Naar inhoud springen

Paradise Lost van John Milton/Boek VI

Uit Wikibooks

Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III - Boek IV - Boek V - Boek VI - Boek VII - Boek VIII - Boek IX - Boek X - Boek XI - Boek XII

Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Vertaling: Jan Jakob Lodewijk ten Kate (1875)

ZESDE BOEK
(Engelse tekst van Milton: zie Wikisource Paradise Lost/Book VI)

Raphael gaat voort met zijn verhaal hoe Michael en Gabriel
tegen Satan en zijne engelen ten strijde werden gezonden.
De eerste slag wordt beschreven. Satan trekt met zijn
krijgsmacht bij nacht terug. Hij roept een raad bij-éen,
en vindt duivelsche werktuigen uit, waardoor Michael
en zijne engelen, in den slag van den Tweeden dag,
min of meer in wanorde geraken. Maar deze, ten laatsten
bergen opnemende, overstelpen de macht, beide, en de
krijgstuigen van Satan.
Daar intusschen het oproer hiermee nog niet gedempt is,
zendt God op den Derden dag den Messias, Zijnen Zoon,
voor wien Hij de eere der overwinning had bewaard.
Deze, in des Vaders kracht, op het oorlogstooneel verschenen,
beveeld Zijne legioenen aan weêrszijde stil te
blijven staan ; en drijft nu, gants-alléen, Zijn donderwagen
dwars door 't vijandelijke leger. En als zij niet langer
bij machte zijn Hem te weêrstaan, vervolgt Hij hen tot
aan des Hemels grens. Deze wordt geopend, en nu storten
ze met schrik en verbazing neêr in de plaats der straf,
die in den Afgrond voor hen bereid was.
De Messias keert zegepralend terug tot zijnen Vader ...



Den gantschen nacht door, vloog de Seraf, onverpoosd[1]
En onvervolgd, door 't ruim des Hemels, tot in 't Oost
De dageraad, gewekt door de Uren die zich slingren
In rondedans, de poort des Lichts met rozenvingren
Ontsloot. In 't midden van den Heilgen Berg, nabij
Den hoogen Troonstoel van des Eeuwgen Heerschappij,
Is een verwulfsel, waar bij beurten, 't Licht en 't Donker
Elkaar vervangen, om met koestrend straalgeflonker
Of koele schaduw, in gestagen wisselkeer
Omhoog te brengen wat in 's Aardrijks lager sfeer
De Dag heet en de Nacht. Pas is het licht verdwenen
Uit de éene poort, daar glijdt, vóor de andre Poort verschenen,
De Duisternis al zacht naar binnen, tot haar uur
Verschijnt, en zij op nieuw het hemelsch luchtazuur
Omfloerst, schoon enkel met doorzichtig schaduwduister.
Dit smolt nu weg, terwijl de morgen met zijn luister
Van gouden stralen naar het Empyraeum trekt.[2]
En nu zag Abdiël 't onmeetlijk vlak bedekt
Met benden, toegerust ten strijd', met lansen, zwaarden,
En wagenen van vuur en vlammende oorlogspaarden :
Want de Oorlog was nabij ! want de Oorlog was reeds daar.
Hij zag het. En wat hij als onverwachte maar'
Te brengen meende. was een nieuws dat ze allen kenden !
Nu ging hij haastig tot de broederlijke benden,
Die met gejubel hem ontfingen, dat er éen
Uit honderduizenden afvalligen alleen
Terugkeerde, éen, altans, o blijdschap ! onverloren.
Zij brachten hem tot God : daar liet een stem zich hooren,
Die uit de lichtwolk om den hoogen Glorietroon[3]
Hem aldus tegenruischte op liefelijken toon :
„Wél, trouwe dienstknecht Gods ! wél moogt gij nader treden ![4]
Gij hebt den goeden strijd met waardigheid gestreden,
Daar gij-alléen voor heel een woedend muitrenrot
De waarheid handhaafde en gepleit hebt voor uw God
Met woorden, machtiger dan al hun waapnen samen !
Aldus getuigend, liet ge u schokken noch beschamen
Door d' algemeenen hoon, veel bittrer dan geweld.
Want dat was al uw zorg, gij onverschrokken Held,
Om 't hoofd voor uwen God vrijmoedig op te heffen,
Al zou dan 't vonnis ook van waerelden u treffen !
De lichter zegepraal is nog voor u bewaard,
Om, met der vrienden hulp, die naast u staan geschaard,
Met meerder glorie tot uw vijanden te keeren
Dan gij met smaad hen vloodt. Nu zult gij hen verneêren
Met reuzenovermacht, wier woede zich verzet
Te buigen voor de Rede als de allerhoogsten Wet
En voor Messias als den Koning mijner glorie.
Gij Michaël ! gij, vorst der Englen, ter viktorie ![5]
Gij Gabriël ! gij waard meê aan de spits te staan,[6]
Voer Gij mijn Heiligen, mijn Zoons, in slagorde aan[7]
Bij tienmaalduizenden en honderdduizend tallen ![8]
Gij zult het godloos rot der muiters overvallen
Met vuur en wapentuig, hen zweepen naar den rand
Des Hemels, en van daar hen ploffen in den brand
Der Helle, die alreeds met ongeduldig blaken[9]
Hen in heur chaos wacht met opgesperde kaken !"

Zoo sprak de Almachtige — en in zwarte wolken dook
De Heilge Berg. Daar steeg een dwarrelende smook
Als van bedwongen vuur : de gramschap Gods ontwaakte !
En hoor ! hoog van den top des Heilgen Bergs, daar kraakte
Niet minder vreesselijk 't geschetter der klaroen !
Toen trok, in legioen bij schittrend legioen
Te-saam-gestroomd, en tot éen groot vierkant verbonden,
Heel 't Hemels Leger op. En moed en geestdrift stonden
Te lezen in hun blik, den blos van hun gelaat,
En trilden in hun gang, terwijl zij op de maat
Der heerlijkste muziek veêrkrachtig voorwaarts traden,
Besloten, God ter eer, tot alle Heldendaden.
Zij rukten verder met een éenheid nooit gestoord :
Geen berg, geen kloof, geen woud, geen zee met rots omboord,
Brak ooit een breuk in hun geslotene geleedren:
Zij zweefden langs den grond, als toen op vlugge veedren
Al 't heir der vogelen, ter plaatse waar gij stondt,
O Adam ! aanvloog om hun naam uit uwen mond
Te hooren. 't Was een tocht, waar niet werd afgeweken,
Ook door niet éen. Voort ! voort ! door wat al Hemelstreken,
In lengte tienmaal meer dan de omvang dezer Aard' !
In 't eind, daar werd in 't Noord een horizont ontwaard,
Een vuurstreep, als een heir in slagorde. En daar glansen
De ontelbre spitsen van aan-een-gedrongen lansen,
Helmetten, schilden, van verscheiden vorm, bedeeld
Met menig leenspreuk en hoogmoedig zinnebeeld.
Dat was de Legermacht van Satan's eedgenooten,
In stormende aantocht, tot een dollen slag besloten :
Want heden, héden moest, door strijd of overval,
Gods Berg bemachtigd, en de Koning van 't Heelal
Onttroond, om in Zijn plaats een woedenden Benijder
Te groeten. Al vergeefs ! De felle weèrpartijder
Werd halverweegs beschaamd I. . Eerst greep ons droefheid aan,
Toen wij daar Englen over Englen zagen staan
Vijandig, vaardig om elkander te bestrijden
Met felle wapens : hen, gewoon in beter tijden
Te-saam te zingen, op zoo menig vreugdfestijn
Een zelfden God ter eer, Wiens kindren ze allen zijn !
Maar nu ! van weêrszij' liet het krijgsgeschrei zich hooren :
De kreet des aanvals sneed wanluidend in onze ooren,
En ook de laatste hoop op vrede was niet meer !
De Afvallige zat op zijn zonnewagen neêr,
't Afgodiesch zinnebeeld der glorie des Almachten,
In 't midden van een drom van vlammende Englenwachten
Met gouden schilden, hem omringende als zijn Staf.
Nu klom hij statig van zijn trotschen zetel af :
Want wat de Vijanden nu scheidde van elkander,
Was slechts een kleine ruimte, en de een stond over d' ander,
Spitstegen spits geschaard, in 't eindlooze uitgebreid.
Eer de aanval plaats greep, trad in sombre majesteit
Met wapens die van goud en diamanten gloren,
De Aartsvijand, rijzig als een hemelhooge toren,
Voor 't front van heel zijn heir, dat aan zijn lippen hing.
't Was Abdiël te veel, die, in den Heldenkring,
Op grootsche daden peinsde, en 't stormde in zijn gedachten :

