Latijn/Les 6

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Latijn Les 1 - Les 2 - Les 3 - Les 4 - Les 5 - Les 6 - Les 7 - Les 8 - Les 9 - Les 10 - Les 11 - Les 12 - Les 13 - Les 14 - Les 15 Het schrift - Uitspraak - Naamwoorden - Werkwoorden Woordenlijst

Dativus possessivus; persoonlijke voornaamwoorden; Perfectum; Adiectiva op -er[bewerken]

In deze les leren we hoe een Romein "ik heb ..." zei, breiden we de adiectiva een beetje uit, maken we eindelijk kennis met ik, jij etc. en leren we hoe we kunnen vertellen wat er in het verleden gebeurde. Voorts nemen we het naamwoordelijk gezegde wat nader onder de loep.

Voorbeeldzinnen[bewerken]

1. Servus mihi est. Ik heb een slaaf (lett. "De slaaf is aan mij").
2. Domino servi sunt. De meester heeft slaven (lett. "De slaven zijn aan de meester").
3. Trans forum ambulavit. Hij liep over het forum.
4. Gladiator gladium strinxit et retiarium interfecit. De gladiator trok zijn zwaard en doodde de retiarius.
5. Tibi donum do. Ik geef jou een geschenk.
6. In taberna heri ii et vinum bibi. Gisteren ging ik naar een taberna en dronk wijn.
7. Caesar Galliam invasit et Gallos vicit. Caesar viel Gallië binnen en overwon de Galliërs.
8. Veni, vidi, vici. Ik kwam, ik zag, ik overwon.
9. Nos vos laudavimus. Wij prezen jullie.
10. Vos nos laudavistis. Jullie prezen ons.

Persoonlijke voornaamwoorden[bewerken]

We hebben ze tot nu toe met klem buiten beschouwing gelaten omdat de Romeinen ze ook niet gebruikten als ze niet nodig waren. Maar bij tijd en wijle zijn ze toch nodig. Vooral als ze als lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en dergelijke gebruikt worden. Aangezien het Latijn nogal lastig doet over het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon, beperken we ons nu even tot de eerste en tweede, zowel enkel- als meervoud:

 
1e pers.
2e pers.
 
sing.
plur.
sing.
plur.
nom.
gen.
dat.
acc.
abl.
ego
mei
mihi
me
me
nos
nostri
nobis
nos
nobis
tu
tui
tibi
te
te
vos
vestri
vobis
vos
vobis

Voorbeelden:

Tibi donum do. = Ik geef jou een geschenk.
Nos vos laudamus. = Wij prijzen jullie.
Vos nos laudatis. = Jullie prijzen ons.

Het tweede en het derde voorbeeld zijn in meerdere opzichten bijzonder:

  • het onderwerp is expliciet met een persoonlijk voornaamwoord aangegeven, wat het extra nadruk verleent,
  • daar nos en vos zowel nominativus als accusativus kunnen zijn moeten we naar de uitgang van het werkwoord kijken om te bepalen wie het onderwerp en wie het lijdend voorwerp is. Het is hier dus weer belangrijk om eerst de vormen correct te benoemen, alvorens tot een vertaling te komen.

Dativus possesivus[bewerken]

Het Latijn kent een woord voor hebben of bezitten, namelijk habere, een werkwoord uit de E-conjugatie. Daarmee kan men zeggen:

Equum habeo. = Ik heb een paard.

Maar dit was niet de gebruikelijke manier om te zeggen dat je iets had. Een Romein zou veel eerder gezegd hebben:

Equus mihi est. = Ik heb een paard.

Letterlijk betekent mihi equus est: aan mij is een paard. Voor ons Nederlanderstaligen klinkt dat misschien vreemd, maar voor een Romein was het normaal. Omdat er een dativus gebruikt wordt om bezit uit te drukken wordt deze constructie de dativus possessivus, de dativus van bezit, genoemd. De structuur is als volgt: de bezitter (mihi in bovenstaand voorbeeld) staat in de dativus, terwijl het bezit (equus in het voorbeeld) in de nominativus staat.


