Naar inhoud springen

Paradise Lost van John Milton/Boek II

Uit Wikibooks

Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III - Boek IV - Boek V - Boek VI - Boek VII - Boek VIII - Boek IX - Boek X - Boek XI - Boek XII

Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Vertaling: Jan Jakob Lodewijk ten Kate (1875)

TWEEDE BOEK
(Engelse tekst van Milton: zie Wikisource Paradise Lost/Book II)

Nadat het gemeen overleg begonnen is, oppert Satan de vraag
of men een anderen veldslag zal wagen om den Hemel
te herwinnen. Sommigen keuren dien voorslag goed,
anderen verschillen van zienswijze. Een derde voorstel,
door Satan vroeger ter loops besproken, wordt aangenomen,
namelijk : om een onderzoek in te stellen naar
de waarheid van die voorspelling of overlevering in den
Hemel, aangaande een andere waereld en een nieuwe
soort van schepselen, den Engelen gelijk, of niet veel
minder, wier verschijning nu ophanden zou zijn. Zij zijn
in 't onzekere, wie tot dit gevaarlijk onderzoek zal afgevaardigd worden.
Satan, hun Opperhoofd, neemt dien
tocht alléen op zich, waarop hij met luiden bijval wordt
begroet. Hiermede is de Raadsvergadering afgeloopen, en
elk gaat nu naar welgevallen zijns weegs en tot zijne
meest geliefde bezigheid, om zich onledig te houden tot
Satan wederkeert. Deze komt op zijn tocht tot de poorten
der Helle ; hij vindt die gesloten, en daarbij iemand die
ze bewaarde, en die ze ten laatsten opent, zoodat hij nu
den grooten afgrond aanschouwde, die gaapt tusschen
Hemel en Hel. Eindelijk wordt verhaald, met hoeveel
moeite hij den toegang wist te verkrijgen, en nu daar,
door Chaos, den Heerscher dezer plaats, te recht werd
gewezen tot het aanschouwen der Nieuwe Waereld, die
hij zocht ...


Hoog op een koningstroon, die van een luister straalde,
Waar Ormus' heerlijkheid noch Indus' pracht bij haalde,[1]
Noch 't schatrijk Oosten, daar 't zijn welige' overvloed
Van goud en paerlen, op Barbaren reegnen doet.[2]
Zat Satan — door verdienste op zulk een top verheven
Van snoode heerschappij! En dus omhoog gedreven
Oneindig verder dan de wanhoop hopen dorst,
Wil hij nog hooger, met een strijdlust in de borst,
Die, spijt de ervaring, toch een nieuwen krijg zal wagen
Met de Almacht, die hem sloeg. En wat zijn hart doet jagen,
Spreekt de onverlaat dus uit op trotsch-verwaten toon:
 
„Gij Machten, ïroonen! Gij gekroonde Hemelgoón!
Want sints geen afgrondskolk onsterfelijke krachten,[3]
Hoe diep vernederd ook, kon kerkren, durf ik wachten
Dat wij den Hemel eens heroovren! Onze moed
En englenveerkracht, uit den helschen sulfergloed
Verrezen, zullen straks geduchter luister spreiden
Dan voor den val, en nü geen tweede ramp verbeiden,
Ten vollen van zich-zelf verzekerd! .. . 't Billijk recht
En 's Hemels wet heeft mij die eere weggelegd,
Uw Vorst te zijn; gij-zelf hebt zonder lang beraden
Vrijwillig mij erkend, en 'k toonde mij door daden
Die voorkeur niet onwaard. En toch heeft dit verlies
— Düs verre althans hersteld — den zetel mijns gebieds
Bij algemeen verdrag veel vaster steun gegeven.
Nu niemand hem benijdt. In 's Hemels zaalge dreveci
Wekte ik, gelukkige, ten allerhoogsten top
Der glorie, d'ijverzucht van al mijn mindren op.
Maar wie benijdt hem hier, die, aan de spits der troepen
Uw aller borstweêr, zich tot doelwit ziet geroepen
Van 's Dondraars pijlen? die de ellendigste zal zijn,
Voor alles erfgenaam van eindelooze pijn?
Waar geen begeerlijk goed meer prikkelt tot krakeelen,
Kan geen partijzucht ook de broederen verdeden !
Wie wenscht naar voorrang in het Rijk der Hel ? — Nietéen!
En wie, wie vindt zijn deel van 't lijden, dat wij leên.
Zoo klein, dat de eerzucht hem naar grooter smart doet haken?
Wij, met dit voordeel, dat we elkaars vertrouwen smaken,
Eéndrachtig, meer dan in den Hemel mooglijk is.
Hernieuwen 't pleit voor onze oorspronklijke erfenis,
Nü van 't voorspoedig eind veel zeekrer, dan te voren
De voorspoed hopen dorst. Wat middel dient verkoren,
Of opentlijke krijg, of sluwbedekte list,
Zietdaar wat heden in den raadslag moet beslist!
"Wie 't meent te weten, spreek'!".. .

En aan zijn zij' verrezen.
Stond daar een koning op, van all', die 't Opperwezen
Bestreden, we l de sterkste en felste geest Omhoog,
Nu door de wanhoop, die zijn hijgend hart bewoog,
Nog feller. Moloch was 't, die door zijn ongetoomde
Hoogmoedigheid, in kracht zich Gods gelijke droomde.
En liever niet, dan als Zijn mindre zou bestaan!
En met die levenslust was ook zijn vrees vergaan:
Hij vroeg naar God, noch Hel, noch erger, in zijn tooren.
En deed nu, allereerst, dus zijn gevoelen hooren:

„Ik stem voor open krijg! ik, die onkundig ben
In krijgslist en bedrog, die ze overlaat aan hen,
Die zulke middlen en zoo vaak ze die behoeven —
Maar heden zeker niet! Terwijl ze peinzend toeven
En raadslaan, zullen al die andren, duizendmaal
Millioenen Englen, die, geharnast in 't metaal,
Naar 't sein verlangen om den vijand te bespringen.
Hier nutloos ledig staan, des Hemels vluchtelingen,
In 't schandlijk duister van dit kerkerhol verneêrd
Schandlijk duister van dit kerkerhol verneêrd
Eens Dwingelands, die door ons dralen ons regeert!
Neen! kiezen wij veeleer, gewapend met de orkanen
En woede van de Hel, ons stout een we g te banen
Naar 's Hemels hoogte, die zoo ongenaakbaar schijnt,
De foltertuigen, waar de plager ons meê pijnt,
In wapens tegen Hem verkeerend! Laat Hem hoeren
Hoe de onweerswolken in zijn vingeren te voren
Almachtig, botsen op den donder onzer Hel!
Laat, voor den bliksem, Hem een vlam zien, even snel
En met gelijk geweld geslingerd op 't gewemel
Der Zijnen, ja, zijn Troon in d'allerhoogsten Hemel
Met helschen zwaveldamp bezwalkend en vreemd vuur.
Zijn eigen marteltuig! Of dunkt te kwader uur
De weg u al te steil om lijnrecht op te varen,
Een Vijand te gemoet, die met Zijn legerscharen
Hoog boven u verschijnt? bedenkt dan evenzeer.
Indien vergetelheid de erinnring van 't weleer
Nog niet voor immer in haar strooming heeft verzwolgen.
Dat als wij klimmen, wij onze eigen aandrift volgen,
Omdat ons Vaderland omhoog ligt! Nederwaart
Te vliên, te vallen, is in weerspraak met onze' aart!
Wie voelde 't onlangs niet, toen 's Vijands wreede woede
Hardnekkig aanhield op onze ordlooze achterhoede
En ons ten afgrond dreef, wat ingespannen kracht
Ons 't dalen heeft gekost? Te stijgen uit den nacht
Moet dus gemaklijk zijn. Doet de uitslag ons vertsagen?
Als wij den Sterkere ten nieuwen tweestrijd dagen,
Bereidt zijn wraak niet straks nog erger folterpijn ?
Ja, kón er in de Hel iets ergers denkbaar zijn!
Maar wat ka n erger zijn dan hier, dan hier te huizen.
Beroofd van zaligheid, in deze afgrijsbre kluizen
Tot de allerdiepste ellend veroordeeld, in den gloed
Eens vuurs gedompeld, dat onbluschbaar branden moet.
Dat ons moet geesslen als de tuchtroe van een tooren.
Die onverbidlijk blijft? Kon erger ons beschoren,
Verdelging zijn! Welnu, wat vreezen wij ?
Waarom Zijn gramschap niet tot volle razernij
Geprikkeld? Eén van twee : Zij zal ons gants verteren,
Zij zal ons sporeloos in 't niet doen wederkeeren,
(Veel beter dan een wee van eindeloozen duur!)
Of — zijn wij metterdaad van godlijke natuur
En dus onsterfelijk, wat ergers kan ons wachten
Aan deze zij' van 't Niet ? — Wij proefden onze krachten:
Zij zijn voldoende om Hem te ontrusten in zijn Rijk,
En schoon, door 't Lot geschraagd, zijn zetel niet bezwijk'.
Wij kunnen eindloos Hem bestormen en bestoken.
En feilt de zegepraal, wij zijn altans gewroken!"