„Helaas ! dat zulk een zweem der glorie des Almachten[10]
Nog overblijft, waar 't licht der waarheid is verbleekt !
Kandaar nog kracht zijn, waar de vreeze Gods ontbreekt ?
Waarom toch zouden niet, schoon ze als verwinnaars brallen,
Geweld en Trotschheid, juist als de allerzwaksten vallen ?
Beproeve ik met Gods hulp wat 's vijands kracht vermag,
Gelijk ik reeds zijn woord beproefde en — zwichten zag
Als valsch en ledig : Neen, 't is geen te stout vermeten :
Die overwinnaar door de Waarheid zich mag heeten,
Kan overwinnen door de Wapens, t' aller tijd
Verwinnaar, voor en na ! ... Onedel is de strijd
Waarin de Rede zich aan driest Geweld moet wagen,
Maar dat de Rede in 't eind de zege weg zal dragen
Is 't allerreedlijkst toch !"
En met gehaaste schreên
Was hij, dus peinzend, reeds zijn front vooruitgetreên,
Den vijand te gemoet', die, aldus voorgekomen,
Verrast, ter nauwernood zijn woede kan betoomen.

„Vermeetle die gij zijt !" sprak Abdiël hem aan :
„Dat hadt gij niet gedroomd, dat ik u hier zou staan i
De waanzin van uw trots, verwilderd en verwaten,
Verwachtte 's Heeren Troon door 't Englendom verlaten
Uit vreeze voor uw macht, of door uw slangentong
Betooverd. Dwaas ! wat macht die de Almacht ooit bedwong,
Een Almacht, die uit stof zich legers kan verwekken,
Om plotsling de uwen als een stortvloed te overdekken,
Die enkel met de hand te wenken heeft, niets meer !
En — met uw duizenden bonst gij verbrijzeld neêr
In eeuwgen nacht ! Dit moet ge, al berst u 't hart, aanschouwen :
Niet allen volgen U 1 daar zijn nog Godgetrouwen,
Die staande blijven — ook al zag uw oog ze niet,
Toen ik, en ik-alléen op uw gevloekt Gebied
U weêrstand bood en mij van allen scheen te scheiden !
Zie hier mijn benden, die ten oorlog zich bereiden,
En leer nu -- schoon te laat --- dat vaker dan men waant
Waar duizend' dwalen, éen het pad der Wijsheid baant !"
De Aartsengel andwoord met een hoongelach tot groete :

„Oproerling die gij zijt ! zoo ik u hier ontmoete,[11]
Gij kwaamt te kwader uur — voor U, maar niet voor mij :
Want wien mijn grimmigheid het éerste zocht, zijt Gij !
Mijn hand is u den loon nog schuldig voor de steken
Van d' angel uwer tong, die mij dorst tegenspreken,
En tegen 't derde deel der Goon zich heeft gekant,
Die, voelende wat kracht hun stalen spieren spant,
-Geen andre kennen dien ze Almachtig zouden heeten !
Maar wel te recht moogt Gij voor allen u vermeten,
Een greep te wagen naar mijn helmkam, of ge een veêr[12]
Mocht rukken uit mijn pluim. Gelukte 't, welk eene eer,
O jonge Held, voor u! en welk een hoopvol teeken
Dat ge uit mijn slagwiek al de pennen weg zult breken !
Wij zullen zien ! ... Maar éerst dit enkel woord, hoe kort,
In ruil der dwaasheên, door uw hoogmoed uitgestort :
'k Dacht eens, de Hemel en de gulden Vrijheid waren
Voor Hemelingen éen : maar nu heb ik ervaren
Dat de allermeesten liefst zich tot een slavenstoet[13]
Verneedren, bij muziek en feesten opgevoed !
Dezulken nu hebt Gij gewapend, ware Helden
In zang en citherspel ! Zoo worden deze velden
Dan straks het strijdperk, tot beslechting van het feit :
Wie de eerste is, Vrijheid of verwijfde Dienstbaarheid !"

Toen andwoordde Abdiël : „Bewerker van ellende !
Gij dwaalt, afvallige ! en zult dwalen zonder ende,
Voor goed geweken van het pad der waarheid ! Gij
Bezoedelt, lastrend, met den naam van slavernij
Een dienst door God en door Natuur ons voorgeschreven.[14]
Zoo luidt het groot gebod dat beide, éenstemrnig geven :
Gehoorzaamheid! als Hij die 's Heerschers staf verheft,
De waardigste is en al de dienende' overtreft !
Maar dit is slavernij, een dwaas als Meester te Beren_
Een oproerstoker, die de Godheid durft trotseeren,
Gelijk dat rot, dat hier in uw gareelen draaft,
U volgt, die, zelf niet vrij, u-zelven zijt verslaafd !
Toch durft ge ons smaden, ons ontaarde knechten noemen ?
Heersch in de Hel, uw Rijk ! Ik zal mij zalig roemen
Zoolang ik 't aanschijn van d' Algoeden God mag zien,
En in den Hemel Hem uit vrije liefde dien ! . . .
Maar -- weet het, in de Hel zijn 't ketens en geen kroonen,
Wat u verbeidt ! En nu, laat hem het eerste u loonen,
Die, als gij zeidet, van zijn vlucht is weergekeerd :
Dit zij zijn welkom aan uw eerloos helmgeveêrt !"