Het werkwoord: de stamtijden[bewerken]

Voordat we met de verleden tijd aan de slag gaan eerst nog dit: tot nog toe hebben we slechts 7 vormen van het werkwoord gezien, namelijk de infinitivus en de vervoeging van het werkwoord in de tegenwoordige tijd. Om andere tijden te vormen moeten we nieuwe vervoegingen leren en nieuwe stamtijden. Maar wat zijn stamtijden? Laten we dit aan de hand van een voorbeeld bekijken: monere, een E-conjugatie werkwoord dat waarschuwen betekent.

Om de infinitivus en de 6 vormen van de tegenwoordige tijd te vormen gaan we uit van de zogenaamde infinitivusstam, te weten: mone-. De reden voor de naam is eenvoudig: neem de infinitivus, haal de uitgang -re er af en voilá je hebt één van de stammen. De infinitivusstam is de eerste van de 3 stamtijden.

Nu de tweede stamtijd:

monui = ik heb gewaarschuwd

Om de vorm monui te construeren, moeten we -i achter de zogenaamde perfectumstam plaatsen. De perfectumstam is in dit geval monu-. De perfectumstam is de tweede van de drie stamtijden. Hij wordt zo genoemd omdat hij kan worden afgeleid van een vorm uit het perfectum (zie volgende paragraaf).

Rest ons nog de derde stamtijd te introduceren: de supinumstam. Wat een supinum is zal later nog aan bod komen. Wat belangrijker is: het Latijnse voltooid deelwoord wordt van de supinumstam afgeleid:

monitus = gewaarschuwd

Bij de werkwoorden van de A-conjugatie kunnen de perfectumstam en de supinumstam vaak van de infinitivusstam afgeleid worden. Maar bij de overige conjugaties is dat niet het geval. Daarom is het beter om de stamtijden altijd uit het hoofd te leren.

Hier volgen de stamtijden van alle werkwoorden die we in les 1 tot en met 5 gehad hebben (irr. is de afkorting van irregularis = onregelmatig); soms bestaat er geen supinumstam en een enkele keer ook geen perfectumstam:

1. adire adii aditum (I) irr. gaan naar
2. amare amavi amatum (A) beminnen
3. ambulare ambulavi ambulatum (A) lopen, wandelen
4. arare aravi aratum (A) ploegen
5. audire audivi auditum (I) horen
6. bibere bibi (C) drinken
7. cogitare cogitavi cogitum (A) denken, nadenken, overdenken
8. currere cucurri cursum (C) rennen
9. custodire custodivi custoditum (I) bewaken
10. dare dedi datum (A) geven
11. desinere desii desitum (C) ophouden (met), stoppen (met)
12. docere docui doctum (E) onderwijzen
13. donare donavi donatum (A) geven, schenken, begiftigen
14. ducere duxi ductum (C) leiden
15. emere emi emptum (C) kopen, nemen
16. esse fui (E) irr. zijn
17. ferire ferivi feritum (I) slaan
18. ferre tuli latum (C) irr. dragen
19. florere florui (E) bloeien
20. gerere gessi gestum (C) voeren (van oorlog)
21. inicere inieci iniectum (C) iets ergens in gooien
22. inscribere inscripsi inscriptum (C) (op)schrijven
23. intrare intravi intratum (A) binnengaan
24. interficere interfeci interfectum (G) doden
25. invadere invasi invasum (C) binnenvallen, binnendringen
26. ire ii itum (I) gaan
27. laborare laboravi laboratum (A) werken
28. laudare laudavi laudatum (A) prijzen, loven
29. monere monui monetum (E) waarschuwen
30. narrare narravi narratum (A) vertellen
31. noctescere (C) nacht worden
32. olere olui (E) stinken, rieken
33. orare oravi oratum (A) bidden
34. pernoctare pernoctavi pernoctatum (A) overnachten
35. plaudere plausi plausum (C) klappen, toejuichen
36. portare portavi portatum (A) dragen
37. pugnare pugnavi pugnatum (A) vechten, strijden
38. salutare salutavi salutatum (A) groeten
39. spectare spectavi spectatum (A) kijken (naar), bekijken
40. stare steti statum (A) (blijven) staan
41. stringere strinxi strictum (C) trekken (bv. van een zwaard)
42. transire transii transitum (I) irr. oversteken
43. tundere tutudi tunsum (C) slaan, hameren
44. ululare ululavi ululatum (A) huilen
45. venire veni ventum (I) irr. komen
46. videre vidi visum (E) zien
47. vincere vici victum (C) overwinnen
48. vituperare vituperavi vituperatum (A) vermanen, berispen

Leer ze goed!