Hier zweeg hij, dreigend met gefronsden wenkbrauwboog,
't Was hopelooze wraak, wat vonkelde uit zijn oog,
En strijdlust, vol gevaar s voor minderen dan goden! —
En eer nog Lucifer tot spreken hem kon nooden.
Verhief zich Belial aan de andre zijde, meer
Der vormen meester, kalm, bevallig evenzeer.
Een schooner Engel heeft de Hemel niet verloren !
Hij scheen tot waardigheên en groote daan geboren.
Maar valsch was alles en van binnen leêg, al drong
Zijn stem gelijk muziek in de ooren, als zijn tong
Van manna drupte, en 't slechtste als 't beste wist te prijzen.[4]
Verwarring brengende in den rijpen raad der wijzen.
Laag was zijn geest: in 't kwaad vernuftig, maar in 't goed'
Traag, angstig. Niettemin zijn woorden klonken zoet
En overredend:

„Ik, o Vorsten! aangedreven
Door haat gelijk de beste, ik zou mijn stemme geven
Voor opentlijken krijg, zoo niet de beste grond,
Ons aangeprezen door zoo welbespraakten mond.
Mij juist weerhield, en mij in pijnlijk voorgevoelen
De neêrlaag spelde. Wat mag deze Held bedoelen,
Die uitmunt boven al, wat hier in 't harnas staat?
Mistrouwt die dappere niet zelf zijn eigen raad,
Zijn eigen dapperheid? en put hij niet zijn krachten,
Zijn moed, uit wanhoop, die het ergste wil verwachten
Als maar zijn hoogste wensch, de Wrake, wordt vervuld?
Maar Wraak! verklaart mij toch hoe gij u wreken zult!
De Hemelburchten zijn vol Englen, die er waken
En allen toegang ons onoverwinbaar maken.
Niet zelden leegren zich aan de oevers dezer Hel
Hun legioenen, en verspieden al te wel,
In zwarte vleugelen gesluierd voor onze oogen,
Het Rijk der Nacht alom, met spottend mededoogen
Elke overrompeling verachtend! Ware 't al
Dat heel de Helle met haar myriadental
Ons volgde, en doorbrak om des Hemels klaren luister
Met smook en rook en damp te domplen in het duister:
De groote Vijand toch spreidde, op zijn Koningstroon
Ontrefbaar, onbesmet, zijn majesteit ten toon;
De Hemelsche natuur, waarop geen vlekken blijven.
Zou d' aanslag van 't verderf straks in triomf verdrijven,
Van ons onedel vuur gelouterd! Dus verneêrd,
Ware onze jongste hoop in hooploosheid verkeerd.
Al wat ons resten zou! Hoe nu? den Heer der heeren,
Trotsch op zijn zegepraal, zoo tergen en trotseeren,
Tot Hij zijn wraakfiool vernielend ledig goot:
Zou dat ons heil dan zijn, niet meer te zijn? De dood
Voor eeuwig, droevig heil! Wie wil, schoon vol van smarte,
't Bewustzijn derven van dit koninklijke harte.
Dit goddelijk verstand, dat de Eeuwigheid doorziet.
En liever ondergaan, verzwolgen in het Niet,
In d'ongeboren Nacht verbrokkeld en verloren.
Om niets te weten, niets te voelen, niets te hooren
En ware dit al 't ergst, wie weet of de Aartstyran
Ons dit beschikken wil, of ooit beschikken kan?
'k Betwijfel of Hij 't kan, en dat Hij 't nooit zal willen,
Is zeker! — Hij, zóo wijs, zou zoo Zijn gramschap stillen
t Zij bij verrassing, of gebrek aan zelfbeheer,
Dat Hij zijns vijands wensch zou kroonen, en veeleer
Hem zou verdelgen in zijn wrake, dan hem sparen
Om juist hem eindeloos die wraak te doen ervaren?
Wat draalt gij ? vragen zij, die vóór den oorlog zijn.
Wij zijn gedoemd, bewaard, bestemd tot eeuwge pijn:
Niets méér, niets ergers, blijft ons over om te lijden!
Is dit dan 't ergst van al, dat we onze geestkracht wijden
Aan 't smeden van een raad, en onder 't wapen staan?
Hoe ! toen we ons voorhoofd door Gods donder voelden slaan
Toen we ijlings vloden, toen ons de Afgrond hoorde huilen
Om hulp, toen ons de Hel geschikt scheen om te schuilen
Na zulke wonden, toen we in 't zieden van den poel
Geketend lagen: — spreekt! was toen ons smartgevoel
Niet veel ontzettender? Wat dunkt ons, trotsche dwazen.
Zoo eens die Adem, die dit vuur heeft aangeblazen.
Zich uitzette', om ons straks in zevendubblen gloed
Te domplen? Zoo de Wraak, die nu schijnt uitgewoed,
Weê r gaande werd en met de ontzachelijke vingren
Heur felsten bliksem greep om ons op 't hart te sHngren?
Hoe! — zoo die Wraak eens al haar kaamren opende, al
De schatten vuurs der Hel, gelijk éen waterval
Van vlammen, dondrend op ons aller hoofd deed ploffen.
En al de onzaligheên, die 'k dreigen zie, ons troften
Op éen, verrassend uur! .. . Wie weet, terwijl we, als thans,
Elkaar bemoedigen en samen d' oorlogskans
Berekenen, rukt ons een onweer weg, en hagelt
Zijn gloênde kolen ueêr, en krimpen wij, doornageld
Van bliksempijlen, op een rotsklip, prooi en spel[5]
Der dwarrelwinden; of verzinken we in een Hel
Der Helle, om, hopeloos in ketenen geslagen,
In de eeuwge vuurzee met een eeuwig jammerklagen
Te krimpen, onbetreurd en onverpoosd, gedoemd
Door 't eeuwig vonnis! Di t kon 't ergste zijn genoemd
Geen krijg dus opentlijk noch heimlijk! Wat vermogen
Geweld of list bij hem ? Of wie verschalkt Zijn oogen,
Die alles peilen met éen blik ? De Hemelheer
Ziet van Zijn troonstoel met een koelen spotlach neêr
Op onze ontwerpen: Hij, Wiens wijsheid ons beramen
Verijdlen kan, gelijk Zijn almacht kan beschamen
Wat onze kracht beproeft! Maar, mort ge, zóo veracht
Te leven! Past het ons, een goddelijk geslacht,
Ons, Hemelingen, dus veracht, verjaagd, versmeten,
In eeuwge marteling te krimpen aan een keten?
Ik andwoord: beter dit dan erger, nu een Lot,
Dat onvermijdbaar is, en de ijzren wil van God
Ons overmocht. De wet is billijk: die tot strijden
Zich sterk gevoelt, dien past ook geestkracht om te lijden.
En lijden! hadden wij die wijze keus gedaan,
In plaats van, radeloos, een worstling aan te gaan
Met zulk een Vijand en zóo weinig kans van slagen!
Ik lach, als allen, die zoo trotsch hun wapens dragen,
Zoodra hun opzet feilt, de zielsangst overmant
Voor 't geen ze wisten dat móest volgen: schade en schand,
Of smart, of ballingschap, naar 't vonnis des Almachten!
Dat is ons erfdeel nu. Maar als wij lijdzaam wachten.
Legt onze Weêrpartij misschien zijn wraakzucht af,
Of wel, berustende in de ons opgelegde straf,
Vergeet Hij ons, zoo wij Hem niet op nieuw vergrammen!
En blaast zijn ademtocht niet langer in de vlammen,
Dan dooft weldra dit vuur, en eindigt onze kamp.
Ons fijner wezen zal den schadelijken damp
Te-boven-komen, of, gehard, niet meer ervaren.
Of wel, veranderd met de snelle vlucht der jaren,
In harmonie met d'aart van deze vuurwoestijn.
De hitte, ons element, gevoelen zonder pijn!
Dan wordt de ellend verzacht, dan wordt de nacht tot morgen!
Wie weet wat hoop de schoot der eeuwen houdt verborgen?
Maar reeds deze éene kans op wissling is wel waard
Daarop te wachten, 't Lot, dat heden ons weêrvaart,
Schoon kwaad, schijnt niettemin gelukkig: want wij weten,
Hóe kwaad het wezen moog', 't zal nooit het ergste heeten,
Zoo wij maar niet, verdwaasd, onze eigen vijand zijn!"

