Sociale geschiedenis in de literatuur 1500-1795/Renaissance

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Middeleeuwen
  2. Renaissance
  3. Barok
  4. Classicisme
  5. Memoire en journaal
  6. Engels dagboek
  7. Medisch journaal
  8. Roman
  9. Bronnen en links

2. Renaissance

Inleiding[bewerken]

De renaissance was een stroming in de westerse cultuur die duurde vanaf de middeleeuwen tot circa 1580[1] (Zie ook het wikiboek Italiaanse renaissance). Renaissance betekent "wedergeboorte", want onder impuls van de humanisten ging men weer de Griekse en Latijnse boeken van de Oudheid lezen en kwam daardoor opnieuw in contact met de ideeën uit de Oudheid. Deze boeken en ideeën waren meegenomen door vluchtelingen uit Byzantium dat in 1453 door de moslims veroverd werd.

De aandacht van de mensen, die tijdens de middeleeuwen nog zeer op God en het hiernamaals gericht waren geweest, verschoof nu meer naar de mens: de mens werd de maat van alle dingen.

Het laatste deel van de renaissance wordt het maniërisme (circa 1525-1580) genoemd.

Rabelais[bewerken]

François Rabelais
Ronsard
Montaigne

De humanist Rabelais (1494-1553) bouwde, net als Michel de Montaigne, een eigen kennis op, los van alle geaccepteerde ideeën en opvattingen. Hij was weliswaar geboren in de Renaissance maar in zijn geschriften nam hij het kluchtige van de middeleeuwse volkscultuur over. Hij beschreef, in de taal van de straat, het middeleeuwse carnaval met zijn reuzen en gekken. Het lichaam en de materie waren zijn thema's. Zo schreef hij een hoofdstuk over de uitvinding van het pleepapier en een hoofdstuk waarin iemand zijn bewonderaars uit Parijs onderplaste. Dat was allemaal zeer in tegenspraak met de toentertijd alom geaccepteerde, aristocratische, christelijke, humanistische en hoofse visie op de mens.

In de middeleeuwen werd (de beschrijving van) het lichaam en zijn functies nog sociaal geaccepteerd, maar na 1550 begon men dit aanstootgevend te vinden onder invloed van de wellevendheidsliteratuur. De mensen werden door de kerk en de staat steeds meer in de wellevendheid opgevoed en daardoor werden het lichaam en vooral de seksualiteit steeds meer taboe verklaard.

Doordat Rabelais de middeleeuwse volkscultuur overnam, greep hij ook terug op een tijd dat er nog geen enkele privé-levenssfeer bestond[2].

Ronsard[bewerken]

Pierre de Ronsard (1524-1585) was een dichter van de Pléiade die schreef over het denkende "ik", zijn verlangens, angsten en liefdes. Hij beschreef zijn eigen ervaringen en gevoelens in de ik-vorm en overpeinsde het voortglijden van de tijd. Hij gebruikte daarvoor de ode en het sonnet. Zijn gedichten werden vaak op muziek gezet en in het openbaar gezongen, hetgeen eigenlijk nog een middeleeuwse manier van doen was. Later zou het individu in stilte en alleen gaan lezen[3].

De middeleeuwse dichter François Villon had nog de mensen beklaagd die afgescheiden waren geraakt van de christelijke gemeenschap[4] maar Ronsard was zich bewust van zijn afzondering en liet zich daardoor inspireren.

Ronsard vond de eenzaamheid een kwaad en hij vond de dood een mislukking van het lichaam. Hij gaf realistische beschrijvingen van het lijden en de aftakeling van het lichaam. In de middeleeuwen werden het lijden en de dood nog publiekelijk getoond in de beelden die in de kerk en op de begraafplaatsen stonden. Onder de invloed van de wellevendheidsliteratuur werd het schrijven over lijden en dood tussen 1500-1750[5] en vooral tijdens het classicisme (circa 1650-1750) taboe verklaard.

Montaigne[bewerken]

De humanist Michel de Montaigne (1533–1592) wees alle aangeboden en geaccepteerde kennis af. Hij vond dat de mens de erkende en geïnstitutionaliseerde wetenschap moest onderzoeken in een poging om kennis en wijsheid te vergaren. En dat onderzoek zou nooit klaar zijn. Hij las veel om van alles iets te leren en discussieerde veel om zijn verstand te scherpen.

Hij wilde graag rustig en in afzondering leven zodat zijn geest zich met zichzelf kon bezighouden. Maar in die afzondering werd hij overvallen door (soms spookachtige en monsterlijke) fantasieën die hij ging opschrijven in zijn "Essais" in de hoop ze zo te kunnen bedwingen. Montaigne schreef niet alleen in de ik-vorm, hij schreef ook voornamelijk over zichzelf. Hij wilde eerder zichzelf leren kennen dan de buitenwereld. Dit was toentertijd nogal provocerend omdat de meeste mensen nog vonden dat het "ik" geen bron van kennis en wijsheid kon zijn. Zich met je "ik" bezighouden vond men in het beste geval gebeuzel en in het slechtste geval zondig.

Noten[bewerken]

  1. Over het beginpunt van de renaissance zijn de meningen verdeeld. De consensus is dat de renaissance begon in Italië in de 14e eeuw.(Burke, P., The European Renaissance: Centre and Peripheries, 1998.)
  2. Een mens had nauwelijks een privéleven, hij kon niets in zijn eentje doen, "alleen zijn" werd als iets gevaarlijks gezien.
  3. Tussen 1500-1700 ging de elite steeds vaker alleen en in stilte lezen waardoor men op een snelle manier het gelezene rechtstreeks kon verinnerlijken.
  4. Maar het "ik" dat de troubadours in hun liederen gebruikten was niet het "ik" van een uniek individu, want de mens kon en mocht nog niet buiten de gemeenschap staan. Dit "ik" was feitelijk de stem van de gemeenschap en dat zou de gehele middeleeuwen zo blijven in de literatuur.
  5. Tussen 1500-1750 was de ontkenning van het lichaam dermate groot geworden dat men alleen nog maar zijn handen en gezicht waste.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.