Naar inhoud springen

Paradise Lost van John Milton/Boek VIII

Uit Wikibooks

Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III - Boek IV - Boek V - Boek VI - Boek VII - Boek VIII - Boek IX - Boek X - Boek XI - Boek XII

Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Vertaling: Jan Jakob Lodewijk ten Kate (1875)

ACHTSTE BOEK
(Engelse tekst van Milton: zie Wikisource Paradise Lost/Book VIII)

Adam doet Raphaël verscheidene vragen aangaande den aart
der Hemelsche bewegingen. Hij ontfangt daarop een
onzeker andwoord, en een vermaning om liever naar
zóodanige dingen te vragen, wier kennis hem nuttig
kan zijn.
Hierin stemt Adam toe, en, verlangende om Raphaël nog bij
zich te houden, verhaalt hij hem alles wat sedert zijn
schepping in zijn binnenste is omgegaan , zijn verplaatsing
uit het Paradijs : zijn gesprek met God aangaande de
eenzaamheid; hoe hem een Wederhelft geschonken werd,
en hoe hij zijn blijde bruiloft vierde.
Raphaël geeft hem daarop een wijze les, en keert ten Hemel
weder ...


Reeds zweeg des Engels stem ; nog klonk ze in Adam's oor
Als in een hemeldroom, zoodat hij, gants gehoor,
Steeds scheen te luistren naar die wonderzoete klanken.
In 't eind, daar waakt hij op. „Hoe" — vraagt hij — „U te danken,
Of wat vergelding U te geven uwer waard ?
Gij Goddelijke Tolk, die me alles hebt verklaard
Wanneer mijn kennis dorstte, en dat, nu ik het wete,
Mijn ziel verbaast en Hem wien ik mijn Vader heete,
D' Almachten Schepper, mij te meerder roemen doet !
Toch wordt hier binnen nog éen twijfeling gevoed,
Dien Gij verdrijven kunt. Als ik die hooge heemlen
Aanschouw, die eindloosheid van sterren die er weemlen,
Dan schijnt mij de Aarde in dat onmetelijk gebied
Een spat, een korrel, een klein stofjen, anders niet !
Toch is 't, als wandelden die duizend starrenheiren
Alleen maar langs hun baan in daaglijksch wederkeeren
Opdat hun licht deze Aard, dien stip, ten fakkel zij' !
Wat anders is hun taak ? En vruchtloos vraag ik mij,
Hoe kan natuur, alom zoo spaarzaam, onvolprezen
In wijsheid, hier nu zoo Onevenredig wezen,
Dat zij met milde hand die vele bollen schiep
Slechts tot dit éene doel? dat zij die sfeeren riep
Tot stage wentling, daar de zooveel kleiner Aarde[1]
Die sneller zwaaien zou maar steeds haar rust bewaarde,
Zich dienen laat van warmte en licht, haar aangebracht
Met vlugger spoed dan ooit getal te noemen tracht?"

Dus de Eerste Mensch ; en uit zijn oogen sprak 't verlangen
Om zekerheid ook op die laatste vraag te ontfangen.
Als Eva 't zag, verliet zij 't plekjen waar ze zat,
— Een hoekje' op d' achtergrond van 't loofpriëel — en trad
Naar buiten, groetend met een glimlach zoo bescheiden
En zoo bevallig toch, dat gast en gastheer beiden
Wel wenschten dat zij bleev' ! Reeds zweefde ze in de gaard,
Bloem aller bloemen, om 't ontbottende geblaárt',
De jonge rozen en de vruchten te zien groeien,
Haar kweeking! Alles scheen te ontluiken en te ontgloeien
Van blijdschap waar zij kwam. Niet dat zij henen ging
Dewijl zij vreesde dat die heilge Hemeling
Van dingen spreken mocht die Eva's oor niet voegen,
Te hoog, te moeilijk : neen ! zij spaarde zich 't genoegen
Dat Adam, Adam-zelf, zijn welbeminde vrouw,
Zijn éenge hoorderes, dat al verhalen zou.
Veel liever hoorde zij haar Bruigom dan alle Englen !
Als zij hem vroeg, zou hij zijn wijze lessen menglen
Met zoete woordenkeus, en wat zij niet verstond
Haar duidlijk maken met een kusjen van zijn mond !
O, wáar, wáar wordt er thánds een zalig Paar gevonden,
Door liefde en achting zOo op 't innigste verbonden ?
Zij ging als een Godes : toch ging zij niet alléen :
Onzichtbre Gratiën omdartelden heur schreên ;
En waar zij ommeging, daar ruischte 't om haar henen :
„Blijf, Koninginne ! blijf! waarom zoo ras verdwenen?"