Zoo kleurde Belial zijn woorden met een schijn
Van rede. Wat hij prees, was lage rust, geboren
Uit traagheid, maar geen vreê.
Toen deed zich Mammon hooren:

»Als krijg het beste is, heeft onze krijg het doel
Of 's Hemels Opperheer te stooten van zijn stoel,
Of 't ons ontstolen recht den Roover weêr te ontrukken ;
En Hem te onttroonen, zal ons dan-alleen gelukken.
Al s 't Eeuwig Noodlot wijkt voor 't wisselziek Geval,
En de oude Baaiert-zelf 't krakeel beslechten zal!
Is 't éerste onmooglijk, ook het laatste is ijdel hopen.
Wat plaats toch staat ons in den kreits des Hemels open.
Tenzij onze overmacht den Koning vallen deed?
En, ondersteld dat Hij, verteederd door ons leed,
Gena bood, mids we op nieuw ons onderdanig bogen,
Hoe zouden wij, aldus vernederd, met wat oogen
En met wat hart vooral, zijn tegenwoordigheid
Begroeten, tot de ontfangst van zijn geboón bereid?
Hoe Hem uit dwang geroemd? hoe, onder duizend vreezen,
Met hallelujahs zijn almogendheid geprezen ?[6]
Hoe Hem gehuldigd op zijn koninklijken troon
Met de afgunst in de ziel, en de altaargift gehoon
Van hemelwierookgeur en ambrozijnen bloemen,
Als bange slaven?. .. Zulk een eerdienst zoudt gij roemen?
Dat zou 't geluk zijn, in den Hemel ons bereid?
Hoe vreeslijk zou dat zijn, een eindlooze eeuwigheid
Hem dus te huldigen, dien we eeuwig, eeuwig haten?
Neen! streven wij toch niet, waar geen geweld kan baten.
Al bood genade 't aan, naar 't schitterend bezit
Van 't vroeger Leenmanschap!. . . Wij willen meer dan dit:
Wij willen 't Ware Goed. Naar binnen ga ons streven!
Wij moeten uit het onze en voor ons-zelven leven;
In de eenzaamheid, maar vrij, maar niemands onderdaan!
Harde onafhanklijkheid moet boven boeien gaan,
AI zijn ze van fluweel. Zal grootheid ons omringen
Met al haar glans, 't zal zijn, wanneer wij groote dingen
Uit kleine scheppen, nut uit schade, wel uit wee,
En aan wat plaats we ook zijn, toch drijven op de zee
Der rampen, en door moed en werkzaamheid ontkomen.
Of doet dit grondloos Rijk der Duisternis ons schroomen?
Woont Hij, die 't Al regeert, niet vaak in donkerheid
En wolken, zonder dat zijn hemelmajesteit
Daarom bezwalkt wordt? En wanneer die wolken groeien
Rondom zijn troon, doet Hij geen schorre donders loeien,
Waardoor de Hemel op een Hel gelijkt? Schept Hij
Ons duister na, welnu! wij Englen, bootsen wij
Zijn licht na! Waarom niet? Wie weet het, wat al schatten,
Wat eêlgesteente en goud die diepten ginds bevatten!
't Ontbreekt ons aan vernuft noch gaven om die mijn
Te ontginnen, tot de schat in al zijn luister schijn':
Wat kan de Hemel meer? Misschien na lange tijden
Verzoenen we ons zoo zeer met dit ellendig lijden.
Dat wij 't begroeten als ons eigen element.
Misschien wel worden we aan deez' ovengloed gewend,
Of wijzigt zich onze aart naar d' atmospheer, en schrijnen
De wonden dan niet meer, die nu ondraaglijk schijnen!
Zoo roept ons alles dus tot wijs en kalm beraad.
Dit zij ons streven om, tot heil van onzen Staat,
Ons leed te temperen, 't bewustzijn aan te kweeken
Wie, wat en waar we zijn, en — nooit van krijg te spreken!
Zietdaar mijn inzicht!"

En nog nauwlijks zweeg zijn mond,
Of door de raadzaal ging een luid gemurmel rond.
Gelijk, wen, na den storm, de rotsen 't huilen smoren
Der wervelwinden, die in bulderenden tooren
De golven zweepten, heel den langen, bangen nacht,
En nu den zeeman, die met uitgeputte kracht
Het anker uitwierp, in een zachten slaap doen zinken,
Zóo hoorde men rondom den luiden bijval klinken.
Toen Mammon eindigde, en zóo streelde hen de taal
Des lieven vrédes; want een oorlog andermaal
Scheen minder vreeslijk dan de Hel met al haar plagen.
Dat wrocht de erinnering van 's Hemels donderslagen
En 't zwaard van Michaël! dat, evenzeer, de hoop
Een rijk te stichten, dat door Staatkunde en 't verloop
Der tijden 't machtig Rijk des Hemels evenaarde!
Beëlzebub — hij gold in waardigheid en waarde
Na Satan de eerste — rees, pilaar des nieuwen Staats,
Volstatig op, en toonde in d' adel zijns gelaats
En d'ernst zijns voorhoofds al de zorg van éen voor allen,
Heel 't merk eens Konings, zij die Koning ook gevallen!
Nog steeds een Majesteit, gebiedend, stond Hij daar,
Als waar' hij machtig op eens Atlas' schoudrenpaar[7]
De zwaarste monarchie te torschen. Zwijgend bogen
2ich aller hoofden voor dien opslag zijner oogen.
Die stilte vergde als die van 't nachtelijk azuur
Ter neer-zijgt of die zweeft door 't zomermiddaguur.
Zoo sprak hij:

„Troonen, en gij Koninklijke Machten!
Gij, 's Hemels afkomst, gij onsterfelijke Krachten!
Of is die naam verbeurd, en spreken wij voortaan
In lager stijl elkaar als Helsche Vorsten aan?
Daar helt de raadslag heen: niets minder wil men stichten
Dan een ontzachlijk Rijk, dat wondren zal verrichten!
O droom! O ijdelheid! Of 's Hemels Koning niet
Ons in de Helle als in een kerker nederstiet,
Niet om zijn machtige' arm, zijn rechtsgebied te ontvlieden,
Weêr saam-te-zweeren en zijn donder 't hoofd te bieden.
Neen, maar om, ver' van Hem, in radeloozen wrok
zijn gevangenen het wreedste slavenjok
Te sleepen, zonder hoop! Hij zal als Heer der heeren
Zijn wezen, zijn gedaante en gaven, zijn vermogen
En zwakheid, of hij 't best door sluwheid kan bedrogen.
Of door geweld verleid. Al is de Hemelpoort
Gesloten en al zit, door eigen kracht geschoord,
De machtige Opperheer onwrikbaar, laat ons hopen!
Misschien wel ligt die plaats veel ruimer voor ons open,
Als laatste grenspaal van zijn koninklijk gebied,
Alleen door hen beschermd, die Hij er wonen het.
Indien wij plotsling eens die schepping overvielen;
Ons Hellevuur kan haar met éenen slag vernielen;
Of wel, wij kunnen haar heroovren, en, gelijk
Wij-zelf verjaagd zijn, zóo de burgers van dat Rijk
Verjagen; of, zoo niet, hen medeplichtig maken
Aan ons vergrijp! Zoo zal hun God van gramschap blaken,
Hun vijand worden en, berouwvol, van zijn troon
Zijn werk vernietigen. Een wraak, zoo ongewoon.
Wat zou ze 's Dwinglands vreugd om onze rampen storen !
En, omgekeerd, wat vreugd wierd voor ons hart geboren
Uit zijn vergramdheid, als zijn troetelzonen, meê
Geworpen in den poel en deelende in ons wee,
Hun broozen oorsprong en een levensheil verwenschen,
Zoo heerlijk in zijn bloei, zoo deerlijk in 't verflensen!
Nu oordeelt, of die proef niet waardiger zou zijn
Dan hier te broeden in den valen schemerschijn
Op plannen om een Rijk te stichten, doodgeboren,
Een hersenschim!.... "

Zoo deed Beëlzebub zich hooren,
Maar Satan had het eerst dien gruwelijken raad
Bedacht. Wie anders toch dan de Oorsprong van al 't Kwaad
Kon 't denkbeeld scheppen dus den wortel aan te grijpen
Van 't gansche Menschdom, eer dat Menschdom nog kon rijpen,
En Aarde en Hel verward te menglen onderéen,
Tot 's grooten Scheppers hoon. Toch zou die hoon alleen
Des Scheppers heerlijkheid verhoogen! —