Perfectum: voltooid tegenwoordige tijd tijd[bewerken]

Tot nu toe hebben we alleen nog maar de tegenwoordige tijd van de werkwoorden gezien. Om precies te zijn de onvoltooid tegenwoordige tijd of met een Latijnse term praesens. Daar gaan we nu verandering in brengen door een nieuwe tijd te leren: de voltooid tegenwoordige tijd of, weer met een Latijnse term, het perfectum.

Het perfectum wordt gevormd door de uitgangen -i, -isti, -it, -imus, -istis en -erunt achter de perfectumstam te plaatsen. Dit geldt voor alle conjugaties en onregelmatige werkwoorden. Eventuele onregelmatigheden zitten in de perfectumstam zelf.

Als voorbeeld nemen we amare:

inf.
amare
beminnen
stam
amav-
 
1. s.
2. s.
3. s.
1. p.
2. p.
3. p.
amavi
amavisti
amavit
amavimus
amavistis
amaverunt
ik heb bemind
jij hebt bemind
hij/zij/het heeft bemind
wij hebben bemind
jullie hebben bemind
zij hebben bemind

En hier zijn de onregelmatige werkwoorden esse en ire:

inf.
esse
zijn
ire
gaan
stam
fu-
 
i-
 
1. s.
2. s.
3. s.
1. p.
2. p.
3. p.
fui
fuisti
fuit
fuimus
fuistis
fuerunt
ik ben geweest
jij bent geweest
hij/zij/het is geweest
wij zijn geweest
jullie zijn geweest
zij zijn geweest
ii
isti
iit
iimus
istis
ierunt
ik ben gegaan
jij bent gegaan
hij/zij/het is gegaan
wij zijn gegaan
jullie zijn gegaan
zij zijn gegaan

Zoals je ziet, het enige onregelmatige is de stam.

Primair geeft het perfectum in het Latijn aan dat iets in het verleden gedaan of gebeurd is en nu afgelopen is. Als een Romein daarom een verhaal vertelde dat zich in het verleden afspeelde gebruikte hij daarvoor het perfectum.

Trans forum ambulavit. = Hij liep over het forum. of: hij heeft over het forum gelopen.

Hij liep over het forum (maar nu niet meer) geeft aan dat de handeling (lopen) zich in het verleden afspeelde en ook in het verleden reeds geëindigd is. Daarom gebruikte de Romein het perfectum, de voltooid tegenwoordige tijd, en niet zoals wij Nederlandstaligen dat doen, de onvoltooid verleden tijd.

Laten we als voorbeeld Caeser zelf nog even aan het woord:

Veni, vidi, vici. = Ik kwam, ik zag, ik overwon, maar dit zou ook: ik ben gekomen ik heb gezien en ik heb overwonnenk= kunnen zijn.

Door het gebruik van een andere stam is het perfectum bijna altijd van het praesens te onderscheiden. Maar soms kan er verwarring optreden:

Vinum bibit. = Hij drinkt/dronk wijn.

Voor het praesens van bibere geldt: bib + i + tbibit = hij drinkt. Maar voor het perfectum geldt: bib + itbibit = hij dronk. Of het praesens dan wel perfectum moet zijn moet dan uit de context bepaald worden:

In taberna heri ii et vinum bibit.

In dit voorbeeld is heri (gisteren) een goede aanwijzing dat het om een verleden tijd gaat.

Adiectiva uit groep 1 op -er[bewerken]

De adiectiva uit de eerste groep zijn eigenlijk naamwoorden die, net als de substantiva, bij een declinatie horen. Zo vreemd is dat natuurlijk niet, want het zijn naamwoorden die vervoegd worden en waarvan de stam ergens op moet eindigen. De Groep 1 adiectiva bestaan uit adiectiva die ofwel bij de A- ofwel bij de O-declinatie horen. Het verschil tussen A- en O-declinatie is niet meer te zien.

