Sociale geschiedenis van Europa 1500-1795/Decadentie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Leven in de absolute monarchie
  3. Rechtspraak
  4. (Contra)reformatie
  5. Alfabetisering
    1. Bijlagen bij Alfabetisering
  6. Wellevendheid
  7. Tafelmanieren, keuken en goede smaak
  8. Gezin
  9. Het kind
  10. Adolescentie
  11. Ontsnappen aan de familietucht
  12. Van geestelijke verwantschap naar gezelligheid
  13. Sociale controle
  14. Charivari's in de Nederlanden
  15. Jeugdbendes
  16. Boerderijen
  17. Familie en erfrecht op het platteland
  18. Parijs
  19. Goede naam en lettres de cachet
  20. Intimiteit: plaatsen en voorwerpen
  21. Liefde en vriendschap
  22. Decadentie
  23. Revolutie

22. Decadentie

Koning[bewerken]

Madame de Pompadour, maîtresse van Lodewijk XV van Frankrijk door François Boucher
Joseph Furttenbach, Vuurwerk, 1645
Illustratie bij Nederlandse uitgave van Juliette, Markies de Sade, 1800

De Franse koning hield hof in Versailles. Hij leefde daar in het publiek en voerde doorlopend een voorstelling op. Alles gebeurde in een ceremonieel met een strenge en onveranderlijke etiquette. Hier was de koning nors en zwijgzaam. Elke dag trok hij zich even terug in zijn privévertrekken, die naast de statievertrekken lagen. Iedereen kon zich in het openbaar tot de koning richten maar een particuliere audiëntie in zijn privévertrekken was maar voor weinigen weggelegd. Hier legde de koning zijn masker af. Hier was hij met zijn vertrouwelingen en kameniers en hier ontving hij zijn kinderen en architecten. Hier keek hij naar toneelvoorstellingen of luisterde naar kleine concerten. Later kreeg hij ook verborgen appartementen met salons, galerijen, een bibliotheek en een tuin. Het was een zeer groot voorrecht om daar uitgenodigd te worden. Daar leefde de koning met zijn maîtresse en vertrouwelingen, hij gaf er soupers (avondmaaltijd of diner) aan een twaalftal vaste gasten, die vrijuit mochten spreken. Hier was de koning vrolijk, beminnelijk en gewoon.

Hoge adel[bewerken]

Na de prinsenopstand had Lodewijk XIV de hoge edelen hun politieke en militaire macht afgenomen en had hij ze naar het hof gehaald om ze goed in de gaten te kunnen houden. Ook zij hadden geen persoonlijk leven. De koning kende al hun (familie)geheimen en het hing af van zijn goede wil hoe hij daarmee omging. Zij woonden in Versailles in stinkende kamertjes op de tussenverdieping of op de vliering en waren doorlopend bang om afgeluisterd te worden, dus zij hadden nauwelijks een gezins- of een vriendschapsleven. Zij moesten meedoen aan de ceremonies van de koning en doorlopend veinzen dat zij moeiteloos elegant waren en perfecte hovelingen[1]. Ook zij wilden hun masker wel eens af kunnen zetten en daarvoor trokken ze zich terug in hun "hôtels" en salons in Parijs. Daar kon men het eigen ik observeren, analyseren en beschrijven.

Hele aristocratische families ruïneerden zichzelf door om grof geld te kaarten. En zij speelden graag seksuele spelletjes in hun buitenhuizen. Daar lieten zij verborgen kamers bouwen, geheime gangen en schuifpanelen met allerlei mechanismes en machines via welke de heer zijn geheime liefde in de verborgen kamer kon bezoeken. Er kwamen ook hele netwerken van buizen om anderen mee af te luisteren en men installeerde spiegels met gaatjes erin om iemand vanaf een donkere plaats te kunnen bespionneren. Na 1750 ontstond er een libertijnse wereld waarover onder anderen Markies de Sade zijn sadistische romans schreef.

Voorbeeld: parlementsvoorzitter in de provincie[bewerken]

Als voorbeeld de president van het parlement te Toulouse, rond 1750. Hij was buitengewoon rijk. Door zijn beroep kon hij niet trouwen uit vriendschap of liefde. Hij trouwde met een vrouw uit Parijs via wie hij leden van het Parijse parlement leerde kennen, wat hem zeer van pas kwam. Hij had geen tijd voor pleziertjes, heel zijn leven bestond uit ceremonies en uiterlijk vertoon. Hij wist precies hoeveel passen hij vooruit moest lopen en hoeveel passen achteruit. Een magistraat mocht volgens hem nooit lachen. Verder moest hij gul zijn vanwege zijn sociale status, daarom was hij peetvader van een bekeerde Jood, gaf hij als mecenas geld aan geleerden en aan de académie des sciences, gaf geld aan de armen en onthaalde gasten in zijn hotel. Maar ook dat was uit plicht, want hij hield helemaal niet van wetenschap en ook niet van het toneel waar hij zich regelmatig moest laten zien.