Maar door allen
Werd die vermeetle raad met duivelsch welgevallen
Begroet, en allen blonk een snelle flikkerstraal
Van vreugd in de oogen — en de lasterlijke taal
Werd tot besluit gemaakt. Toen voer hij voort met spreken:
„Nu is, vergaarde Goón! uw kloek verstand gebleken,
Beslecht is 't lang geschil! Groot als gij zeiven zijt,
Besloot ge iets groots, dat ons, het grimmig Lot ten spijt.
Eens weêr verheffen zal naar 't doelwit onzer wenschen,
Onze' eersten staat, nabij die schitterende grenzen
Misschien, van waar wij, door een aanval op zijn tijd,
Met kracht van wapens in éen glorievollen strijd
Den blijden Hemel ons heroovren — tot dien Hemel
Altans nabij zien, door zijn zalig lichtgewemel
Bestraald, dat ons den walm zal wisschen van 't gelaat!
Daar waait misschien een lucht, die ons met geuren baadt
En balsemdrupplen tot genezing onzer wonden. —
Maar wien nu 't eerste tot ontdekker uitgezonden
Dier nieuwe Waereld? Wie heeft beide, kracht en moed.
Tot zulk een werk? Wie zal met rusteloozen voet
Door d' Afgrond wandelen, hem dreigend met verslinden?
Wie d' onbekenden weg in't tastbre duister vinden?
Of varen met een vlucht, die nimmer, nimmer zwicht.
De ruimte door tot waar 't Gelukkig Eiland ligt?
En dan, wat wakkerheid, wat kunst, wat sluwe krachten
Zijn noodig om hem door die tallooze Englenwachten
Te voeren, ronde doende, altijd, aan alle zij'
Hier kan hij nimmermeer te omzichtig zijn, noch wij
Bij onze keuz', want wien wij zenden, 't heil van allen
En onze jongste hoop zal met hém staan of — vallen! .... "

Zoo sprak hij, en zat neêr. Zijn blik zwierf aarzlende om.
Verwachtend, wie wel 't eerst uit heel dit Englendom
Zijn plan zou steunen, of weêrspreken, of aanvaarden.
Maar allen bleven stom en roereloos, en staarden
Verzonken in gepeins op 't spooksel van 't gevaar;
En allen lazen zij verschrikt, verbaasd, elkaar
Dezelfde onzekerheid in de oogen. Geen dier Helden,
Die bij den hemelstorm zoo moedig voorwaards snelden,
Was onvertsaagd genoeg om nu, geheel alléen,
Een tocht te wagen vol van bange onzekerheên —
Tot Satan oprees, thans met ongemeene glorie
Uitschittrend boven al zijn makkers, zijn viktorie
Als vóorgevoelend' met een vorstelijken trots,
En rustig aanving :

"Gij, o Eerstgeboornen Gods !
Verheven Troonen ! daar is reden tot gepeinzen
En ernstig zwijgen, schoon geen wanhoop ons doet deinzen.
Lang, moeilijk, is de weg ten Hemel uit de Hel,
De Kerker, sterk. En dit hoog vuurgewelf, te fel[8]
Om uit te blusschen, klemt met negendubble muren
Ons in, en poorten, die een eeuwigheid verduren,
Uit brandend diamant geklonken, sluiten 't graf
Van solfervlammen met onbreekbre grendels af.
Wie daar dan doortrekt — zoo er iemand door kan trekken —
Zal 't wezenlooze diep van d' Eeuwgen Nacht ontdekken,
Die ijlings hem verslindt in d' opgesparden muil,
En, daar hij neêrzinkt in d' afgrijselijken kuil,
Hem met verdelging dreigt. Gelukt het hem te ontkomen
In eenig schrikdal, of aan de onbekende zoomen
Eens eilands in die kolk, wat minder wacht hem daar
Dan even onbekend en hopeloos gevaar ?
Doch, Vorsten ! deze troon, deez' heerschappij, zoo prachtig
Van koninklijken glans weêrschittrend, en zoo machtig
Gewapend, gaven mij een onverdienden rang,
Indien de roepstem van het Algemeen Belang
Mij ooit deed deinzen, waar de nood der tijden steigert.
Waarom de kroon aanvaard, den scepter niet geweigerd,
Wanneer ik weigren dorst niet even goed als de eer
't Gevaar te deelen ! Zijn die twee niet evenzeer
Hèm toegewezen, die wil heerschen, en van beide
't Gevaar te meerder naar hij meer zich onderscheidde
Van de anderen in eer?... . Gaat, machtig Englental!
Gij, schrik des Hemels nog, in weêrwil van uw val!
Keert huis waards — voor zóólang dit uw te huis moet heeten —
En overlegt wat best het lijden doet vergeten.
De Helle draaglijk maakt... . indien er lafenis
En tooverkunst bestaat, en 't wonder mooglijk is
De ellend van dit verblijf te dooven, te verzachten.
Of — op te schorten slechts! Verdubbelt toch uw wachten
En waakzaamheid, want weet, uw Vijand sluimert niet!
Ik, midderwijl, doorvorsch heel 't donkre Nachtgebied,
Of ik verlossing voor ons allen op mocht sporen,[9]
Want niemand deelt mijn tocht!"

Zoo deed de Vorst zich horen,
En haastig stond hij op, verijdlend alle list.
Eer mooglijk sommigen dier Hoofden (vergewist
Dat hun een weigring wachtte) ook nü begeerlijk prezen
Wat eerst hen siddren deed, om, eenmaal afgewezen,
Als mededingers in het zonnelicht te staan
Eens roems, voor hèn goedkoop, door hèm met heldendaan
In menig worsthng nog te staven!... . Maar zij zwegen,
Min duchtend voor 't gevaar, hoe zwaar het hun mocht wegen,
Dan voor 't verbods-woord van zijn koninklijke stem.
Heel 't Engelenheir alzoo stond op, gelijk met hem,
En bij dat opstaan was 't, als werd de lucht bewogen
Door verren donder. Met afgodische' eerbied bogen
Zij voor hem neder, want de hulde hem betoond.
Klonk als de lof van Hem, die in den Hemel woont
En kon niet zwijgen van een grootheid zoo verheven,
Dat zij voor allen 't al ten offer wilde geven,
't Gevallen Englendom is niet geheel ontaart
Van elke deugd, opdat de goddelooze op aard
Zich niet beroemen zou op schittererende daden
Die, schijnbaar edel, toch heur heimlijk doel verraden:
Vergoding van zich-zelf!

Zoo eindigde de Raad,
Eerst zoo verward en zoo onzeker — in een staat
Van geestdrift, opgewekt door 't onverdeeld vertrouwen
Waarmeê zij juichend hun doorluchtig Hoofd aanschouwen,
Dat allen overtreft. — Zoo schemert een vallei
In 't vaal halfdonker, als de dikke wolkensprei
Des hemels schoon gelaat omsluiert, killen regen
Op 't Landschap gietend, of een sneeuwjacht, neergezegen
In stille vlokken — tot aan d' opgeklaarden trans
De zon weêr doorbreekt met heur lieflijkste' avondglans.
Dan schijnt Natuur verjongd: de vogels kwinkeleeren,
De kudden loeien van vernieuwde vreugd en scheeren
Den malschen klaver — alles huppelt, alles juicht.
O menschen! menschen ! ziet, wat tegen u getuigt,
Wat u beschaamt, is dit, dat afgevallen Englen,
Van God gevonnist, toch den band der eendracht strenglen,
Terwijl de menschen, wie dezelfde hope streelt
Op Gods genade, alom en immer zijn verdeeld.
De Heer verkondigt vreê : zij kwellen en vertrappen
Elkaar in stagen strijd, in haat en vijandschappen;
Zij voeren oorlog, zij verwoesten 't vriendlijk erf
Der Moederaarde tot hun onderling verderf,
Alsof (en dit alreeds moest ons tot eendracht dringen !)
Geen vijanden genoeg den sterveling bespringen,
Wier woede dag en nacht zijn ondergang bedoelt!