Terwijl gaf Raphael aan Adam dit bescheid :
„Neen, ik misprijs u niet om uw weetgierigheid :
De Hemel is een Boek, door 't Eeuwig Opperwezen[2]
Ontrold, opdat gij daar Zijn wonderdaán zoudt lezen :
Opdat gij leeren zoudt de gang en wisseling
Der jaarseizoenen en den vasten wandelkring
Van uren, dagen, en van maanden, en van jaren.
Om dat te weten, kunt gij 't gissen u besparen
Of de Aarde draait, dan wel de Hemel. Wist gij 't al,[3]
't Ware u niet nuttig. Maar de Bouwheer van 't Heelal
Die niet beoordeeld maar bewonderd moet, trok grenzen
Voor 't schepsel, en verborg voor Engelen en Menschen
Zijn ondoorgrondlijke geheimen. Zoeken zij
Die toch te peilen met vermoedens, dan laat Hij
Des Hemels samenstel aan hun geschillen over.
Hij glimlacht reeds vooruit om 't ijdel eereloover
Waar later Nageslacht zich-zelf meê kroonen zal,
Wanneer 't den Hemel meet, het eindloos starrental
Berekent, heel den bouw der schepping meent te ontleden !
Hoe eenmaal 's Menschen waan Natuurs verborgenheden
Doorwroet, de Hemelsfeer met lijnen overdekt,
En door de cirkels heen' steeds nieuwe cirkels trekt,[4][5]
Alsof hij wondren van 't onleesbaar schrift verwachtte,
Dat zie ik reeds in U, het Hoofd van uw Geslachte !
Een grooter lichaam, dat een kleiner dienst bewijst,
Dunkt u een misgreep, dien ge in 't scheppingsplan misprijst :
Maar glans en grootheid staan met innerlijke waarde
Niets steeds in evenwicht. Die kleine en donkere Aarde
Beschaamt misschien de Zon, die schijnt van 't luchtgewelf,
Maar mooglijk, woest en leêg, onnuttig voor zich-zelf,
Op de Aard heur stralen zendt, die dáar-eerst, opgenomen
Als in een vruchtbren schoot, tot levenswerking komen :
In elk geval bedoelt al 's Hemels licht veel meer
Dan 't stoflijk Aardrijk-zelf, den Mensch, des Aardrijks heer !
En houdt u 't maatloos ruim des Hemels opgetogen
Welnu, dat predike u 't ontzachlijk Alvermogen
Des Scheppers, die zoo ver zijn starpaleizen bouwt,
Zijn meetsnoer uitstrekt en zijn wonderkracht ontvouwt.
'k Herinnere u, o Mensch dat in die groote Woning
— Voor U alléen te groot — de aanbiddelijke Koning
Een kleine plaats u gaf, die gij uw waereld heet,
Voor U voldoende ! En wat de Heer des Huizes deed
Met de andre ruimten, w ie daar leven, wie daar zweven,
Dat geldt Hem, d' Eignaar die de plaatsen heeft begeven !
De spoed, waarmeê ge omhoog die sfeeren wentlen ziet,
Is 't werk dier Almacht, die, daar zij 't Heelal gebiedt,
Aan 't Stoflijke, alszij wil, een snelle vlucht kan schenken
Van 't Geestlijke ! Ik, uw gast, als ik den Heer zag wenken,
Verliet in 't morgenuur den Hemel waar Hij troont,
En groette' eer 't middag werd dit Eden daar gij woont :
Een afstand, nimmer door uw cijfers uitgerekend !
'k Zeg dit, opdat gij ziet wat u w begrip beteekent,
Als gij van afstand of beweging spreekt, en niet
Om toe te stemmen dat in werklijkheid geschiedt[6]
Wat U zoo voorkomt uit uw standpunt op deze Aarde !
God, die zijn wegen aan geen schepsel openbaarde,
Scheidde Aarde en Hemel door een ruimte van elkaar,
Zoo groot, dat 's menschen blik in dingen, wonderbaar,
Voor hem te hoog en dus onnut, zich moet verwarren
Bij 't waanwijs onderzoek van hemelen en starren !
Hoe nu, zoo eens die Zon, schoon wentlende om hare as,
Geen baan doorliep, maar zelf het verste centrum was[7]
Van heel een waereldstel, dat van haar weêrschijn glanste,
Door hare en eigen kracht getrokken, rond haar danste[8]
In onderscheiden kring ? Zaagt gij het Zestal niet[9]
Dat wandelt, elk zijns weegs, doorkruisende 't verschiet,[10]
Nu ver, dan dichterbij, nu laag, dan hoogverheven ?
Hoe nu, zoo de Aarde eens dit Planeetental tot Zeven
Gebracht hadde, om, hoezeer zij stilstaat voor uw oog,
Mee 't Ruim doorsnellend, toch drievoudig zich bewoog ?
Indien zij, werkzaam zelf, bij beurt haar Halfrond richtte
Naar 't Oost, den morgenstond in 't stralend aangezichte
Der Zonne zoekend, als heur andre helft den nacht[11]
Ontmoet? En zoo de Maan haar kalme zilverpracht
Wêer op haar beurt ontleende aan 't licht der Aard ? . . .
[Dan weken
Uw twijfelingen ! dan zoudt gij niet langer spreken
Van heel een Hemel van gestarnten, die alleen
Ten dienste der nietige Aard zich wentlen om haar heen' !
Wie weet, ge ontdekt misschien in 't diep der blauwe boogen
Méer Zonnestelsels nog, door 't Eeuwig Alvermogen
Met schepselen bevolkt : want zou 't waarschijnlijk zijn,[12]
Dat ongemeten Ruim een ziellooze woestijn,
Wel schemerend van licht, maar zonder liefde en leven ?
Toch — hoe dit zij : de Zon moog' fier daarhenen zweven
Als Hemelkoningin, de Aarde onbeweeglijk staan,
De Zon moog' elken dag heur vuurge gloriebaan
In 't Oost beklimmen, of wel de Aard heur wandelwegen,[13]
Beginnen in het West — wees dankbaar voor Gods zegen,
Maar tracht geen blik te slaan in Gods verborgenheên !
Laat ze over aan Hem-zelf, en pleng Hem uw gebeên !
Laat Hem alomme zijn vrijmachtig welbehagen
In wezens toonen, die het beeld des Scheppers dragen,
Zijn naam verheerlijken, elk op zijn eigen wijz' —
Gij — smaak wat Hij U schonk : dit heerlijk Paradijs
En uw schoone Eva ! Wees erkentlijk en bescheiden :
Laat geen nieuwsgierigheid tot vragen u verleiden
Naar verre waerelden ! bepaal u tot deze Aard',
En wat u heden van Gods Hemel is verklaard !"