Hij sprak, hief d' arm omhoog, en deed hem pijlsnel dalen
Met zulk een slag, als viel met al beur bliksemstralen
Een barstende onweêrswolk op Satans schedel neêr,
Zoo plotsling, dat geen blik, zelfs geen gedachte meer,
Veel min zijn schuld, dien bons ontduiken kon ! Tien schreden
Stoof Satan rugwaarts : toen, de wankelende leden
Voor 't vallen steunend met zijn krijgs-speer, bleef hij staan,
Zoo wordt een berg geschokt door onderaardsche' orkaan,
Of door den golfslag van omhooggeperste stroomen,
Hem vellend voor de helft, met al zijn dennenboomen !
De muiters beefden van verbazing en ontzach,
Maar allermeest van woede, aanschouwend hoe die slag
Hun sterkste duizlen deed. Daar rees uit onze rangen
Een juichkreet, vóorspel der verwinning ; en 't verlangen
Naar d' aanval van den strijd straalde aller oogen uit.
Toen wenkte Michaël, en 't donderend geluid
Der krijgsbazuin doorklonk den Hemel, bij 't weêrschallen
Van 't Hosianna der millioenen duizendtallen
Getrouwen. Midderwijl bleef ook des Vijands heir
Geen bloot aanschouwer, maar, strijdlustig evenzeer,
Rukte op ten aanval ! . . , Nu verrees daar in den hoogen
Een storm van woede, als nooit den Hemel had bewogen.
Geschreeuw, gekrijt, gekrijsch van wapens op elkaar
Zich botsend, zwaard en lans, op helm en beukelaar
Weêrklettrend, wielgeknars van kopren oorlogskarren —
Wat wangeluiden, die zich door elkander warren
In 't bannen van 't gevecht ! Ook ratelde er een vlucht
Van vlammenpijlen van weêrszijden door de lucht;
En onder zulk verdek van vuur en stralen vielen
De beide legers op elkander, tot vernielen
Bereid. De ruimte dreunde, en had toen de Aard' bestaan,
Geslingerd uit haar as waar' ze in den schok vergaan !
Geen wonder zeker, waar millioenen grimmige Englen
In wilde worsteling hun legioenen menglen,
Waarvan de minste zich kan waapnen met de kracht
Der elementen ! Wat verwoesting, als nu Macht
Op Macht zich wierp ! Het was of de eeuwige gewelven
Daar boven spleten, ja, alsof de Heernlen zelven
Ontbonden werden. Maar de Almachte Hemelheer,
Alléen-regeerend, ging het al geweld te keer,
Hoog van zijn vasten Troon des Vijands oorlogsscharen
Betoomend, vreeslijk en ontelbaar als zij waren.
Want heel een legermacht was ieder legioen,
Elke arm gold heel een heir, en elke kampioen
Behoefde in kunde voor geen Opperhoofd te bukken,
Wèlwetende, wannéer in stormmarsch op te rukken,
Om halt te maken, of te zwenken, de geleên
Nu te openen, dan weêr te sluiten. En niet éen
Die dacht aan vluchten, of aan deinzen, of aan vreezen ;
Maar elk bouwde op zich-zelf' als waar hij uitgelezen
Om 't pleit des oorlogs te beslechten door zijn kracht !
Wat heldendaden zijn dien grooten dag volbracht,
Alle eeuwig roemenswaard en — talloos Want verscheiden
Van aart, steeds wisslend, scheen de strijd zich uit te breiden
Naar alle kanten, ml een worstling voet voor voet
Op vasten bodem ; dan een tweekamp fel verwoed
Hoog in de lucht gevoerd, waar vleugelslagen ruischten
En vlammen van weêrszijds elkanderen doorkruisten,
Als stormen, blazende in een zee van bliksemlicht !
Lang hing de krijgsbalans in aarzlend evenwicht,
Tot Satan, die het hoofd elke' uitval durfde bieden,
En, ongelijkbaar, ook den sterkste dwong te vlieden,
Ten laatsten Michaël een zwaard hanteeren zag
Met beide vuisten, dat geleedren met éen slag
Als halmen velde. Om die vernietiging te keeren
Vloog Satan toe, gereed de slagen af te weeren
Op 't tienvoud diamant van zijn ontzachlijk schild,
Dat als een maanschijf aan zijn slinkerzijde trilt.
De groote Aartsengel, als hij hem zag naadren, staakte
Zijn krijgsbedrijf, terwijl de hoop in hem ontwaakte
Des Hemels burgerkrijg te stuiten, zoo zijn hand
D' Aartsvijand overwon en hem in slavenband
Geketend wegsleepte ... En in goddelijken tooren
Ontvlamd, deed hij zich dus diepverontwaardigd hooren :

„Onzalige oorzaak van het Kwaad, dat voor uw val
Hier ongekend was, in der hemelen heelal
Niet eens een naam had, maar, door U verwekt, zijn vruchten[15]
Zoo welig afwerpt in de afgrijslijke ongenuchten
Van dezen Oorlog, die ons allen eindloos smart,
Maar 't eerst met al zijn zwaarte U ploffen zal op 't hart !
Hoevelen sleurt gij in uw hooplooze' afval mede !
Waarom den Hemel dus geplunderd van zijn vrede ?
Waaarom een gifzaad in de schepping uitgestrooid,
Dat nooit bestond, eer gij de vloekvaan had ontplooid ?
Waarom zoovelen aan uw slechte zaak verbonden,
Veel duizende, eens getrouw, nu valsch als Gij bevonden ?
Maar waan niet, dat Gij hier de rust vernielen kunt !
De Hemel werpt u uit ! U wordt geen plaats gegund
In 't oord der zaligheid te midden van Gods zonen :
Waar Liefde zalig maakt, kan Haat noch Tweedracht wonen !
Van hier dan ! en het Kwaad, uw werk volge U, rebel,
En de uwen, naar het Rijk van 't Kwade, naar — de Hel!
Ga derwaards met uw rot, dat daar uw twistvuur blake !
Stook daar beroerten eer m ij n vlammend zwaard der wrake
Uw vonnis aanvange, of, tot sneller straf gegord,
Gods wraak, met meerder pijn, u in den Afgrond stort' !".. .
Zoo sprak die Englen-Vorst. Geen antwoord liet zich wachten,
Want Satan grijnsde :

„Ik kan uw dreigingen verachten,
Ik, die uw daán veracht ! Wat waant ge u zoo geducht?
Dreeft ge ook den minste van deez' scharen op de vlucht?
En hebt ge er enklen ook doen vallen, zij verrezen
Toch telkens weêr, alle Onverwonnen als voordezen !
En denkt ge dan, dat ik u zulk een zegepraal
Nog lichter maken zal, en dat uw trotsche taal
Alleen voldoende is mij verschrikt van hier te zweepen ?
Zoo eindt deze Oorlog niet ! Gij hebt hem niet begrepen :
Gij scheldt hem kwaad, maar ons is hij een heldenstrijd,
Aan de Onafhanklijkheid en de Eere toegewijd.
Hier, snoevert ! planten wij, hier, onze zegestandren,
Tenzij we uw Hemel in die boze Hel verandren,
Waarvan gij fabelt! En zij de Opperheerschappij
Niet ons, wij blijven hier, en — blijven eeuwig vrij ! . . .
Intusschen, gaar uw sterkte, en laat Hem bijstand bieden,
Dien Gij Almachtig noemt ! Ik zal u niet ontvlieden,
Integendeel : ik heb u heinde en ver' gezocht !"

