Naar inhoud springen

Paradise Lost van John Milton/Boek III

Uit Wikibooks

Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III - Boek IV - Boek V - Boek VI - Boek VII - Boek VIII - Boek IX - Boek X - Boek XI - Boek XII

Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Vertaling: Jan Jakob Lodewijk ten Kate (1875)

DERDE BOEK
(Engelse tekst van Milton: zie Wikisource Paradise Lost/Book III)

God, ' op zijn troon, ziet Satan voortvliegen naar deze waereld,
die zooeven was geschapen ; toont hem aan den Zoon,
die gezeten is aan Zijne rechterhand ; voorzegt Hem het
gevolg van Satans onderneming om de menschen te verleiden ;
zuivert Zijne eigene rechtvaardigheid en wijsheid
van allen blaam, daar Hij den mensch geschapen heeft
in 't bezit van zedelijke vrijheid en met de noodige
bekwaamheid om de verzoeking te weérstaan. Hij ontdekt tevens
Zijn besluit om den Mensch genade te bewijzen, omdat deze
niet viel door eigen boosheid gelijk
Satan, maar door dien verleid.
Gods Zoon prijst daarop den Vader voor de openbaring van
Zijn genaderaad tot 's Menschen heil. Maar God verklaart
nu verder, dat den Mensch geen genade kan bewezen
worden, zonder dat der goddelijke gerechtigheid genoeg
geschiede. De Mensch had Gods majesteit gekwetst;
daarom moest hij met al zijne doodschuldige nakomelingen sterven,
tenzij iemand gevonden werd, die in zijne
plaats zou kunnen en willen lijden. Gods Zoon biedt
zich vrijwillig aan tot een rantsoen voor den Mensch.
De Vader neemt dat aan, beveelt de menschwording van
Zijn Zoon, en verklaart Diens verhooging boven allen
naam in den Hemel en op Aarde ; beveelt allen Engelen
hem te aanbidden. Zij gehoorzamen en heffen onder
harpmuziek hunne choorzangen aan ter eere van Vader
en Zoon.
Intusschen vliegt Satan op het bovenste rond der kreitsen,
die deze waereld omringen, waar hij zwervende,
allereerst een plaats vindt, sedert geheeten :
„de Voorburch der IJdelheid." Daarna komt hij aan de poort des Hemels,
die beschreven wordt als opgaande met trappen, en bij
de wateren boven 't uitspansel, die daar rondom vloeien.
Van daar gaat zijn reis naar de zonnekreits. Daar vindt
hij Uriël, den beheerscher der zonnekreits ; maar eerst
verandert hij zich in de gedaante van een engel van
lager rang, en, onder 't voorwendsel dat hij bezield
wordt door een vurige begeerte om de nieuwe schepping
te leeren kennen, en vooral den Mensch, dien God daarin
geplaatst had, vraagt hij Uriël naar de plaats van
's Menschen woning, en ontfangt de gewenschte inlichting.
Zoo komt hij 't eerst op het gebergte van Niphates ...