Toen antwoordde Adam, van zijn twijfeling ontheven :
„Dank, vriendlijke Engel ! voor de lessen mij gegeven !
Gij hebt mijn zorg gesust, gij weest den weg mij aan
Naar 't Ware Leven ! Neen, geen wilde wensch en waan
Van ijdle kennisdorst mag nooit den vreê verstoren,
Het zoet vergallen van wat God ons heeft beschoren,
Een zorgloos, zalig Lot ! -- 't Is immers al te waar,
Verbeelding, plooit zij éens de vleuglen uit elkaar,
Zwerft af, doolt eindloos voort, tot Rede of Ondervinding
Haar stuiten, en de Mensch, uit korte zelfverblinding
Ontwaakt, erkennen moet, „Wat mij geen zegen biedt,
Onvruchtbre wetenschap, is de echte wijsheid niet !"
En daarom, laat ons, uit de hoogte neêrgestreken,
Niet meer bespieglen, maar van nutter dingen spreken,
En acht gij wat ik vraag uw andwoord niet onwaard,
Dan worde 't duister door uw lessen opgeklaard !
'k Hoorde uit uw mond wat hier, éer ik het licht zag stralen,
Gebeurd is : laat me u mijn geschiednis nu verhalen,
U mooglijk niet bekend ! Nog straalt het luchtazuur —
Gij ziet wat ik bedenk om tot het avonduur
U hier te houden — och, zoo ik u verg te hooren
Naar mij, 't is immers slechts wijl ik met gretige ooren
Uw andwoord wacht ? want als ik neêrzit aan Uw zij',
Is 't als omringde heel de zaalge Hemel mij !
Geen dadel kan zoo frisch den dorren mond besproeien
Als mij uw woorden in het dorstig harte vloeien :
De zoetste vrucht verzaadt : uw toespraak nimmermeer!

En vriendlijk klonk de stem van 's Hemels bode weêr
„O Menschenvader ! die u schiep stortte op uw lippen
Genade en waarheid uit. De tooverklanken glippen
Welsprekend van uw tong, waarop de ziele zweeft
En zich ontsluiert. Ja, de hand des Scheppers heeft
Uit- en inwendig u met rijke heerlijkheden
Gezalfd. Zijn eigen geest stroomt vonklend door uw leden :
Uw voorhoofd toont zijn beeld in volle Koningspracht.
Het zij ge spreekt of zwijgt, bevalligheid en kracht
Bezielen ieder woord en eiken wenk, en menglen
Tot in uw glimlach saam' ! Ook groeten 's Hemels Englen
U, Engel dezer Aard, als broeder. 't Is ons zoet,[14]
De wegen gá te slaan, waar God u wandlen doet.
Want God — we erkennen dit ! — slaat even teêr U gade
Als ons; ja, mooglijk is nog hoogere genade
Den Menschen weggelegd ! Welluidend streelt uw taal
Het luistrend Englenoor : zoo, doe dan uw verhaal !
Toen gij 't bestaan ontfingt, had God mij uitgezonden
-- Een verre en donkre tocht ! — naar de allerdiepste gronden,
Tot aan de Poort der Hel, om met mijn legermacht
Te waken, dat niet éen der zonen van den Nacht
Van daar als vijand of bespieder uit mocht breken
Terwijl God schiep, waardoor Zijn grimmigheid ontsteken
En Hij 't verdelgen aan het scheppen paren zou !
Niet dat de bozen in de zwarte Schriklandouw
Wanneér ook, zonder Gods vergunning iets vermogen,
Maar de Eeuwge zendt ons ! en op 't wenken van Zijne oogen
Gaan wij klapwiekend waar ons de Opperkoning zendt
En ons aan 't volgen van zijn rijksbevelen went !
Zoo daalden wij ter Hel ! De afgrijsbre poorten stonden
Verspard, ombolwerkt; maar lang éer wij d' ingang vonden,
Steeg een gemengd gekrijsch den diepsten afgrond uit,
Verschillend, gants en al, van dans- of zanggeluid :
Gebrul van pijn, gegil van angst, gehuil van toren,
En woede en razernij, sneed snerpend in onze ooren !
Wij keerden ijlings, met de blijdschap in de ziel,
Ten Hemel weder éer de Sabbaths-avond viel,
Zooals de Almachtige ons gelast had ... Maar wil spreken !
'k Hoor toe ! want mochten ze U als dadeldruppels leeken,
De woorden die ik sprak, niet minder zoet is mij
Uw stem, uw menschenstem, vol zielenmelody !"