Geen woord meer : nu ten strijd ! O, wie die 't malen mocht,
Dit naamloos Tweegevecht ? Hier stamelen, hier falen
Zelfs Englentongen ! Wie kan 't Godlijke vertalen
In Aardsche beelden, zoo begrijplijk dat een zoon
Der Aarde 't vatte ? Want die beide schenen Goden,
Hetzij ze stonden, of bewogen, in manieren,
Gestalte, en wapens, Goon ! en onder al die fieren
Geen ander Paar zoo stout en zoo bekwaam als Zij,
Om 't groote pleitgeding van 's Hemels Heerschappij
Ten eind te brengen ! En hun zwaarden, opgeheven
En rondgeslingerd als twee bliksemvlammen, schreven
Afgrijsbre kringen in het luchtruim heinde en veer'.
Hun schilden spiegelden elkanders stralen weêr
Als groote zonnen. 'k Zag de dappersten verbleeken
Niet zeker in den storm van die beroering, weken
De beide legers snel terug van wederzij',
En lieten, toeziende, een onmeetbre kampplaats vrij.
't Was — mag ik 't groote bij het kleine vergelijken —
Of de eendracht der Natuur op 't punt stond van bezwijken,
Of onder 't starrenheir een oorlog was ontstaan,
En twee Planeeten, zich losrukkende uit heur baan,
In 's Hemels middenpunt zich op elkander stortten,[16]
Dat op- en wild door-éen hare elementen hortten !
Op eenmaal hieven beide een arm omhoog, in kracht
Gods arm het naastebij, op éenen slag bedacht,
Een enkle, welvoldoende en nooit meer te herhalen !
't Was lang onzeker, wie dier Twee zou zegepralen,
In sterkte en vlugheid zoo geheel elkander waard !
Maar Michaël hanteerde een machtig oorlogszwaard
Uit 's Hemels tuighuis, zoo gestaald als nooit een tweede,
Zoodat het hardste noch het scherpste voor zijn snede
Bestaan kon. Dit nu trof als met een bliksemgloor
Het zwaard des Satans, sloeg zijn lemmer midden door,
En hieuw met d' eigen slag een wonde, vreeslijk gapend,
In 's vijands rechterzij'. De woestaart stond ontwapend,
En voelde nu voor 't eerst wat pijn is. Tot op 't been
Getroffen, kromp hij dol van woede en smart in-éen.
Men zag een bloedstroom uit de rillende oopning springen,
Maar bloed zooals daar vloeit door hooge Hemelingen,
Etheriesch, als een vocht van nectar, rozenrood,
Dat heel de rusting met zijn droppels overgoot,
Heur glans verdonkrend. Tot zijn bijstand aangevlogen
Kwam heel een Englental, hem tillende in den hoogen
En dragende op hun schild tot waar, op veilgen grond
In de achterhoede, zijn verlaten krijgskar stond.
Daar legden zij hem neêr, terwijl hij knersentandde
Van spijt en razernij, nu hij, o schaamte en schande !
Niet zonder weêrgá meer, door zulk een strafgericht
Getuchtigd werd. Toch sloot weldra de wond zich dicht.
Niet bij ons geesten toch, als bij den mensch, is 't Leven
De troon in ingewand, of hart, of hoofd, gegeven :
Bij hen heerscht in elk deel de volle Levenskracht.
Zij sterven niet, maar Gods oneindige Oppermacht
Kan hen vernietigen. In 't weefsel dat zij dragen,
Kan nooit een wonde waar de dood op volgt geslagen :
Zoo toont de lucht, gekliefd, daarvan welhaast geen spoor.
De geesten zijn gants Hart, gants Hoofd, gants Oog, gants Oor,
Gants Zinlijkheid, en toch weêr gants Verstand ; zij mogen
Zich-zelf belichamen, bij 't wonderlijk vermogen,
Zich een gestalte en vorm te kiezen, dicht of fijn,
Zóodanig en zóolang als hun verkieslijk schijn' !"
Intusschen, elders ook geschiedden daden, waardig
Herdacht, zooals waar straks Vorst Gabriël strijdvaardig
Op Moloch invloog, die zijn vuige lastertong
Van godversmading en bedreiging niet bedwong :
Hij zou „dien Gabriël, in ketenen geslagen,
Daarhenen sleepen aan de wielen van zijn wagen ! . .
Maar doorgebouwen tot de heupen slingert hij
De wapens weg, en vlucht, en brult van razernij.
Aan beide vleuglen van des Hemels Legermachten
Versloegen Raphaël en Uriël, hun krachten
Verdubblende en hun moed, d' afgrijslijke' Asmodee
(Den Geest des Lasters!) en woeste' Adramelech, twee
Geduchte Troonen, die de grove reuzenleden
Geheel in wapenen van diamantrots kleedden,
Zich Goden wanend ! maar die hoogmoed taande ras,
Toen hen een slag trof, die, diepvlijmend, door kuras
En kolder heenging, en hen vluchten deed. Ook draalde
Geen vurige Abdiël, die slag op slag herhaalde,
Het godvergeten rot bestokend onvervaard,
'Totdat hij Ariël en Arioch zijn zwaard
In lichaam omkeerde, en zelfs Ramiël deed vallen !
Zoo sprekend kon ik u van honderdduizendtallen
Verhalen en hun naam vereeuwigen op Aard.
Maar de Englen, dankbaar als hen 's Hemels lof weêrvaart,
Staan niet naar menscheneer. Ook Satan's Englen streden
Roemzuchtig en vol kracht, zoodat zij wondren deden
Van heldenstoutheid, maar daar hun herinnering
Lang in den Hemel en der Heilgen hart verging,
Zoo moog' Vergetelheid hen in heur nacht begraven !
Kracht, zonder Deugd en Recht, oogst d' afschuw aller braven,
Al jaagt ze de Eer somtijds op 't pad der Schande na :
Dus, dat hen 't vonnis van een eeuwig zwijgen sla!
En toen de sterksten van hun sterken dus bezweken,
Toen zag men 't godloos heir alle orde en tucht verbreken.
De vlucht werd algemeen, verwarring heerschte in 't rond,
Een gruis van wapenen bedekte alom den grond,
Als de asch en kolen uit een brakende' 1Etna stuivend.
Karos, en ruiterij, en paarden vlammen snuivend,
't Stortte alles onder-éen. Wat tot dit oogenblik
Nog staande was, deinsde af, vermoeid, ontsteld van schrik,
Of rillend van de pijn. Dat was 't gevolg der Zonde,
De vrucht des Afvals ! Nooit, tot op deze eigen stonde
Was vlucht, of angst, of smart bij Engelen bekend !
O, hoe gants anders Gods Getrouwen ! Tot het end
Heldhaftig,onvermoeid,kon hen geen vrees verneedren
Onkwetsbaar stonden ze in vierdubbele geleedren :
Dit voorrecht dankten zij hunne onschuld, haar-alleen !
Eendrachtig sloten ze om hun God en Heer zich heen' :
Dat was hun kracht ! Hun was geen droppel bloeds ontvloten,
Al had ook 's Vijands schok hen van hun plaats gestoten !
De Nacht intusschen, die haar donker sluierfloers
Omhoog ontvouwde, bracht het einde des rumoers
En wapenstilstand aan, en onder haar geleide
Trok alles langzaam af, verwonnelingen, beide,
En overwinnaars. Op 't behouden veld van eer
Sloeg Michaël nu zijn heldhaftig leger neêr,
En zette' er wachten uit, die in den donker schenen
Als vuurge vlammen. Maar de Aartsvijand was verdwenen
In 't duister, met geheel zijn weidsche legermacht,
Wèl verre van 't tooneel des oorlogs. Toch, de nacht
Gaf hem geen rust : hij deed zijn Hoofden samenkomen
Ten Raad, en sprak dus, zonder aarzien, zonder schroomen :
„Getrouwe Makkers, nu in 't barnen van 't gevaar
Gevuurdoopt, wèlbeproefd, ontembaar staat gij daar,
Wel waard als buit niet slechts de vrijheid weg te dragen,
(Dat waar' te weinig !) maar al wat wij méer bejagen :
Den roem, de heerlijkheid. het onbeperkt gezach !
In een onzeekren kamp hebt gij een gantschen dag
(En kondt ge dat een dag, waarom geen eeuwigheden ?)
Het machtigste dat God ons zenden kan bestreden.
Hij waande, 't was genoeg, 't was mooglijk reeds te veel
Om u te tuchtigen, gij toonde 't tegendeel !
Niet zeker schijnt Hem dus 't Toekomende te wezen,
Schoon Hij tot heden ook Alwetend werd geprezen !
't Is waar, wij, minder sterk gewapend dan Zijn heir,
Ervoeren schande en pijn, ons onbekend weleer,
Maar even ras gekend als nietig ook geheeten !
Ons hemelsch lichaam — en 't is aanwinst dat wij 't weten !
Kan niet ter dood gewond : het leeft onsterflijk voort ;
En ware 't overal gekorven en doorboord,
De wonden sluiten zich van zelve, door 't vermogen
Van aangeboren kracht. En mooglijk, zoo wij 't pogen,
— Geringe middlen zijn 't geringe kwaad te sterk —
Wacht ons een blijder kans in 't tweede worstelperk !
Voor beter harnas, voor geduchter wapen, wijken
De vijanden misschien, of — 't maakt ons huns gelijken !
Zijn zij de meerdren nu, zij zijn dat bij geval,
Niet van nature. En staan ze uit heimlijke oorzaak pal,
Wij zullen 't weten, want met ongefnuikte krachten
Kan onze geest nog steeds doorvorschen en betrachten !"

Hij zet zich neêr, en nu rijst Nisroch aan zijn zij'
Tot spreken, machtig eens in 's Hemels Hierarchy.
Hij stond als iemand, den genadeslag ontvloden,
Mat, zonder wapens, met het bleek gelaat eens dooden :
„Gij, die ons vrijmaakt van eens nieuwen Dwinglands juk !
Gij wilt ons leiden tot het onbetwist geluk
Dat goden toekomt : toch, dit moeten wij belijden,
Zelfs goden valt het zwaar dus ongelijk te strijden :
In pijnen worstlend met die weten van geen pijn,
Moet niet onze ondergang hiervan het einde zijn ?
Wat baten moed en kracht, als diepe wonden gloeien,
Die eindlijk zelfs de hand der machtigsten vermoeien ?
Mocht ons ontzegd zijn wat genot heet, o wat nood ?
Zoo maar het leven ons die effen kalm te bood,
Die mooglijk 't beste goed des levens is ! Maar 't woelen
Van lichaamspijn gelijk een kankerbeet te voelen,
Dat is ellende ! dat het ergst van alle kwaad,
't Geduld verwoestend, als het steigert buiten maat !
Werd door een onzer nu een middel uitgevonden,
Waardoor wij, meér versterkt, den Vijand kunnen wonden,
Of wel, onwondbaar-zelf, den Vijand mogen staan,
'k Bood hem geen minder eer dan die eens redders aan ! ..."

