Sociale geschiedenis in de literatuur 1500-1795/Classicisme

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Middeleeuwen
  2. Renaissance
  3. Barok
  4. Classicisme
  5. Memoire en journaal
  6. Engels dagboek
  7. Medisch journaal
  8. Roman
  9. Bronnen en links

4. Classicisme

Inleiding[bewerken]

Nicolas Poussin, Sabijnse maagdenroof, classicisme, 1637
Pascal

Het classicisme was een stroming in de westerse cultuur die bestond tussen circa 1650-1720. De rococo (ongeveer 1720-1775) was daar een reactie op. En het neoclassicisme (circa 1775-1810) was weer een reactie op de rococo[1].

Het classicisme wordt ook wel gezien als de rationele vorm van de barok. In ongeveer dezelfde tijd dat vooral in Frankrijk het classicisme opgang maakte, heerste de emotionele barok vooral in Italië en Vlaanderen.

Scheiding tussen publiek en privé[bewerken]

Tijdens het classicisme werd de staat steeds machtiger. Het individu werd onderdaan en de staat wilde hem onder controle krijgen. Verder kreeg de staat de controle over de cultuur, over de productie van goederen en kreeg hij het monopolie op geweld.

Tegelijkertijd trokken de mensen zich steeds meer terug in hun huis en gezin, ver van de controle van hun buren en de overheid[2]. Het privéleven raakte afgeschermd.

Enerzijds groeide dus de macht van het publieke domein en anderzijds trok men zich steeds meer terug in zijn privédomein.

1) De katholieke kerk vierde de mis als een publiek ritueel maar de kerk propageerde tevens verinnerlijking en gewetensonderzoek[3].
2) De protestanten vierden het avondmaal als een publiek ritueel maar voor hen was een persoonlijke band met de bijbel belangrijker[4].
3) In de steden vonden veel sociale activiteiten plaats op de openbare pleinen maar ook ontwikkelde zich daar het kerngezin van vader, moeder en hun kinderen, dat zich in afgesloten woningen terug kon trekken. En in die woningen waren de slaapkamer en het bed de meest intieme plekken om zich in terug te trekken.
4) In de wellevendheidsboekjes werden nieuwe tafelmanieren voorgeschreven en tevens werd voorgeschreven dat je je lichaam en je seksuele gedrag zo veel mogelijk moest verbergen[5]. Rondom het lichaam kwam een sfeer van geheimzinnigheid, schaamte, clandistiniteit en stilzwijgen.[6].

Sommige activiteiten van het individu werden onderworpen aan de groeiende controle van de staat en andere werden steeds meer weggeduwd in de slaapkamer en het bed.

Classicisme[bewerken]

Het classicisme was rationeel en helder, alles werd tot zijn eenvoudigste grondvormen herleid. Het was streng, statisch en rechtlijnig. En hoewel het classicisme niet meer verwees naar God en het hiernamaals (zoals de barok had gedaan) verwees het altijd naar hogere en algemene abstracties. Als bijvoorbeeld Molière (1622-1673) een gierigaard belachelijk maakte, deed hij dat niet op een manier waardoor men zich met de vrek of zijn naasten kon identificeren maar om te laten zien wat voor gevolgen een dergelijk gedrag in de samenleving had. Over emoties en intimiteit werd gezwegen. Het classicisme was vooral waardig.

Pascal[bewerken]

De classicist Pascal (1623-1662) veroordeelde de renaissancistische Montaigne (1533-1592) die zijn eigen "ik" beschreef. Pascal zag dat als een vorm van narcisme. Het "ik" moest volgens Pascal gehaat worden en het was een dwaze onderneming om zichzelf te beschrijven.

Pascal wilde dat de mensen de confrontatie met zichzelf zouden aangaan in plaats van te vluchten in de opwinding van het wereldse vertier. Pascal stelde het vertier aan de kaak omdat het ver van het intieme wezen van de mens zou liggen. Tijdens de Verlichting werden eenzaamheid en introspectie echter veroordeeld.

Lyrische poëzie[bewerken]

Lyrische poëzie (uit het gevoel voortkomende dichtkunst) bestond nauwelijks tijdens het classicisme. Men wijdde geen verzen meer aan de dood van de geliefde of aan de naderende dood van zichzelf zoals Ronsard in de Renaissance had gedaan. Het persoonlijke leven, het verdriet en het lijden verdwenen onder een dikke laag waardigheid en berusting. De mensen wilden geen lijden en smart meer zien, dat moest ieder maar voor zichzelf verwerken. De poëzie kwam niet meer voort uit de eigen belevenissen en het eigen "ik" van de dichter maar deed een beroep op universele en abstracte waarheden.