Dus Raphaël. Daarop sprak Adam :
„'t Menschlijk leven
Is Gods geschenk : maar wie die u 't verhaal kan geven
Van 's Levens Aanvang ? Wie die van zijn wordingsuur
Bewustheid heeft ? Hier is een raadsel der Natuur !
Maar, als ik zei, de wensch uw bijzijn te verlengen
Bewoog me om ons gesprek dus op mij-zelf te brengen ! . .
Als uit den diepsten slaap, ik wist niet hoe, gewekt,
Vond ik mij-zelven op een bloembed uitgestrekt,
Waar de uchtendbalsemdauw door 't zonlicht uit den hoogen
Weldra werd weggekust. Ik sloeg verwonderd de oogen
Naar boven : 'k staarde in 't blauw waarvan de hemel blinkt,
Tot ik, gedragen door een plotseling instinkt,
Mij ophief, en op bel de voeten stond. 'k Zag dalen
En heuvlen, dicht geboomt', valleien in de stralen
Des dags ontluikend, en een zilvren flikkergloor
Van stroomen, dansend heel een Land van wondren door.
'k Zag schepslen leven, zich bewegen, wandlen, vliegen ;
'k Zag vogels, zingend op den groenen tak zich wiegen :
't Lachte alles, en mijn hart sprong op van levenslust.
'k Gevoelde, en dacht, en wilde, en was mij-zelf bewust.
Maar wie ik was ? en waar ? Van waar ? Vergeefsche vragen !
Ik wilde spreken, 'k sprak ! Al wat mijn oogen zagen,
Werd door mijn tong benoemd. „Zon !" riep ik, „Zon, o gij
Zoo schittrend ! Gij, groene Aard, zoo bloeiend en zoo blij ![15]
Gij heuvlen, dalen ! Gij, rivieren ! velden, wouden !
En schepslen die daar leeft ! O wie van u 't aanschouwden,
Zegt mij : hoe kom ik dus ? hoe kom ik hier? Toch niet
Van zelf? Door wien dan toch ? Zegt, hoe die Maker hiet,
Die wel uitnemend groot in Liefde en Kracht moet wezen !
Hoe wordt hij best gekend ? hoe wordt hij liefst geprezen ?
Hij, die mij 't leven schonk en mij beseffen deed
Dat ik gelukkig ben, veel méer nog dan ik weet !
Ik riep en wachtte, maar geen andwoord klonk. Ik dwaalde
Van 't plekjen af, waar 't eerst mijn boezem ademhaalde,
En 't vroolijk zonnelicht mij 't allereerst bescheen.
Ik ging al peinzend voort, niet wetende waarhéen ;
In 't eind, daar vlijde ik, in de schauw van hooge boom en
Mij op een zodenbank vol bloemen, in mijn droomen
Half wakende verdiept. En toen, voor d' eersten keer,
Daar gleed de sluimring op mijn luikende oogen neêr
En overmeesterde met zoet geweld mijn zinnen.
'k Liet zonder onrust mij al zachtkens overwinnen,
Maar 't was me als of ik weêr ging worden wat ik was,
Een schim, een schaduwbeeld, wegsmeltende over 't gras.
Maar eensklaps ! zie, daar was me een visioen verschenen,
Inwendig opengaande : een zoet gevoel vloot henen
Door mijn verbeelding, iets dat mij gewisheid schonk
Dat ik bestond en leefde. Een Lichtgestalte blonk
Mij tegen, groette, en sprak: „U wacht uwe eigen woning,
Rijs, Adam ! Eerste Mensch ! verkoren Onderkoning
Der Aard, verordend Hoofd der Menschheid ! Vragend trof
Me uw stem : nu leid ik u in d' u bereiden Hof
Des Heils!" ... Hij greep mijn hand, daar werd ik opgeheven,
En zacht, als in de lucht, voelde ik mij naast Hem zweven.
Hoog boven land en zee, maar eensklaps daalde ik weer
En nu op 't kruinvlak van een hoogen berg ter neêr,
Omlommerd overal. Dat was een Hof der hoven !
Vol schoone boomen, die hun blaadren openschoven
Als prachtgordijnen voor den ingang overal
Van wandelpaden en priëelen zonder tal.
Al wat ik straks nog meest bewonderd had op Aarde,
Verbleekt was 't, uitgewischt bij déze Wondergaarde !
Geen boomtak of hij was met heerlijk fruit belaán,
Dat de pogen streelde en lust tot plukken deed ontstaan.
't Was : „Neem en eet !", en die begeerte deed me ontwaken,
Om alles wat ik droomde in werklijkheid te smaken !
Hier hadde ik zeker weer mijn wandling voortgezet,
Indien niet Hij die mij geleid had tred voor tred,
Mij in de schaduw van 't geboomte waar' verschenen,
Gods eigen Aangezicht. — Zijn licht stroomde om mij henen —
Ik boog, vol blijd ontzach en onderworpenheid.
De Alheilge richtte me op, en liefde en majesteit
Smolt saam' in Zijn : „Ik ben 't ! Wat gij omhoog, beneden,
Rondom u ziet, schiep Ik ! Aanvaard dit heerlijk Eden :
't Is 't uw' ! Bebouw het, en bewaar het ! Pluk, geniet
Blijmoedigalle vrucht die gij hier bloeien ziet !
Vrees niet ! Maar weet, om u gehoorzaamheid te leeren,
Plantte ik een Kennisboom : dien zult gij niet begeeren,
Den Boom des Doods, nabij den Levensboom ! Uw God
Geeft u dit éene maar onkreukbre proefgebod.
Gij zijt gewaarschuwd : wil het nimmermeer vergeten !
Ten dage als gij van dien verboden boom zoudt eten,
Zoudt gij 't besterven, zoudt ge een prooi zijn van den Dood,[16]
Verbeuren 't Paradijs, verstoten uit den schoot
Van 't zalig Eden, naar een waereld vol ellenden
Voortwanklen naar het Graf, waar licht en leven enden !"

Zoo sprak Hij met een ernst die nog mijn ziel doortrilt,
Ofschoon ik weet „vrees niet, gij kunt wanneer gij wilt,
Gehoorzaam zijn." Maar straks blonk goedigheid en zegen
Van 't Aangezicht, en weêr klonk mij Zijn roepstem tegen,
Maar o, hoe vriendlijk en genadespellend nu !

„Niet slechts dit Paradijs, een Waereld, geef ik u ;
Wat leeft op aarde, of zweeft in zee of lucht, de dieren,
De visschen, 't vooglenheir, 'k wil dat ze uw krooning vieren.
Ik roep ze tot u, dat ze u huldigen, en gij,
Geef gij hun namen ! Deze uw opperheerschappij
Geldt ook de burgers die het waterrijk bevolken,
Maar 'k dagvaard hèn niet, want z ij leven in hun kolken
Als in hun element, den dunner luchtstroom vreemd !"

God sprak — daar ruischte 't aan, uit lucht en bosch en beemd,
Bij paren ! Al 't gediert' boog aan mijn voeten neder,[17]
Liefkozende en gedwee ; met klepperende veder
Daalde al 't gevogelt' op het plekjen waar ik stond.
Ik gaf ze namen al s zij wandelden in 't rond :
Want ik doorzag op éens hun vatbaarheên en krachten,
Zoo zeer bestraalde mij de kennis des Almachten !
Toch zag ik nergens wat ik voelde dat me ontbrak.
'k Verstoutte mij dus voor Gods Aangezicht, en sprak :