Maar net als bij substantiva uit de O-declinatie die eindigden op -rus (in de nom. enkelvoud) vertonen de adiectiva die in de nom. enkelvoud mannelijk op -rus zouden eindigen wat klankveranderingen:

equus pulcher = een mooi paard
gemma pulchra = een mooi juweel
homo liber = een vrije man
femina libera = een vrije vrouw

Afhankelijk of het adiectivum oorspronkelijk een e voor de r had staan of niet, wordt de e ook behouden of niet.

De vervoeging van pulcher, mooi:

masculinum
sing. plur.
nom. pulcher pulchri
gen. pulchri pulchrorum
dat. pulchro pulchris
acc. pulchrum pulchros
abl. pulchro pulchris
femininum
sing. plur.
pulchra pulchrae
pulchrae pulchrarum
pulchrae pulchris
pulchram pulchras
pulchra pulchris
neutrum
sing. plur.
pulchrum pulchra
pulchri pulchrorum
pulchro pulchris
pulchrum pulchra
pulchro pulchris


En de vervoeging van liber, vrij:

masculinum
sing. plur.
nom. liber liberi
gen. liberi liberorum
dat. libero liberis
acc. liberum liberos
abl. libero liberis
femininum
sing. plur.
libera liberae
liberae liberarum
liberae liberis
liberam liberas
libera liberis
neutrum
sing. plur.
liberum libera
liberi liberorum
libero liberis
liberum libera
libero liberis

Afgezien van de nominativus enkelvoud mannelijk is de vervoeging dus gelijk aan die van bonus.


Naamwoordelijk gezegde[bewerken]

In les 1 hebben we er al kennis mee gemaakt, maar we hebben er niet veel over gezegd: het naamwoordelijk gezegde. Nu gaan we er wat dieper op in.

Laten we het voorbeeld uit les 1 er nog eens bij halen:

nauta sum ik ben een matroos nautae sumus wij zijn matrozen
nauta es jij bent een matroos nautae estis jullie zijn matrozen
nauta est hij is een matroos nautae sunt zij zijn matrozen

In een naamwoordelijk gezegde verbindt een koppelwerkwoord (in dit geval esse) een eigenschap aan het onderwerp, ook als het onderwerp niet vermeld is (zoals in de voorbeelden hierboven). Die eigenschap kan worden uitgedrukt door een substantivum of een adiectivum, het zogenaamde naamwoordelijk deel van het gezegde:

Flavia ancilla est = Flavia is een slavin (substantivum)
Flavia pulchra est = Flavia is mooi (adiectivum)
Puer servus est = de jongen is een slaaf (substantivum)
Puer magnus est = de jongen is groot (adiectivum)
Aedificium amphitheatrum est = het gebouw is een amfitheater (substantivum)
Aedificium rotundum est = het gebouw is rond (adiectivum)


Het Latijn kan behalve het persoonlijk voornaamwoord ook het werkwoord esse weglaten. Bovenstaande voorbeelden kunnen daarom ook als volgt geschreven worden, zonder verlies van betekenis:

Flavia ancilla = Flavia is een slavin
Flavia pulchra = Flavia is mooi
Puer servus = de jongen is een slaaf
Puer magnus = de jongen is groot
Aedificium amphitheatrum = het gebouw is een amfitheater
Aedificium rotundum = het gebouw is rond


Net als bij het substantivum en een bijbehorend adiectivum treedt er tussen het onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde een vorm van congruentie op: het naamwoordelijk deel van het gezegde heeft hetzelfde getal en naamval als het onderwerp. Aangezien het onderwerp altijd in de nominativus staat, staat ook het naamwoordelijk deel van het gezegde altijd in de nominativus. Indien het naamwoordelijk deel een adiectivum is moet ook het geslacht overeenkomen met dat van het onderwerp:

1. Villa aedificium [est] = de boerderij is een gebouw
2. Villa magna [est] = de boerderij is groot

In de eerste zin worden twee substantiva aan elkaar verbonden, namelijk villa dat een vrouwelijk substantivum is, en aedificium dat een onzijdig substantivum is. Zowel villa als aedificium staan in de nominativus en het enkelvoud, maar ze hebben een verschillend geslacht.