Toen sprak de Aartsvijand, fier maar rustig :
„Wel gesproken !
Een machtig middel heeft op heden ons ontbroken :
Ik heb het uitgedacht ! Wie groet dit Vasteland
Des Hemels, vol gebloemte en vruchten, diamant
En goud, en ambrozijn, en duizend heerlijkheden,
En denkt niet aan de bron, waaruit zij diep beneden
Den grond ontspruiten uit een ruw en donker Rijk
Van stoffen, ongevormd, een stilstaand schuim gelijk,
Vol geest en vuur, maar dat, door 's Hemels straal geprikkeld,
Als uit den slaap ontwaakt, ontvonkt en zich ontwikkelt
Met wondre schoonheid in het alomringend licht.
Ik heb mijn aandacht op dit duister Diep gericht :
't Biedt stoffen aan, waarin ontvlambre krachten huizen ;
Die stoffen mengen wij en persen wij in buizen
Van vast metaal, dat, als een vonk het zundgat raakt,
Zijn inhoud, vuur en vlam en donderkogels braakt,
Die in 't vijandlijk heir verderf en schrik verspreiden,
Tot gruizels slaande wat gindsche Engelen bereidden
Tot weêrstand, ja, hen zelfs verbijstrend door den waan
Dat wij dat wapen uit de vingers mochten slaan
Des Dondraars, weêrloos nu ! Ook hebt gij niet te vreezen
Voor lang verwijl : éer 't daagt, zal de arbeid vaardig wezen !"

Zoo sprak hij, en zijn taal verkwikte 't Geestendom.
De glans in 't oog, de hoop in 't harte, kwam weêrom.
Bewonderd werd de vond, schoon die bewonderaren
Zich 't meest verbaasden dat niet z ij de vinders waren :
Zoo licht, daar ze eens bestond, werd thands een kunst geschat,
Die anders 't droombeeld van een dwaas geheeten had !
Toch, Adam ! kon het zijn — mistroostige gedachte ! —
Als de Aarde in zonde viel, dat een van uw geslachte,
Boos van nature, of door een helschen geest verleid,
Weêr zulk een moordtuig schiep, tot schand der menschlijkheid...
Ach, mocht dat nooit geschiên ! Wat bloed- en tranenstroomen,
Wat al verwoesting, brand en slachting wierd voorkomen !"
Toen snelden ze uit den Raad tot d' arbeid. Aller mond
Zweeg stil, maar rusteloos werkte aller hand. Den grond
Des Hemels delfden ze op, en in de diepte zagen
Ze stoffen, die daar nog in de eerste kiemen lagen
Te slapen : zwaavlig en salpeetrig schuim, dat ras
Door wondre kunst gemengd een drooge massa was :
Die werd verbrokkeld nu tot korrels, op elkandren
Gestapeld tot een rij van heuvels. En weêr andren
Doorwroetten 's Hemels schoot om ijzererts en steen :
(Zulke aders loopen ook door 's Aardrijks diepten heen'.)
't Metaal herscheppen ze in wijdgapende mortieren,
't Graniet in bommen, die de ontstelde lucht doorgieren
Als boden des verderfs. En nogmaals andren staan
Met lonten vaardig, die den bliksem uit doen slaan
Uit de ijzren pijpen, als heur gloênde punt ze nadert.
Zoo brachten ze alle, tot éen nachtlijk werk vergaderd,
In 't heimlijk alles tot voltooiing, zwijgend steeds
En zwoegend steeds, gereed voor 't eerste licht verrees !
Pas daagde 't in het Oost' des Hemels, of daar kwamen
Op 't schettren der trompet Gods machtige Englen samen
In gouden rusting, elk zich scharend bij zijn drom,
Terwijl een schaar' den top van menig berg beklom
Om rond te blikken, en een andre lichte bende
Den versten schuilhoek van geheel de streek verkende,
Om uit te vinden waar de vijand schuilen mocht,
Of hij nog rust hield, of een nieuwen veldslag zocht.
Daar golfden vendels in de verte -- de Aartsverrader
Trok met zijn leger, traag maar dichtgesloten, nader.
Toen ijlde Zophiël met snelle serafsvlucht
Terug, en riep luidkeels, klapwiekend door de lucht :
„Te wapen, strijders ! op ! ik zie den Vijand komen :
Hij vlood dus niet ! En zoo is ons de zorg ontnomen
Hem na te jagen ! Vreest ook nu niet dat hij vlied' !
'k Zie als een dikke wolk hem naadren in 't verschiet.
Hij schijnt, waanzinnig, tot het uiterste besloten.
Den krijgshelm vastgezet ! het harnas aangeschoten !
Het schild gegrepen ! borst en slapen wèl bewaard !
Want dwaal ik niet, dan is wat heden ons weêrvaart,
Geen stortbui, maar een storm van felle bliksemschichten !"

Zoo werden zij door hem gewaarschuwd, en zij richtten,
Zelf op hun hoede reeds, met onverpoosde schreên,
Toch kalm, hun krijgsmarsch naar den Vijand. Daar verscheen
Die Vijand reeds, vol trots Gods legioenen tergend,
Vol arglist tevens in zijns legers hart verbergend
Zijn duivlenwerktuig, dat hij voortsleepte. Eensklaps stond
Aan weêrszij' 't leger pal ; maar Satan vloog naar 't front
Van 't zijne, en gaf bevel:

„Dat zich de voorhoede open',
En zwenke links en rechts ! Dan zullen naar wij hopen
Zij die ons haten zien wat vreê hier wordt verlangd,
En wat gezindheid hen met open arm ontfangt,
Als onze voorslag 't hoofd hen niet gebukt doet dragen !
1k vrees dat waarlijk ! Maar de Hemel moog' gewagen
Van wat hier, vrank en vrij, door ons wordt uitgestort !
En gij, die 't sein wacht, doet wat u geboden wordt !
Roert aan de punten, snel en bondig ; leer gevoelen
Met luider stem, wat wij van onzen kant bedoelen !"
Zoo klonk zijn valsche taal. Hij wenkte met de hand, —
Daar opende zijn front ter rechte en slinke kant
Naar beide vleuglen. En in 't middenruim der benden
Trof ons een schouwspel, welks beteeknis wij niet kenden :
Wij zagen voor ons een driedubble lange rij
Pilaren, schuins gericht. In 't eerst geleken zij
Reusachte dennen, in een mastbosch omgehouwen,
Beroofd van takken : bij nauwlettender beschouwen
Gegoten stangen, maar tot pijpen uitgehold,
Cilinders van metaal, op wielen voortgerold,
En gapend met een muil, die juist geen vreê voorspelde !
Bij ieder werktuig stond een Serafijn, en knelde
Een stengel in de vuist, weêrlichtende aan de punt
Als van een vuurvonk. Maar 't werd ons niet lang gegund
Te peinzen wat dit mocht bedieden : want daar bogen
De stengels, langzaam door de Serafim bewogen,
Zich naar de enge oopning van die zwarte pijpen neêr —
En plotsling flikkerde de Hemel heinde en veer'
Van rosse vlammen, zoo als bliksemstralen spelen,
Luid loeiende uitgebraakt door die metalen keelen !
Zij scheurden 't luchtruim met een ijzren hageljacht
Van bommen, aan elkaar geketend, met de kracht
Van donderklooten op ons Leger nederslaande.
En waar zij vielen, bleef geen enkle Engel staande,
Schoon anders wortelvast gelijk een rots in zee !
Die wankten, sleepten in hun tuimling de anderen meê :
Zoo vielen duizenden van Englen, 't meest belemmerd
Door 't zware wapentuig, dat borst en heup omklemmert
En vastnijpt. Anders, door hun geestlijke natuur,
Waar' 't hun al licht gelukt die onweêrsbui van vuur
Te ontgaan door snellijk uit te wijken, of te ruilen
Van vorm, of, plotseling onzichtbaar, 't wee te ontschuilen.
Straks volgde een warreling en een gedwongen loop.
Nu hun geleederen te ontsluiten, gaf geen hoop.
Wat dan ? Een aanval moest een tweede neêrlaag duchten,
En was nu 't bukken ramp,'t zou schande zijn te vluchten !
Reeds stond een tweede rij van Serafs bij de Muit :
Eén stap — een tweede laag van donders berstte er uit;
En weg te vlieden, als bloohartigen te wijken,
Dat kon hun niet van 't hart ! éer op de plek bezwijken !