Gegroet, gij heilig Licht, uit d' Eersteling gesproten
Des Hemels, of veeleer medeëeuwige straal, gevloten
Uit d' Eeuwge ! U past die naam : want God is licht, Hij troont
In ontoeganklijk licht: in U is 't dat Hij woont,
O Heldre Wederglans van 't Ongeschapen Wezen!
Of — wilt ge liever nog op andre wijz ' geprezen —
O Zuivere Etherstroom, wiens bron wel niemand kent![1]
Lang voor de zon, lang vóór de blauwe hemeltent
En alle heemlen, waart Ge ! En op Gods stem bedekte
Gij de Aarde als met een kleed, als zij de schoudren rekte
En opdook uit het diep der waatren, zwart en doodsch,
Ontrukt aan 't ijdel en onvormlijk Eindeloos !
Opnieuw begroet ik u, met stouter vleugelslagen
Den Styx ontsnapt, schoon lang in dezen poel van plagen[2]
Weêrhouden! 'k Heb daar, in mijn donkre Hemelvaart,
De harp, maar anders toch dan Orpheus deed, besnaard,
En d'ouden Chaos en den Eeuwgen Nacht bezongen.[3]
Met hulp der Hemelmuze in d'Afgrond doorgedrongen,[4]
En weêr gestegen tot de klare morgenzon:
Een tocht, waar niemand ooit zich op beroemen kon!
'k Groet u opnieuw, daar ik beveiligd weêr mocht komen!
Ik voel uw levenslamp met warmte me overstroomen,
Maar 'k zie uw stralen niet! Mijn oogen vorschen rond — [5]
Helaas, geen sprankjen van den blijden morgenstond!
Hunne appels zijn gebluscht, als uitgevonkte kolen!
Toch blijft het al mijn lust in mijmring rond te dolen,
Waar 't zanggodinnenchoor bij zilverblanken vliet
Of lommerboschje', of duin, een heflijk plekjen biedt,
Waar 'k zingen kan. Maar u, u zoekt in stille nachten
Mijn ziel vóór alles op, o Sion! Mijn gedachten[6]
Doorwandlen 't bloemtapeet, dat aan de zoomen bloeit
Van ieder beekjen, dat uw heilig oord doorvloeit.
Dan peins ik vaak aan u, gij tweetal eedle Paren,
(O, mocht ik u in roem als rampspoed evenaren!)
Gij, Thamyris! en gij, doorluchtige Homeer',[7]
En gij, o Phineus, gij Tiresias! weleer[8][9]
Blind zooals ik, als ik Poëeten en Profeeten.
En dus, in de eenzaamheid al peinzend neêrgezeten,
Gehoorzaam in mijn hart, dat mij tot zingen dringt.
Gelijk een vogel, die zijn kweelend nachtlied zingt
In 't donker woudpriëel. De zon gaat op en onder.
De Schepping, altijd weêr, herhaalt het heerlijk wonder
Van 't wisslend jaargetij: mij gaat geen morgen op.
Mij gloeit geen avondrood! Ik zie noch lenteknop.
Noch zomerroos, noch goudgeel graan, noch klaverdalen.
Waar kudden grazen; 'k zie de heerlijkheid niet stralen
In 't oog des Menschen, die het beeld der Godheid is.
Een wolk die nooit verdwijnt, een eeuwge duisternis
Omringt en scheidt mij af van mijn natuurgenooten:
Het Boek der Schepping, dat voor allen is ontsloten,[10]
Is mij verzegeld, mij onleesbaar, aaklig zwart!
Zoo blijft éen tempelpoort der Wijsheid mij verspard.
Wilt gij dan, Hemelsch licht! te meer mijn ziel doorschijnen!
Vernieuw heur krachten, doe heur nevelen verdwijnen!
Schep Gij haar oogen, dat ik zien en spreken' moog'
Van dingen, nooit gezien door eenig sterflijk oog!

