Afrikaans/Afrikaanse werkwoorden

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Afrikaans

  1. Bijvoeglijke naamwoorden
  2. Zelfstandige naamwoorden
  3. Werkwoorden
  4. Voornaamwoorden
  5. Klankveranderingen
  6. Ander woordgebruik
  7. Gevaarlijke woorden
  8. Duitse invloed
  9. Andere komaf
  10. Bronnen
Video's
  1. Video 1

De vervoeging van werkwoorden is in het Afrikaans aanzienlijk vereenvoudigd, vergeleken met het Nederlands.

De verleden tijd[bewerken]

Het opvallendste verschil is dat de onvoltooid verleden tijd (praeteritum), zoals "ik praatte, ik liep, wij zagen" in het Afrikaans bij bijna alle werkwoorden verdwenen is. Het Afrikaans kent alleen:

"ek loop - ek het geloop"

Nederlands heeft:

"ik loop - ik liep - ik heb/ben gelopen"

Dat betekent dat de "taakverdeling" van de twee overgebleven tijden anders in het Afrikaans. In die gevallen waarin een Nederlandstalige "liep" zal gebruiken, wordt meestal "het geloop" gebruikt, maar er zijn ook gevallen waarin een uiting in de tegenwoordige tijd omgezet wordt.

Er zijn slechts enkele werkwoorden die nog wel een praeteritum bezitten. Een daarvan is het werkwoord wees ("zijn"), dat nog de onvoltooid verleden tijd "was" kent. Toch wordt ook deze vorm wat anders gebruikt dan in het Nederlands. Het is niet ongebruikelijk een voltooid verleden vorm als "hy was ... gewees" te horen, daar waar een Nederlandstalige "hij was ...." zou gebruiken. De volgende werkwoorden hebben nog een verleden tijd; het zijn voornamelijk (modale) hulpwerkwoorden:

tegenwoordig verleden
is was
kan kon
sal sou
moet moes
wil wou
nog zelden gebruikt:
mag mog
dink dag/dog
het had
weet wis

De vormen[bewerken]

Er zijn maar weinig vormen, meestal dus alleen een tegenwoordige vorm ("loop") en een voltooide (:geloop"):

ek loop - ek het geloop
jy loop - jy het geloop
hy, sy, dit loop - hy, sy, dit het geloop
ons loop - ons het geloop
julle loop - julle het geloop
hulle loop - hulle het geloop

Er zijn dus ook geen verschillende vormen voor de tweede/derde persoon ("loopt) of het meervoud ("lopen). Ook de onbepaalde wijs is eenvoudig "(te) loop". De enige uitzonderingen daarop zijn de werkwoorden "zijn" en "hebben":

wees - ek is - ek het gewees
hê - ek het - ek het gehad


Toekomende tijden worden met het hulpwerkwoord "sal" gevormd

ek sal loop

Net in het Nederlands is hier een verleden tijd van, die een voorwaardelijkheid uitdrukt:

ek sou loop

De enige andere vorm is het tegenwoordig deelwoord "lopende" dat nog minder gebruikt wordt dan in het Nederlands, maar soms wel tot wat afleidende vormen aanleiding geeft.

Het werkwoord "behoren" bijvoorbeeld is "behoort" in het Afrikaans.

dit behoort - dit het behoort

Dit werkwoord heeft dus de -t van de derde persoon geërfd, mogelijk omdat het vooral in derde persoon gebruikt werd. Het tegenwoordig deelwoord is wel 'gewoon' "behorend(e)". Voor Nederlandstaligen is dat allicht makkelijker aan te voelen dan voor bijvoorbeeld een Engelstalige Zuid-Afrikaan die Afrikaans leert. En ja, de meeste Engelstaligen zijn behoorlijk tweetalig.

Sterke werkwoorden[bewerken]

De sterke werkwoordsklasse is in het Afrikaans bijna geheel verdwenen. Bij de paar overgebleven gevallen heeft het Afrikaans veelal een andere vorm behouden dan een Nederlandstalige zou verwachten. Als voorbeeld het werkwoord "verliezen":

ek verloor - ik verlies
ek het verloor - ik heb verloren
ek sal verloor - ik zal verliezen
die verlorende party - de verliezende partij

Soms wordt een sterk voltooid deelwoord nog wel als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, maar niet om de voltooide tijden te vormen:

Die projek is daarom 'n versigtig gekose stel aktiwiteite wat gekies word met die doel om die hulpbronne (tyd, geld, mense, materiale, energie, ruimte, voorrade, kommunikasie, kwaliteit, risiko ens.) sodanig in te span dat die voorafbepaalde doelwitte bereik word.

Lijdende vorm[bewerken]

Zoals in het Nederlands is er een lijdende vorm met "word" (worden) en "wees" (zijn):

dit word gebruik - dit is gebruik
dit sal gebruik word - dit sal gebruik wees.

Ergatieve werkwoorden[bewerken]

In het Nederlands wordt "zijn" ook gebruikt bij sommige voltooide werkwoorden die niet passief zijn, maar een proces of een beweging voorstellen:

het vet stolt - het is gestold
ik val - ik ben gevallen

In het Afrikaans is dit (net als in het Engels) verloren gegaan, en wordt er ek het geval gezegd.

Scheidbaarheid[bewerken]

Het Afrikaans heeft net als het Nederlands basiswerkwoorden (loop), onscheidbare werkwoorden (beloop) en scheidbare werkwoorden (inloop) en zij gedragen zich vergelijkbaar met de Nederlandse werkwoorden.

ek loop - ek het geloop
dit beloop - dit het beloop
jy loop in - jy het ingeloop

Ook de uitgebreide infinitief (met te) gedraagt zich hetzelfde:

te loop
te beloop
in te loop

Deelwoorden[bewerken]

Er zijn verschillen in hoe de deelwoorden gevormd worden.

Werkwoorden op -eer[bewerken]

Zoals in het Duits hoeven deze werkwoorden geen ge- te krijgen in het voltooid deelwoord

Hy het dit probeer.

Sterk en zwak[bewerken]

In de vervoeging van de werkwoorden zijn de voltooide deelwoorden gewoonlijk zwak.

Ek het geskryf -- ik heb geschreven.

Maar als attribuut gebruikt zijn er nog wel sterke vormen

Geskrewe taal.

Soms komen deze naast zwakke vormen voor. De zwakke worden dan vaak in een wat alledaagser context gebruikt

'n geskryfde liedjie
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.