De Aartsvijand zag hun nood, en sprak met bittren hoon
Zijn makkers toe :
„Waarom staan deze halve-goon
Van verre ? Kwamen ze ons niet overmoedig tegen ?
Wij openden ons hart. Hoe staan ze nu verlegen ?
Wij hebben immers 't woord ronduit tot hen gericht,
Een voorslag, klaar genoeg, en punten van gewicht !
Waarom verandren zij zoo ijlings van gedachten?
Wat wilde sprongen, die dus buiten 't spoor hen brachten ?
Of is 't een vreugdedans om 't vriendlijk vrede-woord
Door ons gesproken ? Nu, 't worde andermaal gehoord,
Dan is het einde van deez' oorlog ras gevonden !" . . .

Die spottaal werd herhaald door duizenden van monden:
Zij waanden, hunner was de zege en 't koninkrijk !
Zij droomden om hun vond d' Almachte zich gelijk :
Nu was Zijn donder hun een spel ! Hun eigen donder,
Den Zijne nagebootst, bracht al Zijn legers onder,
Van schrik verbijsterd reeds ! ... Maar die verbijstering
Was kort van duur. Een gloed van heilgen toorn beving
Het hart der Englen, en deed plotsling hen besluiten
Door éen geduchten greep het helsch bedrijf te stuiten.
Zij wierpen, haastig, zich de wapens van de leên,
En — ziet de uitnemendheid der wondre mogendheên,
Die God gelegd heeft in Zijne Engelen ! — zij vlogen
Met bliksemsnelheid naar de bergen (aan den Hoogen
Ontleende uwe Aarde meê die wisselende pracht
Van berg en dal) en nu, daar grepen ze in hun kracht
Die steenkolossen aan, daar werden Alpgevaarten
Ontworteld, opgetild met hun driedubble zwaarten
Van rotsen, stroomen, en van wouden, weggekaatst
Gelijk een bal ! Nu stond des Satans heir verbaasd,
Verlegen op zijn beurt ! Nu moesten zij 't aanschouwen,
Hoe hun driedubble rij vernielende kartouwen
Verdwenen onder 't wicht dier rotsen, die met éen
Hun hoop begroeven ! Maar hun hoop werd niet alleen,
Zij werden zelf bedreigd ! de ontwrichte bergen vlogen
De lucht verdonkrend aan, om zonder mededoogen
Ter-neêr te dondren op hun schedel, rij aan rij
Hen plettrend. Met een pracht van wapens praalden zij,
Maar juist hun wapenen verhoogden 't wee : zij braken
Tot scherpe gruizlen, die in borst en lendnen staken,
Zoodat de ellendigen, verscheurd door wond op wond,
Van smarte huilden, en zich wrongen op den grond,
Eer 't hun gelukte zich van 't dwangbuis te bevrijden.
Want schoon ze als geesten eens zich in het Licht verblijdden,
Zelf zuiver als het Licht — door Zonde nu bezwaard,
Was hun zelfstandigheid ontreinigd, half ontaart.
Nochtans, wie hunner zich nog roeren konden, blikten
Naar de eigen wapens om als de onzen, en verwrikten
De bergen van hun voet. Straks vloog, van wederzij'
Geslingerd, rotsgevaart' aan rotsgevaart' voorbij
In 't luchtruim, botsende op elkander, nederreegnend
Op beide legers, nu elkanderen bejeegnend
In schemerdonker, waar zij worstelden door 't gruis.
Wat helsch gekraak ! Bij dit afschuwlijk strijdgedruisch,
Deez' monsterworsteling en slachting vergeleken,
Scheen 't eerste treffen, toen ook duizenden bezweken,
Niets dan schermutsling. 't Was verwarring, overal
Verwarring barend. Zelfs de Hemel waar' zijn val
Misschien nabij geweest, tot gruizelen gesmeten,
Waar' niet de Almachtige op Zijn koningstroon gezeten
In 't veilig Heiligdom der glorie. Hij voorziet
Niet slechts de slotsom aller dingen, maar gebiedt —
Werkt, of laat toe ! En nu, dit oproer in Zijn staten,
Had Hij, de Alwetende, in Zijn wijsheid toegelaten :
Zoo moest Zijn raad vervuld, zoo de overwinningskrans
Zijn Zoon omstralen met onsterfelijken glans !
Zoo moest het blijken, dat Zijn eeuwig Alvermogen
Den scepter voerde en Zijn Gezalfde zou verhoogen!
't Was daarom dan dat Hij Zijn welbeminden Zoon
Die aan Zijn zijde heerscht, dus aansprak van zijn Troon :