De Almachte Vader, hoog in 't zuiver Licht verheven
Des derden Hemels, wierp een blik vol liefde en leven
Ter-neder, om zijn werk en 't werk zijns werks met éen.
Een oogwenk te overzien. Daar stonden om Hem heen'
Al 's Hemels heiligen, zoo dicht als sterrenkringen;
En uit de aanschouwing van Zijn aangezicht ontfingen
Ze ondenkbre zaligheid; ter rechter van zijn troon
Zat de Eeuwge weêrglans zijner glorie, de Eenge Zoon.
Op Aarde zag Hij 't eerst, in Edens bloemendreven,
Onze Oudren, 't eerste Paar, in vreugde en liefde leven,
— Nog onbenijde liefde en ongestoorde vreugd! —
Om de ambrozijnen vrucht van onverwelkbre Jeugd
In zalige eenzaamheid bij 's Levens boom te rapen.
Hij zag de Hel, Hij zag de kloof daar tusschen gapen
Hij zag den Satan in de hooge dunne lucht
Aan déez' zij van den Nacht met afgematte vlucht
Aanhouden op 't gemuurt' des Hemels, vol verlangen
Naar de Aarde, die hij als een vasten bol zag hangen,
Gewelfloos drijvende in of lucht of oceaan,
't Was hem onzeker. God zag uit de Hoogte 't aan.
Van waar Hij 't al doorschouwt wat was, is, en zal wezen ... .
En wat de toekomst zijn Alwetendheid deed lezen,
Sprak Hij dus uit: „Mijn Zoon! Gij ziet wat razernij
't Verstokte hart vervoert van onze Weerpartij,
Wien wet, noch grenspaal, noch de ketens hem geklonken.
Noch 's Afgronds grendlen, noch de diepte der spelonken,
Weêrhouden van een wraak, die op zijn schënnig hoofd
Zal wederkeeren. Thands, nu hij zich vrij gelooft,
Rept hij de wiek nabij den Hemel, naar de grenzen
Der Nieuwe Waereld, om de zaligheid des Menschen,
't Zij door geweld, of list te storen. En zijn Hst
Zal slagen: want zijn taal, met logen gevernist,
Zal (al te ras!) den Mensch 't gebod doen overtreden.
Het éenig proefgebod in zijn gelukkig Eden,
Dat hem moest vormen tot gehoorzaamheid! Zoó zal
Hij vallen, zijn geslacht meesleepende in zijn val!
Aan wien de schuld, dan aan hem-zelf? 'k Had hem gegeven
(D' ondankbre!) al wat hij tot genieting van zijn leven
Kon hebben, 'k Heb hem rein, rechtvaardig voortgebracht.
Vrij om te vallen, maar gewapend met de kracht
Om pal te staan. Aldus, waar ergens geesten wonen.
Schiep ik hen allen vrij! Hoe liefde te betoonen,
Verknochtheid, ware trouw, als niet hen de inspraak drong
Van vrijze keuze, maar een ijzren nood hen dwong?
Wat lof, wat loon toch zou een jammerhartig zwoegen
Van- slaven waard zijn ? En wat wezendlijk genoegen
Ware immer door den dienst der Englen mij bereid.
Als rede en wilskracht faalde aan hun gehoorzaamheid,
En zij, dus lijdlijk zich neêrbuigende aan mijn voeten,
Niet Mij aanbaden maar een overmachtig Moeten?
Alzoo dan werden zij geschapen zoo 't behoort
Naar 't allerheihgst Recht. En niemand kan een woord
Van billijke aanklacht of beschuldiging verheffen.
Dat of hun Schepper, öf hun schepping-zelf zou treffen,
Of 't lot dat hèn weervoer, als had' een raadsbesluit
Der Voorbeschikking ooit hun vrijen wil gestuit.
Uit Mij niet, uit henzelf, is 't oproerplan geboren!
'k Zag, ik die alles weet, hun afval lang te voren.
Maar Mijn voorwetenschap had op Hun gruweldaad
Geen invloed, en geschied waar' 't jammerlijke kwaad
Al even zeker, ook al hadde ik niets geweten.
Zoo overtraden zij, door niets wat dwang mag heeten
Of noodlot voortgesleurd. Hun val bewerkten zij,
Zelf meester van hun keuze en oordeel, 'k Schiep hen vrij,
Vrij blijven ze ook, tot zij zich-zelven slaven maken.
Moest anders hun natuur verandren, en verzaken
Mijn eeuwig raadsbesluit dat hen voor vrij verklaart.
Zoo zijn die Englen dan door eigen schuld ontaart,
Verzocht door eigen lust, verleid door eigen logen!
Dus niet de Mensch: hij valt, maar eerst door hèn bedrogen.
Niet hun dus, maar den Mensch, geschiedt barmhartigheid!
De Hemel, de Aarde alom, zal van mijn Majesteit,
Zoo in gerechtigheid als in gena, weêrklinken:
Maar 't méeste, 't eerst en 't laatst, zal mijn genade blinken! "

Zóo sprak de Vader: en een geur van ambrozijn[11]
Trok heel den Hemel door, die 't hart van Serafijn
En zalige' Engel met de heiige vreugde streelde[12]
Van nimmer zóo gekende en onuitspreekbre weelde.
Onvergelijkelijk in al zijn godlijk schoon.
Verheven boven al die andren, blonk Gods Zoon.
In Hem was al de glans van 't eeuwig Opperwezen
Zelfstandig uitgedrukt, en wat zijn oog liet lezen.
Wat zweefde op dat gelaat, was heiige deerenis.
Wier teêrheid grensloos, wier getrouwheid eindloos is.
Wèl gloeide ze in die taal, die nu de Zaalgen hoorden:

„O Vader, lieflijk en verkwikkend zijn de woorden,
Waarmeê Ge uw vonnis sloot: zoo wordt de Mensch gespaard!
Hij vindt Gena! Daarvoor zal eens de dankbare Aard
Met alle Hemelen U prijzen in de psalmen
En hallelujahs, die uw glorietroon omgalmen
In eeuwigheid. Hoe ook, hoe zou de Mensch vergaan?
De Mensch, Uw schepsel, nog zoo kortelings ontstaan,
Uw jongste zoon, zoo teêr bemind. Uw welbehagen, —
Schoon niet onschuldig, toch in valsche hinderlagen
Gelokt, door list verschalkt.... Zijn val zou redloos zijn?
Neen, Vader! dat zij verre! Ook niet de minste schijn
Van onrecht ruste op U, die wat Gij hebt geschapen,
Rechtvaardig oordeelt! Zou die vijand, wien het wapen
Gerukt werd uit de hand, toch komen tot zijn doel,
Terwijl gij 't Uwe mist? ... . Of zal hij, in den poel
Der Hel, met zwaarder straf, in enger boei genepen,
Tot volle wraak gedoemd, heel't menschdom met zich sleepen.
Dat hij verdierf? Of doet Ge uw eigen werk vergaan,
En zult Ge een schepping, tot Uw heerlijkheid ontstaan.
Ontscheppen tot zijn vreugd? Uw liefde en almacht samen
Wierd dan betwist: wie zou den lasteraar beschamen?"

De Schepper sprak: „Mijn Zoon! mijn Welbehagen! Gij,
Mijn Woord, mijn Wijsheid! al wat ge uitspraakt, hebt ge uit Mij[13]
Gesproken! Gij vertolkt mijn innigste gedachte,
Mijn wil van eeuwigheid. Het menschelijk geslachte
Gaat niet onredbaar, niet geheel verloren. Neen!
Wie wil, wordt zalig. Toch, niet door zijn wil alleen,
Maar door mijn heilgenâ, die 'k willig hem zal schenken,
'k Zal zijn verdorde ziel met nieuwe krachten drenken,
'k Zal zijn vermogens, door onmatige begeert'
Verslaafd, verwaarloosd, door de zonde weggeteerd.
Nog eens vernieuwen. Hij zal, door mijn mogendheden
Omhoog gericht, nog eens zijn vijand tegen treden
Op effen grond. Maar nü geruggesteund door Mij,
Opdat zijn broosheid hem altijd voor oogen zij
In zijn gevallen staat; opdat hij dankbaar leve
En Mij voor zijn behoud, en Mij-slechts, de eere gevel
'k Wil ze allen roepen, 'k zal hen smeek en eindeloos:
„Wordt met uw God verzoend!" Ik zal den nacht des doods
Bestralen met Mijn Licht in hun verwarde zinnen;
Ik wil hun steenen hart vermurwen en herwinnen,
Of 't biddend, boetend, mij gehoorzame als den Heer!
En wie daar bidt en boet, gehoorzaam als weleer,
Zij 't ook bij aanvang, mids oprecht, wordt niet verstoten:
Hem blijft mijn oog, mijn oor, mijn harte nooit gesloten!
Ik geef 't Geweten hun tot een inwendig Licht,
Een gids, een scheidsman, die in Mijne plaatse richt:
Als zij hem hooren, zal de goddelijke waarheid
Hun ziel bestralen met een altijd heller klaarheid,
Tot zij, volstandig tot den einde toe, de Poort
Des Hemels binnengaan. Maar die mijn stemme hoort
En nie t gehoorzaamt, doende al wat zijn hart geluste,
Mijn dag versmadend, zal niet ingaan tot mijn Ruste!
Verstokter steeds wordt hij, die zich verstokken zal,
Steeds blinder, die zich-zelf verblind heeft, en zijn val
Zal des te dieper zijn! Die met bedachten rade
Mij vlieden, zij-alléen staan buiten mijn Genade!
Toch is dit alles niet! De ondankbre Mensch verkracht
Zijn eed, verbreekt zijn trouw: 't is tegen de Oppermacht
Des Hemels dat hij strijdt, zijn wil tot wet verkiezend.
Naar Godgelijkheid staande, en daarom 't al verliezend,
Houdt hij niets over wat zijn schuld verzoenen kan.
Hij is verloren en voor immer in den ban.
Hij heeft zich losgerukt van 't Onverganklijk Leven:
Hij, met zijn nageslacht, moet sterven! Hij moet sneven
Of — Gods gerechtigheid!., 't En zij zich iemand bood,
Vrijwillig en bekwaam, die *t vonnis, dood voor dood.
Wilde ondergaan, en dus de groote schuld betalen!
Hoe zal de Deernis ooit zulk een triomf behalen?
Wie kent haar? Englen, spreekt! wie uwer is bereid
Op Aard te dalen in het kleed der stoflijkheid.
Om in des Menschen plaats den bittren dood te sterven,
En, zelf rechtvaardig, hun verlossing te verwerven
Die onrechtvaardig zijn? Waar in des Hemels schoot
Woont zulk een Liefde, woont een Deernis alzoo groot... "