De dichter was niet langer een "verdoemde" of een "geïnspireerde". In de komedies werd hij voorgesteld als een beetje een belachelijk en nutteloos persoon. Men maakte een ontluisterende karikatuur van hem. Ofwel werd hij voorgesteld als een groteske betweter ofwel als een boerenkinkel die zich niet aan de regels van de wellevendheid hield.

Molière
Diderot
Thomas More
Bougainville
Rousseau

Klassiek toneel[bewerken]

Het klassieke toneel had vrijwel niets te doen met het dagelijkse leven. Het was op de eerste plaats esthetisch (mooi) bedoeld en pas daarna moreel of religieus: het publiek kon het mooi vinden of niet. Men zoch inspiratie in antieke of Oosterse thema's.

De wellevendheid moest in acht genomen worden. Platvloerse taal werd afgewezen. Het klassieke toneel was vooral waardig.

De toeschouwer van een klassiek toneelstuk kon zich niet identificeren met de lotsbestemmingen, de gesprekken en de ontsporingen van de figuren. Hij kon zich geen voyeur voelen. Dat was zowel bij de komedies als bij de tragedies het geval. Als er al emoties en intimiteiten werden onthuld, dan waren die alleen bedoeld om een algemene en abstracte waarheid te kunnen verkondigen. Zo werden in de komedies weliswaar menselijke ondeugden aan de kaak gesteld, zoals schijnheiligheid, gierigheid[7], te hoge sociale pretenties, goklust en mensenhaat. Maar ook daar kon de toeschouwer zich niet mee identificeren: deze ondeugden werden gebruikt om de algemene uitspraak te doen dat ze nadelige gevolgen hadden in de samenleving.

Classicistisch toneel was meestal een afstandelijk en bevroren ritueel.

Burgerlijk drama[bewerken]

In het burgerlijk drama, zoals dat onder andere door Diderot (1713-1784) werd geschreven, werd de mens niet meer gedefinieerd door zijn eigen natuur, maar door de plaats die hij innam in het grotere geheel van rollen, functies en conventies. Een mens werd volledig bepaald door zijn omstandigheden. De intimiteit van het "ik" werd niet getoond, net als in het klassieke toneel en net als bij Pascal.

Heimwee naar de Middeleeuwen[bewerken]

Gedurende de hele achttiende eeuw had men heimwee naar het verloren gegane gemeenschapsleven van de Middeleeuwen, de tijd dat het lichamelijke en de seksualiteit noch niet verborgen waren onder schaamte.

Diderot stelde dat het schaamtegevoel over seksualiteit een constructie van de mens was. Volgens hem bedreven de mensen hun seksualiteit van oudsher in het verborgene, maar dat deden ze alleen maar omdat ze na de seksuele daad zwak waren en daardoor een prooi voor hun vijanden konden zijn. De rest van het schaamtegevoel zag Diderot als iets kunstmatigs. Op een gegeven moment was de vrouw het bezit van de man geworden en die man zag het als een vorm van diefstal als een andere man zijn vrouw begeerde. Daardoor waren denkbeeldige deugden ontstaan als: eerbaarheid, welvoegelijkheid en schaamte. Die deugden moesten verhinderen dat mensen de wetten zouden overtreden die ze zichzelf hadden opgelegd.

Diderot zag de seksuele daad als iets natuurlijks en hij vond het schijnheilig dat men er niet over sprak, alsof dat pijn aan de mond en de oren zou kunnen doen. Hij vond dat, omdat de seksualiteit een taboe was geworden, de mensen er juist meer over gingen fantaseren.

Klucht[bewerken]

De klucht was een vorm van terugverlangen naar hoe de mensen in Middeleeuwen met elkaar omgingen. Tijdens het classicisme had de literatuur zich geconformeerd aan de wellevendheid en was elke beschrijving van het lichamelijke ongepast. Maar de wellevendheid had het pleit niet zonder slag of stoot gewonnen. De (middeleeuwse) klucht leefde namelijk voort.

Er werden vrolijke kermiskluchten op de jaarmarkten van Parijs gespeeld. Dit waren platvloerse en schuine fantasieën, waar ook aanzienlijke mensen stiekem plezier om hadden.