„O Gij, hoe heet Gij ? Met wat naam zal ik U loven,
Die 't al te boven gaat, den Mensch en wat er boven
Den Mensch gaat, alles wat ik namen geven mag !
Hoe best erken ik en aanbid ik Uw gezach ?
Gij Oorsprong van 't Heelal en al deez' kostbaarheden,
Die Gij den mensch beschikt, wien Gij uw zalig Eden
Ontsloot ! Toch, bij zooveel, dat ziel en zinnen streelt,
Aanschouw ik niemand die den zegen met mij deelt . . .
Wat vreugd geeft de eenzaamheid ? Wie wil alléen genieten ?
Of, doet hij 't, kan hem 't bloed in kalme vrede vlieten ?"
Aldus vermeette ik mij te spreken. En weêr klonk
De stem der Lichtgestalt', wier glans nog schooner blonk
Door 't vriendlijkst lachjen, met nog zoeter klank mij tegen :

„Wat noemt gij eenzaamheid ? Bevolkt niet allerwegen
Een levend schepslental uw groene Lustwarand,
Gereed te komen op het wenken uwer hand
En voor uw aangezicht te spelen ? Zijn hun leven
En levenswegen, is hun spraak, u vreemd gebleven ?
Zij hebben ook verstand : zie dat niet trotsch voorbij !
Verlustig u met hen, en toon uw heerschappij !
Uw rijk is groot genoeg."

Zoo sprak het Opperwezen,
En 't scheen Zijn vast besluit. Toch smeekte ik zonder vreezen
Te mogen spreken, en in diepe oodmoedigheid
Hernam ik :

„'t Belge U niet, o Hoogste Majesteit,
Als ik U andwoord ! Zie genadig op mij neder !
Boodt Gij mij hier niet als Uw eigen Plaatsbekleeder
Den scepter over al deez' lager schepslen aan ?
Bij ongelijken kan geen sympathie bestaan,[18]
Geen waar verkeer. Ik zoek een wezen mijner soorte,
Een warhelft mijner ziel, van hemelsche geboorte
Als ik, geschapen voor Uw omgang, o mijn God !
Bekwaam te deelen in elk hóoger zielsgenot,
Dat vreemd is aan het Dier : ik zoek een Hartsvriendinne !
't Verwante voegt zich saam' : de leeuw heeft zijn leeuwinne ;
't Alles wèl gepaard, slechts niet — Uw menschenkind!"

De Almachte, niet verstoord om 't geen ik onderwind
Te spreken, andwoordt mij : „Gij wenscht van mijn genade
Als bron van eedler vreugd u-zelv' een wedergade ?
Maar spreek, wat dunkt u dan van Mij en van Mijn staat ?
Acht gij Mijn zaligheid volmaakt, of niet ? Toch gaat
Geen tweede M ij ter-zij' die mij gelijk kan heeten :
'k Ben van alle eeuwigheid alléen ten troon gezeten.
Met wien alzoo kan Ik verkeeren dan alleen
Met schepslen Mijner hand, Mijn mindren, meer beneên
Hun Maker, eindloos meer, dan al het schepsel samen
Beneden U kan zijn !"

-- „Ik zeg aanbiddend amen,"
Hernam ik, ,,op uw woord, Almachtig Opperheer !
Maar 't menschelijk verstand peilt nimmer, nimmermeer
De hoogte en diepte van Uw wegen. Gij, volkomen,
Gij zijt U-zelf genoeg : niets faalt U ! Ik, genomen
Uit stof, ben niet volmaakt : 'k ontwikkel trapsgewijz',
En daarom smacht ik in dit heerlijk Paradijs
Naar iemand mij gelijk, met wie mijn ziel kan spreken,
Een hulpe, een troost bij al wat me immer mocht ontbreken.
Gij, reeds oneindig, Heer ! brengt géen gelijke voort :
Schoon Eén, toch zijt Gij 't Al, Gij, wiens almachtig woord
Al 't leven schept ! Maar hij, die u als Schepper huldigt,
Is onvolledig, wenscht zijn beeld vermenigvuldigd
Door zijns gelijken, hem door d' onverbreekbren band
Van liefde en bloed verknocht, met wie hij hand aan hand
Den levensweg vervolgt bij elken nieuwen morgen.
Gij, in de lichtwolk uwer heerlijkheid verborgen,
In 't best gezelschap met u-zelven, schoon alléen, —
Gij zoekt geen omgang met een schepsel om U heen'.
Toch, zoo Gij 't wildet, kost Ge een wezen deelnoot maken
Van Uw natuur, en dus gemeenschaps zoetheid smaken :
Maar ik kan dit gediert' niet de oogen op doen slaan
Naar uwen Hemel, noch met vreugd hun paden gaan !"

'k Sprak dus vrijmoedig, naar de vrijheid mij geschonken :
'k Vond ingang, en op nieuw mijn ziel verkwikkend, klonken
De woorden Gods :

„Verneem, o Adam ! dat ik u
Tot hiertoe heb beproefd ; maar klaarlijk zie ik nu,
Niet slechts de dieren, die hun rechten naam ontfingen
Van u, hebt gij doorgrond : uw blik wist door te dringen
Tot in uw eigen aart, en gij herkent Mijn beeld
In d' eigen vrijen geest, geen schepsel toebedeeld
Behalven u, o Mensch ! Terecht dus moogt gij klagen
Dat uw gelijke u faalt, en toont ge een fier mishagen
In omgang enkel met de dieren. 'k Heb uw wensch
Gebillijkt, éer gij spraakt : ik wist wel, 't is den Mensch
Niet goed alléen te zijn. Gij zult een hulpe erlangen,[19]
Uw beeld, een ander Ik, waardoor uw zielsverlangen[20]
Volkomen wordt vervuld !"