Men ging. Verlaten stond het helsche Raadsgestoelt.
Wat optocht! Allereerst de grootsten van de grooten,
Elk naar zijn orde, door de minderen besloten.
Hun machtige opperheer in 't midden, die alléén
Den tegenstander van den heilgen Hemel scheen!
Niet minder straalde hij als hooggeduchte Koning
Der Hel door schitterglans en majesteits-vertooning,
Gods glorie nagebootst, omcingeld door een wacht
Van Serafijnen, met hun bonte vendelpracht
En bliksemend geweer. Nu werd de last gegeven :
,Een luid bazuingeschal moest ijlings aangeheven
,Om 't groot besluit alom te melden I' En daar vloog
Een viertal Cherubs snel gevleugeld naar omhoog,
En bliezen 't schel metaal tot Oost, West, Zuiden, Noorden
Den weêrklank van 't bericht der krijgsherauten hoorden.
't Geluid schoot heinde en ver' den hollen Afgrond door,
En met een jubel, die rinkinkte in aller oor,
Schreeuwde al het heir der Hel zijn bijval uit.
En weder Bedaarde elks stemming,
want de hope daalde neder :
En was ze een valsche hoop, ook déze druppelt zacht
In open wonden. Toen geheel die Legermacht
Nu ordlijk inrukte en uit-éen-ging, kozen allen
Hun eigen wegen naar behoefte of welgevallen,
Om rust te zoeken voor hun innerlijken strijd,
En arbeid tevens, tot bekorting van den tijd
Waarop hun Opperhoofd zou keeren. Als de helden
Der Grieken, worstlende in de Pythiaansche velden[10]
Of in 't Olympiesch perk, bekampten zij elkaar —
Op 't vlak, of in de lucht op klepprend vleuglenpaar;
Of renden om den prijs in wedloop. Andren temdem
Hun wilde rossen, die ze in trens en teugels klemden,
Of stoven, daavrend, met de heete wagenraan
Den merkpaal langs. Of wel, daar rukten benden aan[11]
Ten spiegelstrijd, gelijk wanneer te trotsche steden
Gewaarschuwd worden door twee legers, aangetreden
Op 's hemels wolken. Aan de spits van ieder heir
Staan Oversten, gevormd uit neveldamp, die speer
En zwaard hanteeren, en 't gewenschte teeken geven
Tot d' aanval. De oorlog woelt, de hemeltransen beven,
En 't gantsche firmament is enkel vuur en vlam.
Weêr andren nog, van aart onstuimiger en gram
Als typhons, spleten rots en heuvel met hun slagen,[12]
Of reden door de lucht op dolle wervelvlagen,
Zoodat hun razernij de Helle-zelf vermoeit.
Dus rukte ook Herkies, door 't vergiftigd kleed verschroeid»
De dennen uit den grond, daar 't bloed hem kookte in de aaren,
En smakte Lichas in de Negropontsche baren.[13]
Daar waren andren, die, zachtzinniger van aart,
Te samen in een stil en eenzaam dal vergaard,
Hun harpen stemden op den toon van Englensnaren,
Hun eigen heldendaan, hun worstlen, hun gevaren,
Hun val bezongen met een weemoedvolle klacht
Om 't lot der vrije Deugd, te vaak voor de overmacht
Eens Dwinglands, of den luim van 't Winde Noodlot bukkend.
Partijdig was dit lied, maar toch zóo zielverrukkend
(En immers zong daar een onsterflijk Geestenchoor!)
Dat de Afgrond luisterde en 't bewonderend Gehoor
Steeds aanwies, biddende nog eenmaal te beginnen.
Weêr andren zochten — want de Toonkunst streelt de zinnen,
Welsprekendheid den geest — op 's heuvels hoogen top
De hooger weelde van de samenspreking op.
Het gold verborgenheên: 't vrijmachtig alregeeren
Des Waereidscheppers, de voorwetenschap des Heeren,
Zijn voorbeschikking en verkiezing; 't eeuwig lot.
De vrije wil: al wat voor d' eenig-wijzen God
Een licht is, voor 't gewrocht een raadsel! En zij vonden
Het eind des doolhofs niet! .. . . Zij spraken over zonden
En deugden, eeuwig wel en eeuwig wee, natuur
En leer, gevoelloosheid en blakend hartstochtvuur.
Van eer en schande. Maar 't was al een wegen, wikken
Van valsche wijsbegeerte. En toch voor oogenblikken
Begoochelde die taal 't verbijsterde verstand.
De pijn verdoovende die in 't geweten brandt.
En met een valsche hoop 't verhard gemoed bedekkend
Als met driedubbeld staal. — Weêr andren, verder trekkend,
In dichte reien tot een bende saamgebracht.
Gaan uit op avontuur in 't droevig Rijk der Nacht,
Om beter schuilplaats op 't gewenschte spoor te komen.

Zij volgden op hun marsch vier wegen, langs de zoomen
Van vier rivieren, die heur walgelijken vloed
Ontlasten in een zee van eeuwgen zwavelgloed:
De afgrijsbre Styx, de stroom van doodschen haat, de zwarte[14]
Vergiftigde Acheron, de bronwel aller smarte;[15]
Cocytus, dus genoemd naar 't aaklig weegeklach
Dat langs zijn stranden kermt en nooit verpoozen mag;
En dan de Phlegethon, met kokend-heete baren,
Door razernij getergd ten vuurpoel uitgevaren.
Van verre stuwt de Lethe al zwoegend langs heur boord[16]
In kronkelbochten, traag, heur stille waatren voort.
Waarvan een enkle teug de erinnring doet verdwijnen
Van vroeger staat en stand, genietingen en pijnen
Geluk en tegenspoed. Aan Lethe's overzij'
Ligt, naakt en kleurloos, een bevrozen woestenij,
Gegeesseld eindloos door verwoede dwarrelstormen
En hagels, nooit ontdooid, die berggevaarten vormen,
Als opgestapeld puin van langvergane steèn.
't Is alles diepe sneeuw en ijsschots daar om heen:
Een afgrond, peilloos en oneindig meer te vreezen
Dan tusschen Damiate en Casius voordezen
Serbonis poel, waarin soms legers zijn vergaan.[17]
Daar waait de lucht, verzengd, toch kille huivring aan.
Daar brandt de koude als vuur. Hier, op gezette tijën,
Hier zweepen Furiën, als nijpende harpijen[18]
Geklauwd, de benden der verdoemden bij elkaar.
Daar worden zij bij beurt de wisseling gewaar
Van vreeslijke uitersten, nu duizendmalen wreeder
Juist door die wisselbeurt. Eerst dwarrlen zij ter neder
In golven vloeiend vuur: daar worden ze uitgerukt.
En nu geploft in 't ijs. Daar liggen zij gebukt,
Bevrozen, roerloos, tot weêr de ure heeft geslagen.
En hen de Furiën opnieuw naar 't leger jagen
Van vuur en solfergloed. Zij zwerven heen en weêr
Langs 't drassig Lethe-strand, en 't scherpt hun smart te meer:
Zoo dicht bij 't dierbaar vocht, versmachten zij, en pogen
In 't nat te tasten, of ze een druppel vangen mogen,
Die alles blusschen zou, wee, wanhoop, zielsverdriet.
Eén duimbreeds afstand nog ! éen handgreep ! 't Is om niet !
Het Lot vergunt hun nooit die zaligheid te smaken :
Medusa blijft er met heur slangenhairen waken,[19]
En 't water vliedt van zelf de lippen die het noodt,
Zoo als het Tantalus' verdorden mond ontvlood.[20]