Hij moest iedereen die meetelde ontvangen. Hij gaf elke avond soupers en ontvangsten. Bij speciale gelegenheden (het huwelijk of de genezing van de koning, of als de kroonprins trouwde) gaf hij soupers voor wel 100 gasten met vuurwerk, verlichting en wijnfontijnen in zijn hotel. Hij was een grand seigneur en vertegenwoordiger van de koning. Hij was verplicht om een weelderig leven te leiden. Zijn enorme toelage was niet voldoende om de kosten van zijn levensstijl te dekken: ook de rente van zijn eigen vermogen was daarvoor nodig. Hij had dan ook hoge representatieve kosten: hij kocht zijn statiekleding, verlichting, vuurwerk, rijtuigen en paarden in Parijs. Ook zijn kok kwam natuurlijk uit Parijs. Etenswaren en specerijen liet hij uit Bordeaux komen. Wijn uit Bourgogne. Hij had veel huispersoneel, 3 koetsen en een secretaris en vertrouwensman. In ruil voor dit leven vol plichten verwachtte hij respect en verering van het volk.

In die tijd was er een opvatting over het huwelijk in de mode waarin geen plaats was voor intimiteit[2]. Het gezin was noch voor de koning noch voor de aristocratie een toevluchtsoord waar ze genegenheid konden vinden. Ze vonden hun gezin vervelend en ze ontvluchtten het vaak mogelijk.

De vrouw van de parlementspresident had in het huwelijkscontract laten vastleggen dat ze in Parijs bleef wonen. Zij kreeg twee dochters. Het was toen al lang uit de mode om zo veel mogelijk kinderen te krijgen[3].

En hoewel de parlementspresident al veel kastelen en landerijen bezat, kocht hij in 1748 ook nog voor zijn plezier een buitenhuis met een moestuin en een park. Hij zocht daar een (in zijn ogen) eenvoudig comfort zonder al te veel uiterlijk vertoon, waar hij even zijn verplichtingen kon vergeten.

Burgerij[bewerken]

Diderot was afkomstig uit de kleine burgerij in de provincie maar had zich opgewerkt tot een gewaardeerd schrijver en graag geziene gast in de salons. Hij gaf de encyclopédie uit en was heel de dag bezig met drukkers, redacteuren en graveurs. Op het einde van de dag was hij vrij en ging hij naar zijn vrienden om zich te amuseren, of naar het toneel of een salon. En ook hij had een buitenhuis gekocht voor zijn liefdesavonturen.

Op zoek naar vrijheid en schijnbare eenvoud[bewerken]

Rond 1750 kregen veel mensen in de hogere kringen genoeg van het rationele leven van de Verlichting. Net als Rousseau verlangden ze naar spontane gevoeligheid. Het hart moest zich weer kunnen uiten, men droomde van de stille Zuidzee, van primitieve volkeren zoals de wereldreiziger Bougainville ze had beschreven. Het paradijs van Tahiti en de gelukkige en onschuldige mens in de natuur. Daarom lieten de aanzienlijken "folies" (gekkigheden) voor zich bouwen, buitenhuizen dichtbij maar net buiten Parijs, met uitzicht op de (vaak nagemaakte) natuur. De koning had zijn vrouw een folie gegeven waar ze boerinnetje kon spelen. De aanzienlijken die in luxe gebaad hadden in een leven vol verplicht ceremonieel, wilden nu wel eens een "alledaags" leven leiden.

Huisdieren[bewerken]

In de achttiende eeuw gingen de aristocraten steeds vaker huisdieren houden: honden en vooral poezen. Die vertroetelden ze en dirkten ze op alsof het dierbare kinderen waren. Door deze dieren geschikt te kruisen, werden ze steeds kleiner en "liever" gemaakt.

Bron[bewerken]

Geschiedenis van het persoonlijk leven. Van de renaissance tot de Verlichting.
Onder redactie van Philippe Ariès, Georges Duby en Roger Chartier.
ISBN 90-5157-018-x
1986 Editions du Seuil, Paris
1989 Agon, Amsterdam
Betreffende hoofdstuk geschreven door: Nicole Castan, Universiteit van Toulouse

Noten[bewerken]

  1. Hij moest naar buiten toe vooral elegant zijn. Het ging uitsluitend om de uiterlijke schijn. Veinzen moest een manier van leven worden.
  2. Rond 1740 had een man geen gevoelens van tederheid voor zijn vrouw en kinderen, dat zou van slechte smaak getuigen.
  3. In de zeventiende en achttiende eeuw kwamen er steeds meer vrouwen die niet meer doorlopend zwanger wilden zijn, want door al die zwangerschappen werden ze lelijk en oud.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.