opgewekt
amare, amavi, amatum, I houden van
ambulare, ambulavi, ambulatum, I lopen, wandelen
amicitia, -ae (f) vriendschap
ancilla, -ae (f) slavin
animal, -lis (n) dier
ars, -tis (f) vak, ambacht, kunst
arbor, -ris (f) boom
arvum, -i (n) veld
asinus, -i (m) ezel
ater, -tra, -trum donker, zwart
Athenae, -arum Athene (Stad)
audere, ausi, ausum, II durven, wagen
audire, audivi, auditum, IV horen, luisteren
aurum, -ri (n) goud
auscultare, auscultavi, ascultatum, I luisteren
auspex, auspicis (m) vogelwichelaar (iemand die de toekomst tracht te voorspellen uit de vlucht van de vogels)
ave gegroet
avis, -is (f) vogel
avus, -i (m) grootvader

B[bewerken]

balaena, -ae (f) walvis
basium, -i (n) kus
bellum, -i (n) oorlog, strijd
bene goed (bijwoord)
bibere, bibi, bibum, III drinken
bibulus, -a, -um lekker (van wijn)
bonus, -a, -um goed
burdo, -onis (m) muilezel

C[bewerken]

candela, -ae (f) kaars
canis, -is (m & f) hond
capere, cepi, captum, V nemen, gevangen nemen
captivus, -i (m) krijgsgevangene
causa, -ae oorzaak
canere, cecini, canentum, III zingen
celer, celeris, celere snel
cena, -ae (f) maal, maaltijd, diner
censere, censui, censum, II menen/vinden, schatten
cibus, -i (m) voedsel, eten, maaltijd
civis, -is (m) burger
clades, -is (f) nederlaag
clarus, -a, -um helder, duidelijk
classis, -is (f) vloot
color, -ris (m) kleur
Colere, colui, cultum, III verzorgen, vereren, verbouwen, respecteren
contractus, -us (m) contract, overeenkomst
cornu, -us (n) hoorn
coquus, -i (m) kok
cras morgen
culina, -ae (f) keuken
cunctus, -a, -um geheel, alle

D[bewerken]

dare, dedi, datum, I geven
de (+abl) vanaf, over (bij personen)
demittere, demisi, demittum, III laten vallen, naar beneden laten gaan
deus god
dexter, -tra, trum rechts
dies, -ei (m & f) dag
dificilis, -ile moeilijk
disimilis, -ile ongelijk
domina, -ae (f) meesteres, vrouw des huizes
dominus, -i (m) heer, heer des huizes
domus, -us (f) huis
donum, -i (n) geschenk
dux, ducis (m) aanvoerder

E[bewerken]

ecclesia, -ae (f) kerk
emere, emi, emptum, III kopen
esse, sum, fui zijn
et en, ook
ex (+abl) uit

F[bewerken]

facere, feci, factum, V maken, doen
facilis, -ile gemakkelijk
falsus, -i (m) vals, bedrieglijk
famulus, -i (m) bediende
febris, -is (f) koorts
femina, -ae (f) vrouw
festivus, -a, um gezellig
fibula, -ae (f) fibula, gesp waarmee de toga vastgezet werd
flos, -oris (m) bloem
flumen, -minis (n) rivier
fons, fontis (f) bron
formica, -ae (f) mier
fortis, -is, -e sterk
foruli, -orum (m) boekenkast
forum, -i (n) forum (een markt waar zich een belangrijk deel van het openbare leven afspeelde)
frater, -tris (m) broer
fraudare, fraudavi, fraudatum, I bedriegen
fructus, -us (m) vrucht
fur, -ris (m) dief

G[bewerken]

galea, ae (f) helm
Gallus, -i (m) haan
Gandavum, -i (n) Gent
gens, -ntis (f) volk
gerere, gessi, gestum, III dragen; bellum gerere oorlog voeren
gladius, -i (m) zwaard
gracilis, -ile slank

H[bewerken]

heri gisteren
Hispalis, -is (f) Sevilla
hortus, -i (m) tuin
hostis, -is (m) vijand
humilis, -ile laag

I[bewerken]

idem, eadem, idem hetzelfde, dezelfde
impedire, IV belemmeren
in (+abl) in, op
in (+acc) op, naar
ineptiae, -arum (f) onzin
insula, -ae (f) eiland
ipse, ipsa, ipsum zelf
iuvare, iuvi, iutum I helpen
iuvenis, -is (m) jongeling
iuxta (+acc) naast