Zoo zwierf de bende dier avonturiers in 't ronde
In heur verdwaalden marsch, en eerst te dezer stonde
Doorschouwde zij op eens met radeloozen blik
De diepte der ellend, verbleekende van schrik.
Maar nergens rustte 't oog 1 Zij voeren voort met dwalen
Door menig treurig oord, door donkre jammerdalen,
Door Alpenketens heen, nu koud, dan gloeiend heet,
Door poelen, kuilen, door moeras en steenrotsspleet,
En schaduwen des doods, waar blinde klippen gapen :
Eén enkel Doodsgebied, door 's Eeuwgen vloek geschapen
Tot kwaad, en goed alleen voor 't kwade. Daar verdween
Al 't leven, dat er stierf, daar leeft de dood-alléen !
Daar broedt Natuur, verkleumd, niet uit dan wat afschuwlijk
En monsterachtig is ; geen fabel schiep zoo gruwlijk,
Geen vrees verzon nog ooit zoo bont een spokenheir,
Chimaren, Hydra's en Gorgonen, en wat meer !
De Aartsvijand, midderwijl, door duizende gedachten
Aan 't stoute plan bezield, ontvouwt de rappe schachten
En klapwiekt, eenzaam, naar de Poort der Helle heen'.
Nu drijft hij rechts, dan links : soms wiegt hij naar beneên,
Bijna den bodem met gereefden vleugel scheerend';
Dan vliegt hij, torenhoog, de flikkering braveerend
Van 't vuurgewelf. Zaagt ge ooit van verre in d' oceaan
Een vloot, als hangend in de wolken, rijk beláan
Met specerijen, door d' aequators-wind gedreven,
Van Tidor zeilende of Bengalen, met den steven
Naar 't Kaapland, snijden door de wijde Moorsche Zee,[21]
Laveeren tegen stroom ? Alzoo nu toonde meê
De Aartsvijand zich van ver', al kruisend voortga vlogen
Naar 't éene doel! In 't eind, daar steigert voor zijn oogen
Het grensgemuurt' der Hel in zichtbre duisternis
Hoog naar 't afgrijslijk dak. Daar ziet hij door een trits
Driedubble poorten zich den uitgang afgesloten:
Drie zijn uit koper, drie uit ijzererts gegoten.
Drie zijn geklonken uit een rots van diamant,
Terwijl een vlammend vuur dat onophoudlijk brandt
Maar niet verteert, verbiedt den drempel te overschrijden.
En buiten de eerste poort bedreigt hem van weêrszijden
Een schrikgedaante, die den stoutste ontzetten zou.
Tot aan den gordel toe was de éene een schoone vrouw.
Maar ze eindigde in een slang, geschubd, in kronkelbochten
Gerold, gewapend met een weêrhaak. Wangedrochten
Van honden hangen aan heur middel, uit een muil
Als die van Cerberus een eindeloos gehuil[22].
Uitstootend, een gejank dat heel het diep doorbaste.
Maar wen een vreemd gerucht hen, zoo als nu, verraste,
Dan kropen ze in haar schoot, en joelden ongestoord
En nu onzichtbaar, uit d' afgrijsbren schuilhoek voort.
Geen erger monsters, die zich om heur heup verdrongen,
Is de arme Scylla in 't Trinacriesch meir ontsprongen.
Die toonen wilde wat zij voorhad en — vermocht ;
'k Moet weten wie gij zijt, tweevormig wangedrocht !
Waarom gij mij, die 't eerst u in deez' krocht ontmoette,
Als vader, 't spooksel hier als zoon van mij begroette !
ik ken u niet, en nooit, zoolang mij heugen moog',
Stond nog een tweetal, zoo afschuwlijk, voor mijn oog !"
De Helbewaarster sprak : „Ben ik dan zoo vergeten
Bij u ? Zoo zeer verfoeid ? ... Gij hebt mij schoon geheeten :
Herinner u dien dag ! Gij zat met heel een heir
Van Serafs in den raad der saamgezwoornen neêr.
't Gold d' opstand tegen God. „Ten oorlog !" juichten ze allen :
Daar werdt gij plotseling door weeën overvallen.
Uw oogen, zwijmelend en van 't gezicht beroofd,
Verzonken als in nacht. Van uw verbijsterd hoofd[23]
Ging rook en vuurvlam uit : daar spleten zich uw slapen,
En ik, als een godin, volwassen, onder 't wapen,
Sprong plotseling in 't licht, uw sprekend evenbeeld,
En toenmaals met een glans van hemelsch schoon bedeeld.
Verschrikking overviel al de Engelen in 't ronde :
Zij deinsden huivrend — ik ontfing den naam van „Zonde,"
En elk beschouwde me als een voorspook van ellend.
Maar 'k werd allengskens die mij schuwden méer bekend ;
Mijn omgang lokte : ik wist mijn felste tegenstandren
---. 'k Was jong en vleiend -- in bewondraars te verandren.
En gij vooral, gij, die in mij uw beeld hervondt,
Verliefde op mij ; en ons verboden minverbond
Beloofde vrucht... Terwijl was de oorlog uitgebroken :
De Hel was stout genoeg den Hemel te bestoken —
De Hemel overwon (kon 't anders ?) en ons heir,
Alom geslagen, plofte uit alle Hoogtenneêr,
En stortte (en ik met hen !) in 's Afgronds ingewanden.
Toen gaf een Hooger Macht deez' sleutels mij in handen,
Met last de poorten nooit, tot in . alle eeuwigheên,
Voor iemand, wie dan ook, te ontsluiten. — 'k Zat alléen,
Verzonken in gepeins. Maar 'k had niet lang gezeten,
Of 'k voelde plotseling mij 't hart van-éen-gereten
Door duldloos wee, en 'k schonk dit haatlijk wangedrocht,
Uw zoon, het leven ! 't Werd ten duursten prijs gekocht,
Want sints bleef ik misvormd, door angst en smart verwrongen,
En sleepte een slangenlijf. Maar hij, in 't licht gesprongen
Mijn vijand, dien ik baarde, afgrijsselijk gezicht !
Zwaaide als waanzinnig zijn onwederstaanbre schicht,
Geschapen tot verderf. Ik nam de vlucht en gilde :
„De Dood !" Pas klonk die naam, of heel de Helle trilde
Van schrik, en 't galmde in al heur kolken na : „De Dood !"
Ik vlood, hij volgde mij veel sneller dan ik vlood,
Toch, naar mij toescheen, meer uit snoode lust, dan tooren.
Hij achterhaalde mij : 'k was uitgeput, verloren —
Hij schond me . . 'k Bracht eerlang dat nest van slangen voort,
Dat ge onophoudlijk in mijn bijzijn huilen hoort.
Steeds weêr ontfangen, weêr geboren, gaan ze en komen
Naar willekeur, terwijl mijn oogen overstroomen
Van pijn : zij knagen met meêdoogenloozen tand,
Hun hanger stillend, mij aan 't krimpend ingewand,
En zijn ze een wijl voldaan, dan breken ze uit, en hangen
Mij bassende aan het lijf, als kronkelende slangen,
Gelijk gij hier aanschouwt ! Zoo heb ik rust noch duur !
Terwijl zit over mij mijn zoon, van uur tot uur,
Van eeuw tot eeuwigheid, de Dood ! die nog verwoeder
Dan die gedrochten, steeds hen aanhitst, en zijn moeder
Lang had' verslonden, bij gebrek van andren buit,
Zoo hij niet wist, dat m ij n vernietiging 't besluit
Van zijn bestaan zou zijn, dat, wanneer ook nadezen,
Ik hens een bittre bete, een doodlijk gif zal wezen :
Zoo is des Noodlots wil. Maar gij, mijn vader ! gij,
Ik bid u, schuw zijn pijl ! Hoe sterk uw rusting zij,
Gestaald in hemelsch vuur, zij kan u niet bewaren
Voor zulk een wapentuig, dat nimmer wist van sparen,
En dat slechts Hij weêrstaat die 't groot heelal regeert !"

Zij zweeg. De Aartsvijand sprak, in huichlarij volleerd,
Op zachter toon : „'k Wil u mijn dierbre dochter heeten,
Nu gij me uw vader noemt, en mij den band doet weten
Die mij vereenigt met- uw lieven zoon, mijn kind,
Ons beider kostlijk pand. Ik heb u teêr bemind :
De liefde schonk ons in den Hemel blijde dagen !
Ach, sints die ramp, die ons zoo plotsling heeft geslagen,
Slechts tranen ! ... Neen, 't is niet als vijand dat ik kom :
'k Wil u, en hem, mij-zelf, en al het Geestendom
Dat met de wapens voor zijn rechten durfde strijden,
Maar met ons neêrplofte, uit de duisternis bevrijden
Van dit rampzalig Huis der smarte ! 'k Wil, alleen
Voor allen, door het diep van 't maatloos Ledig heen',
Een plaats ontdekken, lang voorspeld, eerst nu verrezen
Als éen, groot, waereldrond. Dat moet een lustoord wezen,
Dat aan den Hemel grenst, vol wondre scheppingspracht,
De zaalge woning van een pas verwekt geslacht
Van wezens, licht bestemd de ledige Englentroonen
Te vullen, schoon zij toch op verder afstand wonen,
Opdat de Hemel, al te machtig overlaan,
Niet tegen God opnieuw ten oorlog op zou staan !
Is dit geschied, of méer dan gij en ik vermoeden ?
Ik wil het weten, en gij ziet mij henenspoeden
Op kondschap. Is 't geheim ontsluierd, ik keer weêr,
En breng u tot dat oord. Daar zult ge in zachter sfeer,
Gij beide, Zonde en Dood, op balsemluchten zweven,
Onzichtbaar, onbemerkt ; daar zult ge in weelde leven,
Want alles, alles valt als buit u in den schoot !"
Hij zweeg. Zijn voorstel was hun welkom ; en de Dood
Vertrok zijn aanschijn tot een schaterlach, op 't hooren
Dat hij zijn hongersnood zou stillen, lang te voren
Dus juichende in dat uur, waarop zijn wijde muil
Wat is verslinden zal met wild triomfgehuil.
Zijn booze moeder was niet min verheugd, en zeide :
„'k Bewaar den sleutel van deez' Afgrond. De Almacht lelde
Dien in mijn handen met bepaald bevel om nooit
Deez' diamanten poort te ontsluiten ; en zoo ooit
Geweld moog' dreigen, hier, de Dood, zal blijven waken,
Vernielend met zijn schicht wie immer durft genaken.
Maar waartoe langer Hem gehoorzaamd die mij haat,
Die mij, een Hemelkind, in 't duister kwijnen laat
Van dezen Tartarus ? Moet ik geen ambt bekleeden,[24]
't Verachtlijkst' wat er is ? Moet ik alle eeuwigheden
Doorworstelen met smart en doodsangst, steeds belaagd
Door eigen wangebroed, dat aan mijn hartaar knaagt?
Gij zijt mijn vader, gij mijn oorsprong, 'k dank u 't leven:
Wien moet ik volgen, wien 't verschuldigd offer geven
Van mijn gehoorzaamheid dan U en U-alleen ?
Gij immers leidt mij naar die Nieuwe Waereld heen'
Vol heil en zaligheid, bij Goden, die daar wonen
In 't eeuwig licht, en ik zal aan uw zijde troonen
En zwelgen in 't genot van eindelooze min,
Uw lieve dochter en verkoren koningin !"