God zweeg. Maar de Engelen verstomden waar zij stonden
De gantsche Hemel zweeg. En niemand werd gevonden,
Die daar als Voorspraak of Bemiddelaar verscheen,
Of die (veel minder nog !) in 's Menschen plaats zou treên,
Zich stellend ten rantsoen. En, onverlost, verloren,
Zou 't Menschdom zijn vergaan door 't vonnis van Gods tooren,
Had' niet de Zoon, in wien Gods volle liefde gloort,
Zijn tusschenkomst vernieuwd.
„Gegeven is Uw woord,
O Vader !" alzoo klonk de stem des Welbeminden :
„Het Menschdom vindt Gená : zou dan Gená niet vinden
De middlen en den weg — uw snelste Bode, zij ! —
Om al Uw schepselen te naadren, vriendlijk, vrij,
Voorkomend, ongevraagd ! Heil dat zij zoo kan komen !
Hoe zou de zondaar, wien de Godskracht is ontnomen,
Haar bijstand zoeken ? hoe de schuldige 't rantsoen
In 't heilig offer van 't gehoorzaam hart voldoen ?
Zoo zie op Mij ! op Mij voor hen! Hier bied ik leven
Voor leven. Wat uw recht kan eischen, kan ik geven.
Doe of Ik Mensch ware ! ik wil Mensch zijn. Ik, uw Zoon,
Ik wil om zijnentwil uw heerlijkheid, uw troon,
Uw schoot verlaten : 'k wil voor hem mijn hart doen breken !
Laat tegen Mij den Dood in al zijn woede ontsteken :
Niet lang vernedert mij zijn duistre heerschappij !
Het leven in mij-zelf voor eeuwig gaaft Gij mij :
Ik leef door U, ook dan wanneer ik zwichte en sneve,
Wat in mij sterven kan tot sterven overgeve !
Maar is die schuld betaald, dan, Vader ! duldt gij niet
Dat ik 't verderf aanschouwe in 't gruwzaam Doodsgebied.
'k Zal 't Graf ontstijgen, 'k zal mijn Weêrpartij doen bukken!
Ik zal den roover zijn gewenschten buit ontrukken ;
De Dood ontfangt dan zelf de doodswond ! Zonder eer
Of macht of prikkel nu, stort hij vernietigd neêr.
In weêrwil van de Hel neem ik de Hel gevangen,
En voer haar in triomf bij aller Englen zangen
Door 't luchtruim voort, en stel des Afgronds Mogendheên
In ketenen ten toon! Dan blikt Gij naar beneén,
Op dat gezicht verheugd, met vriendlijk welgevallen;
En ik, door U verhoogd, verdelg mijn haatren allen.
Den Dood het laatste! en met zijn rammelend gebeent'
Is 't Graf verzadigd. Met de Zaligen hereend
Die ik verlost heb, in de heerlijke landouwen
Des Hemels weêrgekeerd, zal ik het licht aanschouwen
Uws aanschijns, Vader! waar geen gramschapswolk meer drijft,
Maar de eeuwge vrede der verzoening overblijft:
De toorne is opgelost in vreugde, die, volkomen
En eindloos, d' Uwen uit uwe oogen toe zal stroomen!"