„Gij, als de weêrglans van Mijn glorie nooit volprezen !
Mijn Eengeboorne ! Gij, van Mijn onzienlijk wezen
Het zienlijk beeld ! Gij zijt Mijn wijsheid en Mijn kracht !
Al wat ik ooit besluit wordt door u w hand volbracht!
Gij weet, wij zagen nu twee dagen henensnellen,[17]
— Twee dagen, zooals zij des Hemels dagen tellen —
Sints Michaël zijn heir ten strijde heeft geleid
Tot onderdrukking van deze ongehoorzaamheid.
De strijd was fel, en moest dat wezen, nu twee Machten
Als déze worstelden. Want aan hun eigen krachten
Liet ik hen over, als gelijken schiep ik hen:
Gij weet het, en gij weet dat ik rechtvaardig ben.
Alleen de zonde heeft die twee van-een-gescheiden ;
Maar ongestraft nog bleef de zonde, en dus bij beiden
Nog ongefnuikt de kracht. Zoo konden zij weêrzijds
Volharden, rustloos, en daar kwam geen eind des strijds!
De krijg volbracht wat hij vermocht : de moed ontaarde
In woede, die niet slechts geen enkel wapen spaarde,
Maar bergen losrukt, die, geslingerd op elkaar,
Den Hemel kraken doen en dreigen met gevaar.
Twee dagen duurde daar een strijd waarvan ik gruwe,
Twee dagen ! 't is genoeg : de derde Dag is de Uwe!
Hij is voor U beschikt, en 'k heb dien krijg geduld,
Omdat Gij, Gij-alléen, het pleit beslechten zult.
Dat is Uw glorie ! U behoort ze, U kroont zij heden
Mijn welbehagen en mijn eeuwge Mogendheden
Zijn in U uitgestort, dat Helle en Hemel 't weet',
Hoe billijk Gij mijn Zoon, de Onvergelijkbre, heet!
Ik wist den gang van dit boos oproer zoo te reeglen,
Dat de uitkomst schittrend uw verkiezing zal bezeeglen
Als waardigste erfgenaam van alles, door mijn hand
Gezalfd totKoning!Doe uw hoogen rang gestand,
O Gij almogende, in de mogendheid uws Vaders
Bestijg mijn krijgskaros, bestier de snelle raders,
Waaronder 't fundament van heel den Hemel trilt!
Neem al mijn wapens, neem mijn donderboog, mijn schild,
Mijn zwaard ! en drijft ze voort, de oproerige kohorten,
Tot ze over 's Hemels grens ten diepsten Afgrond storten !
Daar moog' dat Nachtgebroed zich domplen in een haat,
Die God veracht en Gods gezalfden Koning smaadt !"
Zo sprak de Vader, en Hij deed in volle stralen
Zijn eigen glorie op zijn Eerstgeboorne dalen,
Die nu volkomen, in een onuitspreeklijk licht,
Den Vader uitdrukte op 't verheerlijkt aangezicht.
Dus luidde 't andwoord door den Christus God gegeven :
„O Vader, boven al de hemelen verheven !
Eerst, Hoogst en Heiligst God ! Alléen-volmaakte ! Gij
Zoekt altijd de eer Uws Zoons, Uw heerlijkheid zoekt Hij !
't Is recht en billijk ; want dit is mijn grootst verlangen,
Mijn hoogste roem, een wenk van Uwen wil te ontfangen ;
En deez' Uw wil te doen, is al mijn zaligheid !
De scepter en de macht, door U mij toebereid,
Aanvaardde ik, maar ik geef nog blijder ze eens U weder !
Dan leg ik juichende mijn heerschappij ter-neder,
Dan zult. Gij alles zijn in allen, Ik in U,
En in Mij allen die Gij liefhebt. Ja ! — maar nu,
Nu haat ik die G ij haat ! Uw beeld in alle dingen,
Kan ik zoowel met uw Verschrikking mij omringen'
Als met de lie flijkheid waarin uw Goedheid lacht !
Ik zal, gewapend met uw eigen Oppermacht,
Den Hemel zuivren en de bozen neêr doen zinken
Ter Hell', waar eeuwge nacht in ketens hen zal klinken,
Bij 't knagen van den worm die nimmer sterven mag !
Daar past het Oproerbent, dat spot met uw gezach,
Terwijl uw dienst-alleen tot waar geluk kan leiden !
Dan zullen de Uwen, van de onreinen afgescheiden,
Hoog op uw Heilgen Berg voor U de either slaan
Met hallelujah's, en — Ik in hun Choor vooraan !"
Zoo sprak Hij, en rees op. De dag begon te naadren:
De derde ! En vlammend met bezielde dubbelraadren,
Van zelve rollend met de snelheid van d' orkaan,
Vloog de Oorlogswagen van d' Almachten Vader aan.
Vier Cherubs leidden hem, elk met vier aangezichten,
En 't lichaam overal bezaaid met starrenlichten
Als oogen — 't wielwerk ook had oogen zonder tal!--[18]
Hun vleuglen torschten een gehemelt' van kristal,
Waarop een Troon stonn. van saffier, met ambersteenen
Vercierd en van den gloed des regenboogs omschenen.
Daar klom Gods Zoon nu op den hoogen Krijgskaros
In volle rusting, een ontzachlijkê' oorlogsdos
Van stralende urim , een der schoonste wapenwerken.[19]
Triomf ging voor Hem uit op klepprende arendsvlerken ;
Vol donderpijlen hing de koker naast den boog
Te rammlen aan zijn heup, en waar Hij kwam, daar vloog
Een dwarling op van smook en vonken. Hem verzelden
Zijn Heilgen, duizendmaal tienduizenden van Helden,
Reeds stralende in 't verschiet ; terwijl aan wederzij'
Gods wagens gingen : een getal — men noemde 't mij —
Van honderdduizend. Op dien Glorietroon gedragen
Door Cherubsvleuglen, reed des Vaders Welbehagen
Op 's Hemels kristallijn al verder, in een wolk
Van gloed, van verre ontwaard, maar 't eerste door Zijn Volk !
Van vreugd verrast, zien zij het groote vendel zweven,
's Messias' teeken in den Hemel, opgeheven
Door Englen ; en terstond rondom die Heilbanier
Stroomt wat verspreid is saam', door Michaël's bestier
Op-nieuw gerangschikt en aan beide vleuglen scharend
Rondom hun Koning, als Zijn Lichaam zich vergarend.
Gods Kracht trok voor Hem uit en effende zijn baan .
Hij sprak slechts ; en zietdaar, de ontwrichte bergen staan
Op 't oude voetstuk weêr geworteld als te voren,
't Ontrimpeld aangezicht des Hemels is herboren,
En dal en heuvel lacht met frisch gebloemt' ! Dat ziet
De Vijand, maar het treft zijn stuursche zinnen niet.
Ten jongsten worstelstrijd gaart hij zijn benden samen,
Die door de wanhoop-zelf tot nieuwe hoop heramen.
Hoe kan zoo snood verderf in Hemelgeesten woên ?
Helaas, wat teeknen die den hoogmoed zwichten doen ?
Wat wondren buigen de verstoktheid ? Zij kan breken,
Niet bukken! Wat den trots dier bozen moest verweeken,
Verhardde hen te meer. Zij zien wat Hij vermag,
En hunkren, nijdiger dan immer, 't hoog gezach
Te ontrukken aan Zijn hand. Zoo staan hun legerbenden
Gereed met kracht en list te vallen in zijn lenden' :
Dit is de, laatste slag, die 't al beslissen zal :
Der Godheid neêrlaag, of -- hun reddelooze val !

Daar keert Gods groote Zoon zich tot zijn Heldenscharen :
„Gij Englen, houdt hier stand ! Rust van uw krijgsgevaren
En arbeid uit ! Gij hebt tot heden trouw gestreên
Voor Gods gerechte zaak. De Almachtige is tevreên
En zegent u. Gij bleeft van heldenmoed aan 't branden.
Onoverwinlijk, gij ! Maar nu ook, andren handen
Betaamt het straffen van dit wederspannig bent' :
De wraak behoort aan God en die er God toe zendt !
Het werk van dezen dag is niet bestemd voor velen.
Geen levend schepsel zal in dezen Tweekamp deelen.
Blijft toezien ! en merkt op wat van een Vijand wordt,
Op wien Gods grimmigheid door mij wordt uitgestort ![20]
Zij hebben Mij , niet U, versmaad, benijd nog meerder !
Hun woede is tegen mij , wijl de Eeuwige Alregeerder
Wien 't rijk, de kracht is, en de glorie, van zijn Troon
Mij eerde, naar zijn Wil, als Zijn geliefden Zoon.
En daarom-juist heeft God het oordeel Mij gegeven !
Ik zal 't verlangen van mijn haatren niet weêrstreven :
Zij wenschen naar de proef wie onzer 't sterkste zij,
Ik tegen allen, of zij allen tegen Mij !
Wel, laat het wezen, nu ze, in meerderheid van krachten
Het hoogste vindend, een voortreflijkheid verachten
Van hooger adel, waar hunne aandacht niet naar vraagt !
Zij hebben woedend mij ten Oorlog uitgedaagd :
Zij zijn elke' andren strijd onwaardig !" . . .