Hier zweeg de Hemelheer,
Zoo ver ik weet altans -- ik hoorde Hem niet meer ;
Want, overspannen door dit Hemelsch samenspreken,
Voelde ik mij uitgeput, en, voor den slaap bezweken,
Sloot ik voor 't eerst het oog. Maar 't innerlijk gezicht,
De cel der fantazy, bleef open — in een licht[21]
Veel schooner dan de zon in al heur pracht verrezen,
Aanschouwde ik wederom dat zelfde Godlijk Wezen,
Dat wakend voor mij stond. Hij boog zich neèr tot mij,
Ontsloot, nabij mijn hart, al zacht mijn linkerzij',
En nam van daar een rib. De Almachtige boetseerde
Die tot een schepsel, dat Hij mij gelijk formeerde,
Maar ongelijk van kunne, en zoo beminlijk schoon,
Dat al wat Edens Hof mij schoonst had aangeboón,
Daarbij verdween, of in haar schoonheid samenvloeide,
Meest in heur oogen, waar een licht van liefde gloeide,
Dat sints mijn boezem van een aandrift trillen deê,
Die 'k nooit gekend had, en de Schepping trilde meê,
Als overgoten met een goddelijken luister !
Daar zweefde ze uit mijn oog, en liet me alléen in 't duister ..
'k Ontwaakte nu — om haar te vinden, of 't verlies
Te voelen levenslang, wèl wetend dat mij niets
Ooit meer verblijden zou, werd Zij mij niet hergeven !
Daar stond ze op 't onverwachtst, als in diendroom zoo even,
Niet verre van mij af, vercierd met al de pracht
Door Aarde en Hemel tot éen wonder saamgebracht !
Zij naderde tot mij, geleid door haar Formeerder,
Of liever door Zijn stem, die, heiliger en teêrder
Dan aller Englen stem, haar op heur Bruigom wees,
En haar den zegen van 't Waarachtig Huwlijk prees.
't Was of heur voeten als gevleugeld zich bewogen,
Vol gratie, en daar blonk een hemel in heur oogen
Vol zielenadel en vol liefde ! ... 'k Zag mijn Bruid.
Als overstelpt van vreugd riep ik luidjuublend uit :

„Ziedaar mijn hartewensch ! Gij hadt me Uw woord gegeven,
Gij deedt Uw woord gestand, Gij Bron van alle leven !
Gij Schepper, die zoo mild uw schoone gaven biedt !
Deez' laatste is de aller schoonste, en Gij misgunt mij niet.
'k Zie been van mijn gebeent', vleesch van mijn vleesch, genomen[22]
Uit mij, mijn Andre Helft, beminnend tot mij komen :
Manninne zij heur naam ! De man verlaat voortaan
Tot vader, moeder zelfs, en hangt zijn weêrhelft aan :
Zij zullen saam' éen vleesch, éen hart, éen ziele wezen !"

Zij hoorde 't, en hoewel door God-zelf uitgelezen
En opgeleid tot mij, haar deugd, haar zedigheid,
Haar maagdlijk zelfgevoel vol fiere majesteit,
Weêrhield haar : 't eerste woord moest van mijn lippen komen !
Zij bood zich-zelf niet aan, nog vluchtte in angstig schroomen,
Maar week met schuchtren tred half aarzelend ter zij',
En dubbel lieflijk door die kieschheid werd ze mij.
Zij wierp me een blik toe : daar ontmoetten zich onze oogen,
En nu, door de inspraak van 't onschuldig hart bewogen,
Bleef ze eensklaps staan, en wachtte, en gaf bedeesd gehoor
Aan 't minnend aanzoek, dat ik fluisterde in haar oor.
Toen wendde zij het hoofd, toen bloosden haar de wangen
Gelijk een dageraad — ik hield heur hand gevangen,
'k Bracht haar naar 't Echtpriëel. De hemel van azuur,
't Geluksgesternte, stortte in dat volzalig uur
Zijn edelste' invloed uit ; de heuvelen, de dalen,
't Stond al in feestkleedij. In schettrende choralen
Speelde ons het vooglenheir zijn vroolijkste muziek,
De koeltjens meldden 't aan de wouden, van hun wiek
De rozen schuddende en de geuren, meêgedragen
Van specerijgewas of groene mirtenhagen —
Totdat de Nachtegaal, verliefd, het voorspel floot
Van 't Eerste Bruiloftslied en de Avondstar gebood[23]
Ten top te stijgen om de Huwlijkstoorts te ontsteken ... .

Zoo heb ik dan naar wensch van alles mogen spreken
Wat mij weêrvoer tot op dien heuchelijken dag,
Toen ik mijn levensheil dus heerlijk kroonen zag !
O, daar is veel dat ik met dankbaarheid kan smaken,
Maar 't schokt mij 't harte niet, het doet mijn ziel niet blaken,
Het brengt geen omkeer in mijn binnenste : ik bedoel
De zoetheên van den Smaak, 't Gezicht, den Reuk, 't Gevoel,
Al wat de vruchten en de kruiden, de ommegangen
Door woud of bloemhof, en 't gekweel der vogelzangen,
Kan doen genieten. Hoe gants anders, toen ik 't eerst
Verrukt mijne Eva zag, door de eerste drift beheerscht !
Tot hiertoe bleef ik bij elk wisselend genoegen
Mij-zelven meester : hier voelde ik mijn boezem zwoegen !
Hier enkel zwak, werd mij de zoete tooverkracht
Der Schoonheid al te sterk, en — 'k boog voor de overmacht !
Beging Natuur een feil ? onthield ze mij 't vermogen
Van rustig zelfbezit bij d' opslag dezer oogen ?
Of nam ze, als zij mijn zijde ontledigde, te veel ?
Of schonk zij dezer Vrouw een al te onmatig deel
Van uiterlijken glans, waar 't wezendlijk gehalte
Bij achterbleef? Mij dunkt, die schittrende gestalte
Is naar verstand en geest min rijk dan ik bedeeld:
Ook toont ze in mindren graad den stempel van Gods beeld,
Waarvoor al 't schepsel zich verneêrt aan onze voeten.
En toch ! wanneer ik in heur pracht haar mag begroeten,
Dan schijnt zij zoo volmaakt, zoo onvoorwaardlijk vrij,
En zoo bekend ook met haar roeping en waardij,
Dat mij, in daad of woord, haar wil de meest bescheiden,
De wijste schijnt, en zij — de beste van ons beiden !
Het Hoogere Verstand staat in haar bijzijn stil,
En waar mijn wijsheid met de hare spreken wil,
Daar gaat ze, als dwaasheid, in verlegenheid verloren.
Haar volgt gezach en rede, als waar' Zij de éerstgeboren,
En niet de laatste en bij gelegenheid gewrocht ![24]
Kortom — en of dit woord u alles zeggen mocht ! —
De reinste Deugd zit in haar ziel ten troon verheven,
Door heilgen schroom als met een Englenwacht omgeven !"