Vanwege de wellevendheid waren de seksualiteit en het zich ontlasten heimelijke activiteiten geworden waarvoor men zich schaamde. In de klucht werden echter alle obscene functies van het lichaam vrijelijk getoond: vrijen, poepen en piesen, vreten, smakken, zuipen, zweten, braken en schelden[8]. Er werd grove taal en bargoens in de kluchten gebezigd. Dichters werden belachelijk gemaakt.

Utopie[bewerken]

Utopia (1516) van Thomas More (1478–1535) is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van de utopie, maar er zijn er vele tientallen gemaakt, en ook in de achttiende eeuw had de utopie veel succes.

Ook uit de utopie blijkt heimwee naar het gemeenschapsleven van de Middeleeuwen.
In een utopie waren er gezamelijke maaltijden, de opvoeding was collectief, er waren gemeenschapsfeesten, niemand was alleen en iedereen leefde onder het toeziend oog van alle anderen. De huizen hadden deuren noch ramen, niets was geheim. Bougainville (1729-1811) beschreef zelfs een utopie waarin de geslachtsdaad in het openbaar plaatsvond terwijl omstanders het vrijende paar aanmoedigden.

De classicistische periode werd gekenmerkt door de absolute monarchie en dat absolutisme werd ook in de utopie zichtbaar. De vergaande collectiviteit werd in alle utopieën opgelegd door een almachtige staat. Niemand kon zich meer in een privé-leefruimte terugtrekken. Met slechts een beetje kwade wil kan men hier een totalitair systeem in zien.

Diderot zei dat de slechterik altijd alleen is. Door zich terug te trekken in de privésfeer sneed het individu zich van de ander af. Naar eenzaamheid verlangen werd niet zozeer als een vorm van verzet tegen de overheid gezien als wel als een morele ziekte.

Rousseau[bewerken]

Rousseau (1712-1778) vond toneel vreselijk: mensen die in donkere holen weliswaar bij elkaar zaten maar toch gescheiden waren. Hij vond het plaatsen van verderf waar de deugd belachelijk werd gemaakt en waar vrouwen werden getoond. Het toneel symboliseerde volgens hem de aftakeling van de familiezeden en de sociale contacten. Hij zag meer in volksfeesten in de vrije natuur. Een bloemenkrans op een paal was genoeg aanleiding om zo'n feest te beginnen. Er hoefden geen acteurs te zijn, want de mensen waren toeschouwer en acteur tegelijkertijd. Ze zagen elkaar, ze hielden van elkaar en vormden een geheel. Voor Rousseau was deze gemeenschapszin erg belangrijk want hij was bang voor de eenzaamheid. Het was voor hem niet alleen een terugverlangen naar het middeleeuwse samenleven, hij wilde de mens terugbrengen naar zijn natuurlijke toestand. Zijn "natuurlijke mens" was een onmogelijk compromis tussen het terugverlangen naar de Middeleeuwen en de druk van de wellevendheid van het classicisme.

Noten[bewerken]

  1. De jaartallen zijn zeer globaal en verschillen van streek tot streek.
  2. Enerzijds kwam er steeds meer beïnvloeding van het gedrag en sociale controle. Anderzijds vond men steeds meer bescherming binnen het gezin. Dit waren twee kanten van dezelfde munt. Het resultaat was een scheiding van privé- en publiek leven.
  3. Deze verinnerlijking van de christelijke gebruiken werd in de dertiende eeuw door de geestelijken onderwezen. Zij wilden dat iedereen Christus en de heiligen zou navolgen, niet door aan vaste rituelen mee te doen, maar door aan zichzelf te werken en zijn eigen geweten te onderzoeken op weg naar de volmaaktheid.
  4. Protestanten hielden erediensten en avondmalen maar alles wat ze wilden weten stond in de bijbel.
  5. Tussen 1500-1750 was de ontkenning van het lichaam dermate groot geworden dat men alleen nog maar zijn handen en gezicht waste.
  6. Rondom het lichaam kwam een sfeer van geheimzinnigheid, schaamte, taboe en stilzwijgen.
  7. Zoals bijvoorbeeld door Molière.
  8. Gravures uit die tijd tonen dronkenschap, vraatzucht, braken, poep en pis. Ook enkele teksten van Mozart (1756-1791) hadden een dergelijk taalgebruik.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.