Nauwlijks zwegen
Zijn lippen, of, op eens ! verschrikbre wolken stegen
Hem op het voorhoofd. Welk een dreiging in dat oog,
Te fel om aan te zien voor schepselen hoe hoog!!
Hij keert zich ijlings tot de ontelbre tegenstandren.
De Diergestalten slaan de vleugels uit elkandren,
Doodschaduw werpende uit hun starrenrijk gepluimt'
De wagenraderen doorwervelen de ruimt',
Luidruischende als een val van klaterende waatren,
Of als de stormmarsch van een leger. Naar zijn haatren
Al dicht- en dichter, met verbijsterende kracht,
Dreef Hij den wagen, zwart gelijk de Middernacht
Die bliksems slingert om rijpe oogsten te vernielen !
De Hemelbodem dreunt van 't daavren van zijn wielen :
Het buigend firmament kraakt tot in 't verst verschiet —
Het wankelt alles, slechts de Troon des Eeuwgen niet !
Hij kwam zijn' Vijanden te vroeg ! Zie, hoe zijn vingren
In eens tienduizend van zijn donders nederslingren,
Hen slaande met een pijn die op hun zielen brandt !
De Duivlen deinzen, door ontzetting overmand :
Zij vallen, daar en moed en wapens hun ontglijden ;
En over helmen en gehelmde hoofden rijden
De wagenraadren des Verwinnaars heinde en veer'.
Nu kwam de kreet te pas : „Valt, rotsen, op ons neêr !
En bergen, dekt ons !" Want gepunte stralen vlogen
Als zooveel pijlen uit de millioenen oogen
Der Diergestalten en het bliksemend gestarnt'
Dat ook als oogen in het levend wielwerk barnt.
't Gebroedsel waar' verdelgd, had niet de Heer krachtdadig
Zijn donders halverweegs weêrhouden, nog genadig
De bozen sparend, die Hij wèl verbannen zal,
Maar niet verdelgen ! Hij laat ze opstaan uit hun val,
En jaagt hen voor zich uit, van vreeze duizlend. Even
Als schuwe lam mren door een onweer voortgedreven,
Zoo dringen ze in hun vlucht dicht op elkander aan,
Tot zij bij d' eindpaal van des Hemels grensmuur staan.
'Maris een oopning, en zij zien, diep, diep beneden,
De Hel die gaapt. Nu vaart de doodsangst door hun leden,
En doet hen deinzen, maar nog grooter doodsangst stuit
Hun vlucht van achtren, en zij horten weêr vooruit,
Voor over, neder, in des Afgronds put verzwolgen,
Tot waar de pijlen van den Wreker hen vervolgen !
De Helle, ontroerd, vernam den donderenden slag :
De Hemel vallende uit den Hemel ! Toen zij 't zag,
Naar' zij misschien van schrik verplet in-éen-gezonken,
Maar onverwrikbaar was haar grondslag vastgeklonken
Naar 't Eeuwig raadsbesluit. Zoo zonk dan heel dat heir
Diep, altoos dieper, in d' onpeilbren Afgrond neêr,
Steeds vallend, vallend, negen dagen, negen nachten ![21]
Die millioenen, wild door-éen-gedwarreld, brachten
Neêrstormend door 't gebied van Chaos, heel zijn Rijk
In huilend oproer, aan geen wanorde ooit gelijk.
Toen ploften ze in de Hel, wier open poort hen wachtte
En achter hen zich sloot — de Hel, het Land der Klachte,
Hun ware woning, 't oord van Eindelooze Smart :
Het Hart gelijk het Huis ; het Huis gelijk het Hart ! . . .
De Hemel jubelde, en de muurbres werd gesloten.
O vreugde, o zaligheid die de Engelen genoten,
Toen, op zijn strijdkar, die Messias, gants-alleen,
Verwinnaar keerde, daar de glorie Hem omscheen !
Zijn Heilgen snelden toe, stilzwijgende ooggetuigen
Van zijn doorluchte dáan, maar nu met vroolijk juichen
De palmtak schuddend, en, elk in zijn orde en rang,
De stemmen menglend tot éen, hoogen Jubelzang.
Zij prezen Hem, den Vorst, Verwinnaar, Heer der Heeren,
Den Zoon en Erfgenaam, die 't Godsrijk blijft regeeren,
Getroond voor eeuwig nu aan 's Vaders rechterhand ! . . .
'k Heb dus uw wensch vervuld, voor 't menschelijk verstand
In Aardsche beelden u het Hemelsche verklarend !
En als ik dus, u een mysterie openbarend,
U, Mensch !verhaalde wat bij de Englen is geschied,
't Is wijl gij weten zoudt wat wijsheid u gebiedt :
Waak voor dien Satan, die met ijverzuchtige oogen
Uw heil benijdt, die al wat kracht en list vermogen
Beproeven zal om u te ontscheuren aan uw God,
Opdat ge, als hij beroofd van alle zielsgenot,
Zijn straf mocht deelen en zijn eindloos, eindloos lijden !
Dat zou zijn wraak zijn ! dat d' onzalige verblijden,
Als hij, God-zelf ten spijt, u in den eeuwgen dood
Der ziele storten kon, zijn lot- en leedgenoot !
Sla zijn verzoeking af, sluit de oogen voor het kwade,
En waarschuw, Hoofd der Vrouw, eene al te zwakke Gade ![22]
Wat d' Ongehoorzaamheid tot loon te beurte viel,
Zaagt ge in een voorbeeld : o, graveer het in uw ziel!
Zij hadden kunnen staan, toch zijn zij uitgegleden . . .
Och, denk er, denk er aan, en — huiver te overtreden !"

Noten[bewerken]

  1. De seraf: Abdiel, de onbevreesde engel
  2. Empyreum: de hoogste sfeer van de hemel.
  3. De Bijbel beschrijft God soms als sprekend vanuit een wolk.
  4. Gericht aan Abdiël, wiens naam letterlijk 'dienaar van God' betekent.
  5. Michaël is Hebreeuws voor 'goddelijk' of 'kracht van God'. Zie Openbaring 12:7-9.
  6. De aartsengel Gabriël is, net als Rafaël, een hemelse boodschapper.
  7. 'Mijn Zoons': alle engelen, zoals alle mensen, zijn Gods zonen. Geen enkele engel, in de teksten van Milton, is vrouwelijk.
  8. 'Gelijk in aantal': Satan trok een "derde" van het hemelse leger weg in zijn opstand; de Vader stuurt vermoedelijk precies hetzelfde aantal trouwe engelen om hem te bestrijden.
  9. Milton: Into their place of punishment, the gulf
    Of Tartarus, - Tartarus: de klassieke benaming voor de hel.
  10. Abdiel erkent dat Satan, ondanks zijn rebelse aard, enige hemelse schoonheid behoudt. Aangezien Rafaël dit verhaal aan Adam vertelt in de vorm van een waarschuwing, waarschuwt hij Adam misschien om schoonheid niet te veel te bewonderen, aangezien hij Adam later adviseert om op zijn hoede te zijn om te veel toe te schrijven aan Eva's schoonheid.
  11. 'Oproerling': vanuit Satans gezichtspunt lijkt loyaliteit aan God opruiing
  12. Veer/pluim: een ornament dat waardigheid of rang symboliseert, vaak bevestigd aan een militaire helm. Satan beschuldigt Abdiel ervan zich tot God te wenden om gunst en vooruitgang in de hemel te verkrijgen.
  13. Milton drukte vaak het idee uit dat bepaalde mensen, soms hele rassen, tevreden zijn om slaven van tirannen te worden.
  14. God en de natuur gebieden hetzelfde. Het centrale principe van de filosofie van het natuurrecht.
  15. 'Zijn vruchten': Michaël bedoelt zowel de volgelingen van Satan als de twee andere leden van de onheilige drie-eenheid, zonde en dood.
  16. Botsende sferen/planeten: Rafael suggereert dat een manier waarop Adam oorlog in de hemel kan visualiseren, is door te denken aan de sterrenbeelden die met elkaar in oorlog zijn, of twee planeten in een tweegevecht. Zo'n conflict zou een microkosmos zijn van de strijd die Rafaël beschrijft.
  17. Miltons nadruk op het tweegevecht van de Zoon tegen alle strijdkrachten van Satan op de derde dag van de strijd verwijst ook naar Jezus' lijden, dood en opstanding op de "derde dag" (Matteüs 16:21).
  18. Bezaaid met ogen: de strijdwagen van de Zoon is versierd met ogen. Rafaël nodigt ons uit om ons de ondergang van de opstandige engelen voor te stellen, grotendeels veroorzaakt door de blik van de Zoon en zijn engelachtige dienaren, alsof hun ogen alleen de pijlen van hun ondergang waren, en de woede van de Zoon en donderende bedreigingen. Satan en zijn leger "vallen" zonder ooit echt door iets anders dan uiterlijk en geluid te worden getroffen.
  19. Urim: een van de soorten mystieke stenen (samen met de thummim) waarvan wordt gezegd dat hij de borstplaat van Aäron, de hogepriester en broer van Mozes, zou versieren.
  20. Gods wraak is een hoofdthema van de Hebreeuwse Geschriften.
  21. Negen dagen: Milton vergelijkt de vallende engelen met de Titanen, die de Goden van Olympia uitdaagden. In Hesiodus' Theogonie 664-735 vielen de Titanen negen dagen voordat ze de onderwereld bereikten.
  22. Zwakkere gade: De uitdrukking "uw zwakkere" komt uit 1 Petrus 3: 7 waar naar een "vrouw" wordt verwezen als "het zwakkere vat".
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.