De Aartsengel sprak hem met gefronsten wenkbrauw aan:

„Beschuldig niet Natuur ! Zij heeft haar werk gedaan,
Doe gij het uwe ! Wil de wijsheid niet mistrouwen :
Als gij haar niet verlaat, moogt ge op haar bijzijn bouwen
Waar gij haar meest behoeft — gij hebt het zelf beleên ----
Als ge overschat wat u van minder waarde scheen.
Want wat bewondert gij ? wat houdt u opgetogen,
Ver boven waarde en maat ? Begeerlijkheid der oogen !
En schoone vorm ! Ze is waard dat gij haar hulde biedt,[25]
Haar liefde en achting schenkt, maar -- onderwerping niet ?
Schat eerst u - zelv' op prijs, dan moogt gij haar waardeeren :
Slechts de eerbied voor zich-zelv' leert waardig andren eeren.
Hoe meer ge u-zelv' erkent, hoe meer de Vrouw heur hoofd
In U erkent, u volgt, gehoorzaamt, en gelooft.
Zij werd zoo schoon gevormd om u te meer te boeien,
Zoo rein, opdat uw hart van heilig vuur zou gloeien ;
En weet, zij zal het zien als ge ooit de minste zijt
In wijsheid ! En zoo ge u het allermeest verblijdt
In 't zingenot waardoor het menschelijk geslachte
Wordt voortgeplant, bedenk ! de wijsheid van d' Almachte
Deelde ook die aandrift meê aan 't vee en ieder dier.
Dat had' Hij niet gedaan, wanneer dit lager vier
Verdiende 's Menschen ziel den hartstocht te verslaven !
Wat hóogers in de Vrouw u aantrekt, de eêlste gaven,
Wat reedlijk, menschlijk is, bemin en roem d a t vrij
De Liefde is eeuwig, maar de Wellust gaat voorbij.
De Ware Liefde is niet een dronkenschap der zinnen :
Zij is een loutringsvuur, zij heiligt die beminnen,
Zij leert den geest zich met al 't Ware en Goede voên,
Verwijdt het hart, woont in de rede, is in haar doen
Verstandig ! Ze is de trap, waarlangs ge in licht en stralen
Tot Hemelliefde klimt -- in plaats van af te dalen
Tot geestloos Zingenot : — daarom vondt ge op 't gebied
Der Dieren schepsten Gods, maar de echte Weêrhelft niet !"

En Adam, half beschaamd, deed hem dit andwoord hooren :
„Neen, waarlijk ! niet de glans der schoonheid haar beschoren,
Noch de aandrift des geslachts, aan al wat leeft gemeen,
— Hoe hoog ik 't Bruidsbed eer met zijn verborgenheên —
Niets geeft me een vreugd zoo groot als die aanvalligheden,
Die wondre lieflijkheid, als zwevende om heur schreden
En âmende uit elk woord en alles wat zij doet :
Dat vriendlijk dienstbetoon, die ijvervolle spoed,
Die de innigheid der liefde en de éenigheid verkonden
Van beider ziel ! Waar Man en Vrouw dus zijn verbonden,
Daar is een harmony, een streelender akkoord
Dan bij het schoonst gezang ter waereld wordt gehoord.
Nochtans, dat alles kan mij-zelv' mij niet ontvoeren:
'k Verklaarde u hoe dat al' mijn binnenst' wel kan roeren,
Maar overmeestren niet. De zinnen deelen mij
Der dingen indruk meê, toch blijf ik altijd vrij :
Ik wil het beste, en volg wat ik het beste reken.
Gij laakt mijn liefde niet. Hoorde ik u-zelv' niet spreken :
,De liefde leidt ons naar den Hemel : ze is daarheen
De weg, en, op dien weg, de onfeilbre gids met-éen !"
O Gun mij dan de vraag : is Liefdes zoet verrukken
Bij 's Hemels geesten ook niet onbekend ? Hoe drukken
Ze elkaar hun teêrheid uit ? Slechts door der oogen gloed ?
Of snellen zij elkaar omhelzend te gemoet,
Hun stralen menglend ! . . ."[26]
En terwijl de blos der rozen,
De kleur der Liefde-zelf, zijn aangezicht deed blozen,
Sprak de Engel:

„Laat het u genoeg zijn, zoo gij weet
Dat wij gelukkig zijn, wij, die gij geesten heet,
En nergens zonder Liefde is ooit Geluk te rapen.
Al wat gij rein geniet -- en rein zijt gij geschapen
Genieten wij ook, maar in hooger graad, want wij
Zijn niet belemmerd door een stofkleed zoo als gij.
De lucht omhelst de lucht : zoo licht omhelzen de Englen
Elkaar, om 't reine met het reine saam' te menglen,
Maar zonder tusschenkomst der zinlijkheid ... Genoeg !
Mijn tijd verliep. De zon, gereed te scheiden, sloeg
Den weg in naar het West en werpt haar laatste stralen[27]
Als vlammend purper uit : ik mag niet langer dralen !
Vaarwel ! zijt sterk, en leef gelukkig, en bemin !
Maar de éerste plaats in 't hart, ruim haar uw Schepper in.
Wien lief te hebben is Zijn wil te doen ! Beteugel
Uw vleesch, dat niet de lust uw oordeel overvleugel',
Zoodat gij doen zoudt wat uw vrije wil verbood !
Gij draagt de Toekomst van de Menschheid in uw schoot,
Het heil of 't onheil van u-zelv' en van millioenen.
Zie toe ! Ik, en met mij alle Englenlegioenen,
Wij zullen uw triomf met dankbaar vreugdgeschal
Begroeten : Kies, gij kunt, uw glorie of uw val !
Gods geest woont in u, en in Hem zijt gij volkomen :
Zoek buit en u geen hulp, en dreigen u de stroomen
Der zonde, ontworstel de verzoeking en houd stand !