In de tweede zin wordt een substantivum met een adiectivum verbonden, namelijk villa en magna. Zowel villa als magna staan in de nominativus, vrouwelijk enkelvoud, dus het adiectivum heeft ook het geslacht van het onderwerp overgenomen.

Terminologie[bewerken]

praesens
de onvoltooid tegenwoordige tijd.
perfectum
de voltooid tegenwoordige tijd.
naamwoordelijk gezegde
een gezegde waarbij een koppelwerkwoord een eigenschap aan het onderwerp toekent.
copula
Latijnse term voor koppelwerkwoord.


Woordenlijst[bewerken]

aedificium, -i (n) gebouw
ante (+acc) voor
caupona, -ae (f) kroeg, herberg
circus, -i (m) renbaan
Circus Maximus (m) het Circus Maximus in Rome
excedere, excessi, excessum verlaten, weggaan (uit); (ex) A[abl] excedere: uit A weggaan
habere, habui, habitum (E) hebben, bezitten
heri gisteren
Gallia, -ae (f) Gallië
Gallus, -i (m) Galliër
ibi daar
imperator, imperatoris (m) keizer
inire, inii, initum (I) binnengaan; (in) A[acc] inire: A binnengaan
inspectare, inspectavi, inspectatum (A) kijken naar
legere, legi, lectum (C) lezen
liber, -era, -erum vrij
liber, -bri (m) boek
ludi circenses (m) circusspelen
ludus, -i (m) spel; meervoud: openbare spelen
nomen, nominis (n) naam
paulo serius even later
porta, -ae (f) poort
Porta Capena (f) de Porta Capena: een poort in de stadsmuur (de muur van Servius Tullius) waar de via Appia doorheen liep.
postea daarna
pulcher, -chra, -chrum mooi
rotundus, -a, -um rond
uxorem ducere, duci, ductum (C) huwen (van de man); A[acc] uxorem ducere: A huwen
via Appia (f) de via Appia, een van de belangrijkste wegen die in en uit Rome leidden.
villa, -ae (f) boerderij, landgoed

Oefeningen[bewerken]

  • Vertaal naar het Nederlands:
  1. Agricolae agros araverunt.
  2. Aratra equique agricolis sunt.
  3. Ego tibi libros dedi.
  4. Tu mihi libros donavisti.
  5. Quintus Flaviam pulchram uxorem ducit.
  6. Caius Iulius Caesar imperator.


  • Een bezoek aan een vriend:
Mihi amicus est. Nomen amici Caius. Heri in via Appia ambulavi et per Portam Capenam in Romam inii. Paulo serius Circum Maximum vidi. Ibi amico ante portam circi obviam fui. Circum intravimus et ludos circenses inspectavimus. Postea ex circo excessimus et cauponam intravimus. Ibi vinum bibimus.


  • Benoem de vormen (alle vormen als er meerdere zijn):
  1. pulchrarum
  2. aedificio
  3. libris
  4. stetisti
  5. regis
  6. vinco
  7. cauponis
  8. excessistis
  9. liberis
  10. init
  11. iniit
  12. imperatoribus


  • Vul de juiste woorden in aan de hand van de vertaling:
1. Puella ... est. Het is een mooi meisje.
2. Ex ... discedo. Ik verlaat het theater.
3. Agricolae ... ...que sunt. De boer heeft een ezel en een paard.
4. Servum ab mangone ... . Ik kocht een slaaf van de slavenhandelaar.
5. Homo ... ... legit. De vrije man leest een boek.


  • Geef het perfectum van de volgende woorden.
Voorbeeld:
ducere leiden
1. s. duxi
2. s. duxisti
3. s. duxit
1. p. duximus
2. p. duxistis
3. p. duxerunt
  1. excedere
  2. inscribere
  3. ululare
  4. stare
  5. ire
  6. dare
  7. ambulare
  8. ferire
  9. esse
  10. audire


Latijn Les 1 - Les 2 - Les 3 - Les 4 - Les 5 - Les 6 - Les 7 - Les 8 - Les 9 - Les 10 - Les 11 - Les 12 - Les 13 - Les 14 - Les 15 Het schrift - Uitspraak - Naamwoorden - Werkwoorden Woordenlijst
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.