L[bewerken]

laborare, laboravi, laboratum, I werken
lapis, -idis (n) steen
later, -tris (m) baksteen
legere, legi, lectum, III lezen, verzamelen
lepus, -poris (m) haas
lex, -egis (m) wet
liber, -bri (m) boek
liber, -era, -erum vrij
ludere, lusi, lusum, III spelen

M[bewerken]

magnus, -a, -um groot
malus, -a, -um slecht
manus, -us (f) hand
mare, maris (n) zee
mater, matris (f) moeder
mensa, -ae (f) (eet)tafel
miles, -itis (m) soldaat
monere, monui, monitum, II waarschuwen
mori, mortuum, V (dep.) sterven
mors, -rtis (m) (de) dood
movere, movi, motum, II bewegen

N[bewerken]

narrare, narravi, narratum, I vertellen
navis, -vis (f) schip
nauta, -ae (m) zeeman, matroos
Neapolis, -lis (f) Napels
neglegere, neglexi, neglectum, IV verwaarlozen
nox, noctis (f) nacht

O[bewerken]

occupare, occupavi, occupatus, I bezetten
opus, operis (n) (kunst)werk, hulp
orare, oravi, oratum, I bidden

P[bewerken]

parvus, -a, -um klein
pater, -tris (m) vader
patria, -ae (f) vaderland
pecunia, -ae (f) geld
pes, pedis (m) voet
pirata, -ae (m) piraat, zeerover
poeta, -ae (m) dichter
praeparare, praeparavi, praeparatum, I voorbereiden
prudens, -ntis zedig
puella, -ae (f) meisje
puer, -eri (m) jongen
pugnare, pugnavi, pugnatum, I strijden, vechten
pulcher, -chra, -chrum mooi
puppis, -pis (f) achtersteven

Q[bewerken]

quattuor vier
Quintus, -i (m) Quintus

R[bewerken]

regere, rexi, rectum, III besturen, regeren
rebellare, rebellavi, rebellatum, I in opstand komen
res, rei (f) zaak, ding
res publica, -ae (f) staat, republiek
rem gerere, gressi, gestum, IV oorlog voeren
rex, regis (m) koning
Roma, -ae (f) Rome
rosa, -ae (f) roos

S[bewerken]

saepe dikwijls
sculptor, -toris (m) beeldhouwer
securis, -ris (f) bijl
semper altijd
servus, -i (m) slaaf
similis, -ile gelijk
sitis, -tis (f) dorst
spectare, spectavi, spectatum, I (+acc) kijken naar
stare, steti, statum, I staan
structor, -toris (m) metselaar
subicere, subieci, subiectum, V onderwerpen
sustinere, sustinui, sustentum, II verdragen

T[bewerken]

taberna, -ae (f) kroeg
templum, -i (n) tempel
tribus, -us (f) stam
turris, -ris (f) toren
tussis, -sis (f) hoest(bui)

U[bewerken]

ubi waar, daar waar
umbra, -ae (f) schim, geest
urbs, -bis (f) stad
uti, usum, IV (+abl.) (dep.) gebruiken

V[bewerken]

venator, -toris (m) jager
venari, venatum, I (dep.) jagen
Venditor clandestinus, -toris clandestini (m) dealer (lett. 'clandestine verkoper')
venire, veni, ventum, IV komen
ver, veris (n) lente
vertere, verti, versum, III keren, wenden, draaien
vestis, -tis (f) kleding(stuk)
vetus, -tus oud
videre, vidi, visum, II zien
vincere, vinci, victum, III (over)winnen
vinum, -i (n) wijn
vir, -ri (m) man
vis, vim (acc.), vi (abl.) (f) kracht, geweld
vituperare, vituperavi, vituperatum, I vermanen, verwensen
volvere, volvi, volutum, III rollen

Z[bewerken]

zinzilulare, zinzilulavi, zinzilulatum, I kwetteren


Latijn Les 1 - Les 2 - Les 3 - Les 4 - Les 5 - Les 6 - Les 7 - Les 8 - Les 9 - Les 10 - Les 11 - Les 12 - Les 13 - Les 14 - Les 15 Het schrift - Uitspraak - Naamwoorden - Werkwoorden Woordenlijst
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.