Hij sprak, rees op, en ging. Maar Adam greep zijn hand,
Hem uitgeleidend met deez' groete :

„Neem mijn zegen,
Gij Goddelijke gast ! Och, blijf den mensch genegen !
Indien gij gaan moet, ga, gij Bode van den Heer !
't Valt hard te scheiden, maar kom dikwerf, dikwerf weêr ! "

Zij keerden : Adam tot het lommrig loofgewemel
Van Edens lustpriëel, en de Engel naar den Hemel.

Noten

[bewerken]
  1. Milton: sedentarie Earth (vaste, roerloze aarde): Adam gaat ervan uit dat de aarde stilstaat en dat het hele universum eromheen wervelt
  2. Het boek van God" of het "boek van de schepping" diende als een traditionele metafoor onder theologen. Calvijn gebruikt deze metafoor van de schepping als Gods boek en werkt het uit door over de Bijbel te spreken als de bril die nodig is om het boek van de natuur correct te lezen.
  3. Milton: whether Heav'n move or Earth - Dat wil zeggen, of het ptolemeïsche (geocentrisch) of het copernicaanse (he­lio­cen­trisch) model van de kosmos waar is.
  4. Milton: With Centric and Eccentric scribl'd o're,
    Cycle and Epicycle - Centrische of excentrische banen: Johannes Kepler (1571-1630) stelde excentrische in plaats van centrische (cirkelvormige) banen voor om te verklaren hoe planeten zich door de hemel bewogen. Tycho Brahe 1546-1601) stelde voor dat de planeten (anders dan de aarde) om de zon draaiden en dat de maan om de aarde draaide, maar hij stond erop dat de zon om de aarde draaide.
  5. Epicycle': Een kleine cirkel, waarvan het middelpunt op de omtrek van een grotere cirkel ligt. In het ptolemeïsche systeem werd verondersteld dat elk van de 'zeven planeten' ronddraaide in een epi­cyclus, waarvan het middelpunt langs een grotere cirkel bewoog.
  6. Milton: Not that I so affirm' - Rafaël houdt vol dat hij alleen speculeert en geen specifieke theorie bevestigt. Hij wil Adam er gewoon toe aanzetten zijn aannames te heroverwegen.
  7. De Zon in 't wereldcentrum: ('What if'): Rafaël introduceert een copernicaanse versie van het universum strikt als een speculatie, zonder enige goedkeuring.
  8. Kracht van aantrekking: Aantrekkingskracht van de Zon: Kepler stelde dat de planeten in hun baan werden gehouden door de magnetische kracht van de zon.
  9. In six thou sees': De zes andere planeten dan de zon, bekend in de tijd van Milton.
  10. Milton: thwart obliquities - "De dwarse bewegingen van de sferen opgevat als schuin ten opzichte van elkaar in het ptolemeïsche systeem.
  11. 'Nocturnal and Diurnal rhomb': In de ptolemeïsche kosmologie de buitenste of tiende onzichtbare sfeer of primum mobile. Een ruit is in deze zin een ruitvormige baan of bewegingssfeer.
  12. Milton: what Creatures there - Velen in de tijd van Milton speculeerden over het leven op andere planeten.
  13. Milton: Hee from the East - Rafaël verwijst naar de zon als "Hee" en de aarde als "Shee".
  14. In de King James Version, Revelation 22-8-9 zegt de engel tegen Johannes " I am thy fellowservant".
  15. Adam richt zich eerst tot de zon en de aarde en de wezens alsof hij verwachtte dat ze hem konden vertellen "door welke oorzaak" hij hier kwam. In zekere zin kan de natuur, als het Boek der Schepping, hem natuurlijk over God informeren. Dat geloofden de meeste mensen, ook de theoloog Johannes Calvijn.
  16. King James Version, Genesis 2:17 (God tegen Adam): " But of the tree of the knowledge of good and evil, thou shalt not eat of it: for in the day that thou eatest thereof thou shalt surely die.
  17. 'TBij paren'(Two and two): herinnert aan het verhaal van Noach en zijn ark in Genesis 7.
  18. Milton: societie (samenleving): Adams taal weerspiegelt die van Milton in The Doctrine of Discipline and Divorce. Adams nadruk op wat wederzijds is en zijn behoefte aan gemeenschap en rationeel genot zijn in overeenstemming met wat volgens Milton de juiste doelen van het huwelijk zijn.
  19. 'dat eenzaamheid niet goed is voor een mens': Zie Genesis 2:18: "And the Lord God said, It is not good that the man should be alone; I will make him an help meet for him."
  20. Het woord helpmeet (Milton) voor de vrouw komt uit Genesis 2:18 in de King James Version van de Bijbel: “It is not good that the man should be alone; I will make him an help meet for him.”
  21. Miltons 'abstract'=abstracted, teruggetrokken in zichzelf, geen oog hebbend voor de omgeving, als in een trance.
  22. 'Been van mijn been': Mattheüs 19:4-6 en Markus 10:6-8 herhalen beide Genesis 2:23-24, maar geen van de Bijbelteksten gebruikt het woord '(me)zelf'.
  23. 'De avondster': Venus.
  24. Bij gelegenheid, dat wil zeggen om Adams verlangen naar een metgezel te bevredigen.
  25. Uw koestering (Thy cherishing): In het Book of Common Prayer ritueel voor het huwelijk uit 1559 staat "I take thee to my wedded wife to love and to cherish."
  26. Milton: virtual or immediate touch - zonder bemiddeling; in dit geval zonder vlees en dus zonder aanraking.
  27. Milton: The parting Sun Beyond the Earths green Cape and verdant Isles
    sets: De Kaapverdische Eilanden, voor de westkust van Afrika.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.