Zij sprak : daar hield zij nu den sleutel opgeheven,
't Noodlottig werktuig van al 't lijden van dit leven !
Zij sleepte naar de poort zich op den slangestaart,
En sloeg den slotboom op, een ijzeren gevaart',
Dat heel de Styx niet zou verwrikken of bewegen !
Zij dreef den sleutel door de wondre kronkelwegen
Van 't kunstig slot, en schoof met moeizaam overleg
De grendels van metaal en diamant-rots weg.
Nu vlogen plotseling, onhandig losgesprongen,
De poorten uit elkaar, en schorre donders drongen
Uit de ijzren hengsels diep tot in den middernacht
Van d' Erberus. Ze ontsloot ; maar 't was niet in haar macht[25]
Opnieuw te sluiten ! en de reuzenpoort bleef gapen,
Zoo wijd, dat heel een heir, in slagorde, onder 't wapen
Met wagens en geschut en vliegende oorlogsvaan
Aan beide vleugelen, er door had kunnen gaan.
En door die oopning wierp ze als uit ontsloten kaken
Rook, smook en vlammen uit, die rood als purper blaken !
Daar zag nu Satan al wat de Afgrond hield bedekt,
Een grondlooze' oceaan, oneindig uitgestrekt,
Waar nergens lengte of breedte of hoogte werd gevonden,
Noch paal, noch perk, waar tijd en ruimte niet bestonden,
Waar Nacht en Chaos, voórgevaders der Natuur,[26]
Regeeringloosheid een onafgebroken duur
Verzekeren door krijg en wanorde Immer trachten
Naar 't hoog gebied aldaar vier Koninklijke Machten :
Kou, Hitte, Droogte en Vocht, en voeren, nooit voldaan,
Elk hun atomen tot den fellen kampstrijd aan,
Die, onvolwassen, pas in 't eerst beginsel leven.
Deze, ieder naar zijn aart en innigste aandrift, zweven
Rondom den standaart van hun aanhang, licht of zwaar
Gewapend,scherp of stomp, zich warrlend door elkaar,
't Zij snel of traag, maar steeds ontelbaar als de zanden
Van 't gloeiend Libyë of van Barca's dorre stranden,[27]
Waarmeê de wervelwind, die ze oproert in zijn vaart,
De lichte vleugelen in evenwicht bewaart.
Wiens aanhang talrijkst is, mag hier een poos bevelen;
Maar steeds zit Chaos voor, die de eindlooze krakeelen
Waardoor hij heerscht, gestaag verwikkelt ; en 't Geval,
Scheidsrechter nevens hem, bestuurt en dwingt het Al.
Hier, in deez' kloof, waaruit Natuur eens is verrezen
Als uit den moederschoot, die licht haar graf zal wezen,
Noch zee, noch strand, noch lucht, noch vuur, maar alles saam'
In d' eersten kiem vermengd ! een warklomp zonder naam
Vol strijd en tweespalt, die wel nimmermeer bedaren,
Ten zij straks wederom de Heer der legerscharen
Nog andre bollen uit die grondstof scheppen wil.
Hier stond de Aartsvijand aan den boord der Helle stil,
En schouwde en overwoog in diep gepeins zijn wegen :
't Gold hier geen vaambare engte ! Een loeien klonk hem tegen
— Gun, dat men 't groote bij het kleine vergelijk' ! —
Zooals wanneer Belloon' de Hoofdstad van een Rijk[28]
Met al de donders van 't geschut heeft overvallen ;
Of als er daavren zou, zoo de elementen, allen
In oproer, 't hemeldak verbrijzelden en de Aard
Loswrikten van heur as. Op éens neemt hij zijn vaart,
Den grond wegstotend, door een dikken smook gedragen,
De breede vleugelen als zeilen uitgeslagen.
Zoo zweeft hij mijlen voort, als op een wolkkaros
Al hooger klimmend. Maar die zetel laat hem los,
En loodrecht stort hij in het IJdel naar beneden,
Tienduizend vaámen diep. Vergeefs den val bestreden !
Vergeefs geklapwiekt, waar geen lucht is ! Tot dit uur
Zou hij nóg vallen, zoo geen onweêrswolk, van vuur
En solfer zwanger, als door een noodlottig wonder
Van-éen-gescheurd, hem met den weêrslag van heur donder
Had' opgezweept naar 't punt waar hij gevallen was.
Haar vuurgloed doofde ze in een Syrtis van moeras,[29]
Noch zee, noch vaste land. Hier trok hij, hijgend, zwoegend,
Half staand, half vliegend voort, de taaie slib doorploegend
Als hielp hem riem en zeil. Zoo zien we een griffioen[30]
Zich met gewiekte vaart door poel en bergkloof spoên,
Den Arimasp op 't spoor, die 't goud hem heeft ontstolen,
Zijn zorgen toevertrouwd. Dus, dwars door hoogten, holen,
Door ruigte en draspoel, maakt de Aartsvijand zich een baan,
Met hoofd en voet, door hand en vleugel uit te slaan,
En zwemt, of waadt, of vliegt, of kruipt, om voort te komen.
Daar heeft hij plotsling een verward gerucht vernomen
Van stemmen, al te saam' zich menglende onder éen,[31]
En raatlend, razend, door het diepe duister heen'.
Heldhaftig rukt hij voort, begeerig om te weten
Wat macht of hellegeest te midden van die kreeten
In 's Afgronds diepste krocht zich dus genesteld had.
Die zou hem wijzen op het allernaaste pad
Dat naar de grenzen voert van 't Lichtrijk in den hoogen !
Daar stond op eens de troon van Chaos voor zijn oogen,
Wiens nevelige tent zich uitbreidt over 't diep !
De zwarte Nacht, van al wat eenmaal de Eeuwge schiep
De áloudste, zat met hem op d' eigen troon. Daarnevens
Stond Orcus, Hades, en die Demogorgon tevens,[32][33]
Wiens enkle naam alreeds een schrik is ! om hem heen'
Rumoer, Geval, Wanorde en Oproer onder een,
En Tweespalt, schreeuwende uit wel duizend andre monden.
Tot hen sprak Satan, door zijn hoogmoed opgewonden :

„Gij Geesten, 't diepste diep beheerschend met uw macht !
Gij Chaos, allereerst, en overoude Nacht !
'k Ben niet als spiê tot uw Gewesten doorgedrongen :
'k Vorsch noch uw Staatkunde uit, noch stoor haar.
'k Ben gedwongen
Tot deze kruistocht door uw donkre wildernis
Naar 't Rijk des Lichts. Maar moê, alleen en ongewis,
Zoek ik het naaste pad naar 't punt, waar 's Hemels zoomen
Uw grenzen raken. Of, werd u een erf ontnomen,
Een oord, nog straks het uwe, onteigend door de hand
Des Algebieders, 'k zoek, uw diepte door, dat land.
Bestuurt mijn gangen ! Gij zult rijke vruchten plukken,
Zoo 'k dien verloren Staat den Dwingland mag ontrukken
En u te-rug-geef. Als 't heroverde gebied
Opnieuw, aloude Nacht ! uw standaart rijzen ziet,
Dan is mijn doel bereikt ! 'k Wil u al 't voordeel laten,
Ik wensch de wraak-alleen !"

Dus, listig en verwaten,
Sprak Satan. De Oude Anarch, verlegen en verstoord,
Met stamerende tong, nam daarop dus het woord :

'k Weet, Vreemdling ! wie gij zijt, gij Hoofd der Hemelheiren,
De schriklijke Engel, die den Koning dorst braveeren,
Maar overwonnen werd ! Ik zag en hoorde 't wel,
Want niet in stilte plofte in de allerdiepste Hel
Een talrijk leger zooals 't uwe, weggeslagen
Door d' Almachtsdonder, in herhaalde nederlagen
Verbijsterd, en verward door nieuwen val op val ;
Terwijl de Hemelpoort een millioenental
Verwinnaars uitliet om u vóor zich uit te drijven !
'k Deed sints mijn Hófgezin hier op den grens verblijven :
'k Bescherm er 't weinige dat mij nog overschiet,
Dat door uw oproer ook besnoeid is, en 't gebied
Des Nachts ontrukt. Eerst ging mij 't ruime diep verloren
Der Hel, omdat zij u tot kerker werd beschoren ;
Een Nieuwe Waereld weêr werd onlangs mij ontroofd,
Tot heden onbevolkt, ons zwevend boven 't hoofd
Aan gouden keten, dichtst nabij die Hemelwallen,
Waar uw millioenen in den Afgrond zijn gevallen.
Strekt zich uw reis daarheen ? Niet verre schuilt dat oord,
Nog minder ver, 't gevaar ! Zoo ga, en spoed u voort !
Roof, plundring en verderf zijn mij gewin !"
Toen zwegen Zijn dorre lippen ;
maar geen andwoord klonk hem tegen.
Want Satan, blijde in hoop dat nu zijn zee in 't end
Een strand zou vinden, vliegt in 't woeste firmament
Met nieuwe veêrkracht als een vuurpijl naar den hoogen,
Door de elementen heen, die rustloos oorelogen,
Zich menglend door elkaar. Min hachlijk zwoegde 't schip
Van Argus, zeilend door den Bosphorus, waar klip[34]
Bij klip hem dreigde ; min gevaarlijk was het strijden
Van Held Ulysses, om Charybdis' kolk te mijden,[35]
Terwijl aan d' andren kant de Scylla hem beloert.
Zóo tobde Satan voort, door moeite en zorg ontroerd,
En met veel arbeids. Wat verandring kort na dezen !
Want toen hij éens den weg (te vroeg !) had aangewezen,
Toen volgden, na den val, met wonderlijken spoed
{De Hemel duldde 't) Zonde en Dood hem op den voet,
Plaveiend over heel den donkren afgrond henen
Een heirbaan achter hem. De vuurvlamgolven schenen
Toen voor een wijl getemd en duldden op heur rug
Gedwee de zwaarte van een eindelooze brug,
Die doorloopt van de Hel tot 's Aardrijks uiterste enden.
Dat is de weg, waarlangs zich booze geesten wenden,
Om stervelingen te verzoeken. Maar de Heer
Zendt tot de Zijnen zijn beschermende Englen neêr
Maar eindlijk toonde 't licht zijn invloed. Van de transen
Des Hemels schoot het neêr, met de eerste morgenglansen
Den Nacht doorscheemrend. Hier begint Natuur, hier wijkt
Als uit zijn laatsten schans de Chaos, en bezwijkt.
Hier zweefde Satan nu met mindere gevaren
En minder moeite door de wiegelende baren,
Gelijk, na 't onweêr, op de gladgekemde zee
Het half-onttakeld schip voortdobbert naar de ree.
Iets dat naar lucht gelijkt, gunt hem op breede wieken
Te drijven, en van ver in 't flauwe morgenkrieken
Den Hemel te bespiên, weêrschitterend reeds hier
Met poorten van opaal en tinnen van saffier,
Zijn dierbre Vaderstad voordezen ! En daarneven
Ziet hij deez' Waereld aan een gouden keten zweven,[36]
Een star der minste grootte en dichtebij de maan.
Hij ziet haar woedend vuurt de snoode wraak hem aan.
Hij gaat zijn vloekbren weg. — Wee over hem, d' ontaarde !
Maar wee ook over u, gij haast rampzalige Aarde !

Noten[bewerken]

  1. Ormuz: een eiland in de Perzische Golf, het centrum van grote rijkdom gegenereerd door de specerijen- en juwelenhandel. India staat symbool voor een koninklijk hof met grote luister.
  2. Barbaars: van het Griekse woord voor "vreemd", of, meer letterlijk, voor alles wat niet Grieks was.
  3. Onsterfelijke kracht: Satan en de duivels, hoewel verdoemd, blijven onsterfelijk en goddelijk in hun macht.
  4. Manna: de goddelijke substantie die God in Exodus 16 als voedsel aan de Israëlieten verschafte.
  5. Prometheus werd vastgeketend aan een rots wegens ongehoorzaamheid aan Zeus. Hij werd veroordeeld om elke dag zijn lever te laten opeten omdat hij de mens het vuur had gegeven.
  6. Halleluja’s: Hebreeuws woord voor liederen ter ere van God.
  7. De titaan Atlas werd gedwongen om de hemel op zijn schouders te dragen.
  8. Verwijst naar het bolvormige gebied rond de hel; "negenvoudig" verwijst naar de negen cirkels van de Styx rond de onderwereld , en "poorten van brandende adamant" '(of diamant) herinneren aan de zuilen van Vergilius rond de poorten van Tartarus.
  9. Verlossing voor allen: in navolging van de Zoon van God claimt Satan de rol van verlosser.
  10. De Pythische velden waren in de buurt van Delphi, waar de Pythische spelen werden gehouden, die de overwinning van Apollo op de Python vierden.
  11. De merkpaal/eindpaal: de paardenmenners trachtten de koersmarkering te mijden als ze de bocht in een wagenren nemen.
  12. Typhon was een monsterlijke slangachtige reus en een van de dodelijkste wezens in de Griekse mythologie.
  13. Lichas vanaf de top van Oeta: Hercules keerde als overwinnaar terug uit Oechalia, in Laconia, en kreeg als geschenk de mantel van de centaur Nessus, die hij jaren eerder had bevochten en gedood. De mantel werd vergiftigd en verwoestte hem, waardoor hij de onschuldige Lichas in zee gooide vanaf de berg Oeta.
  14. Styx: de belangrijkste rivier in Hades.
  15. De rivier Acheron komt ook prominent voor in de Griekse mythologie, waar zij vaak wordt afgebeeld als de ingang naar de Griekse onderwereld waar zielen door Charon moeten worden overgezet.
  16. Lethe: de rivier van vergetelheid.
  17. Serboons moeras: drijfzand rond het Serbonismeer aan de monding van de Nijl
  18. De harpijen, die Aeneas en zijn mannen aanvielen, hadden de gezichten en borsten van jonge vrouwen, de vleugels en lichamen van vogels, en klauwen als handen.
  19. Medusa: Gorgoon die slangen als haar had en waarvan de aanblik mannen in stenen veranderde.
  20. Tantalus werd in de hel veroordeeld om eeuwig dorst te lijden in een poel waarvan het water net buiten het bereik van zijn lippen kwam.
  21. De schepen hier bootsen de specerijenroute na, vanuit het zuiden en westen van India rond Kaap de Goede Hoop. Ternate en Tidore zijn twee van de specerij-eilanden in de buurt van Nieuw-Guinea.
  22. Kerberos of Cerberus is een figuur uit de Griekse mythologie: een monsterlijke hond met drie koppen
  23. Milton: ... on the left side opening wide,; de linkerkant is de "sinistere" kant. Zo is Eva geschapen uit een van Adams linkerribben.
  24. Tartaars: van Tartarus, de klassieke onderwereld.
  25. 'Erberus': Erebus: duisternis, hel; Erebos is in Griekse mythologie de god van de duisternis.
  26. Chaos: in Miltons kosmologie heersen Chaos en Nacht over de 'eeuwige anarchie', de vormloze leegte tussen hel en hemel.
  27. Barca: woestijn tussen Egypte en Tunis.
  28. Bellona: godin van de oorlog.
  29. Syrtis: verschuivend zand aan de Noord-Afrikaanse kust.
  30. Griffioenen werden verondersteld de bewakers te zijn van overvloedige hoeveelheden goud die de Arimaspiërs constant probeerden te stelen.
  31. Dit kan verwijzen naar de "vloek" van taalkundige diversiteit na het incident met de Toren van Babel zoals verteld in het Bijbelboek Genesis.
  32. Orcus en Hades: namen van de klassieke god van de hel.
  33. Demogorgon: demon uit de onderwereld.
  34. Argo: het schip van Jason en de Argonauten.
  35. Charybdis: draaikolk tegenover Scylla, de meer verraderlijke draaikolk.
  36. Gouden keten/ketting: zie Ilias 8. 15-24 voor de legende van de gouden ketting die de aarde en de hemel met elkaar verbindt.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.