Hier eindigde de Zoon zijn rede; maar zijn oog
Bleef zwijgend spreken van wat heel zijn hart bewoog :
Onsterflijk medelij' met al die sterflijk waren!
Niets kon zijn liefde tot de Menschen evenaren
Dan zijn gehoorzaamheid aan 's Vaders heilgen raad.
Gelijk een offer, dat met vreugd zich slachten laat,
Wacht Hij zijns Vaders wil... . terwijl de Hemelingen
Verbaasd en siddrend van bewondring hem omringen.
En aarzlend fluisteren wat dit toch wezen zal.
De Almachtige andwoord; „In der hemelen heelal
Zijt Gij het, Gij-afléen, die 't vredelicht doet dagen
Voor d' afgevallen Mensch. Mijn hoogste Welbehagen !
Gij weet, hoe waard mij al mijn werken zijn, en, neen.
De Mensch het minste niet, schoon hij het laatst verscheen,
'k Laat U om zijnentwil mijn rechterhand begeven:[14]
Uw tijdelijk gemis redt millioenen 't leven.
Die 'k anders eeuwig miste! Ontfermer! Gij zult gaan.
En nemen de natuur der menschenkinderen aan,
Nu Gij, en niemand meer, het menschdom kunt bevrijden.
Gij wordt geboren in de volheid aller tijden
Uit maagdlijk zaad en door een godlijke geboort'.[15]
Wees, schoon ge als Adams kind tot zijn geslacht behoort[16]
In Adams plaats het Hoofd van zijn geslacht. Verloren
In hem zijn allen: maar ze zijn uit U herboren[17]
Ten leven, nieuwe stam, die uit uw wortel schiet!
Zijn schuld maakt allen wie zijn bloed door de aadren vliet
Tot schuldigen, maar u w verdienste zal behouën
Die, al hun kwaad en goed verzakende, u beschouwen
Als d' Alherschepper, in Wien ze over zijn geplant
Tot een nieuw leven! — Zóo doe ik het recht gestand:
Een mensch zal voor den Mensch voldoen, zich overgeven,
Gevonnist sterven, maar gestorven weêr herleven,
En weêr herlevende, al zijn broedren, door Zijn bloed
Gekocht, herleven doen! Vóór zulker Liefde gloed
Zwicht dan de Haat, die ziet hoe zij ten duursten prijze
Te redden weet wat hij, op al te lichte wijze,
Verwoestte, en nog verwoest in allen die voortaan
Na uw verwinning mijn Genade nog versmaan!
Toch kan, al wordt Gij ook als een der menschenkindren,
Uw godlijke natuur verduistren noch vermindren!
Als Gij, Volzaalge, mijns Gelijke! 't al verlaat
Tot redding van den mensch, die zonder U vergaat.
Dan toont Gij U Mijn Zoon, nog meerder door uw werken
Dan door geboorterecht. De heerlijkheid des sterken[18]
En grooten, wordt in U nog overstraalt door de eer
Des goeden; en aldus zijt gij Mijn Beeld te meer!
Om de Liefde in U, Verlosser van de zonden!
Nog eindloos hooger dan uw Glorie wordt bevonden,
Zoo zult gij hier in 't vleesch regeeren op Mijn Troon.
Gij, Godmensch, Zoon van God en tevens Menschenzoon !
Gezalfde Koning! U wordt alle macht gegeven!
Heersch eeuwig! 't Is verdiend. Gij wordt tot Hoofd verheven,
U eert alle Overheid, Kracht, Macht, heel 't Geestenheir.
Voor U buigt alle knie in alle heemlen neêr,
Op de aarde, en onder de aarde, als Gij, de wensch der vromen.
De schrik der bozen, op uw wolkentroon zult komen
Met uwe Aartsengelen, wier luid bazuingeschal
De wijde Waereld voor uw vierschaar dagen zal.
Dan snellen ze allen aan, de levenden, de dooden,
Uit elke windstreek, uit alle eeuwen opontboden,
En naadren ten gericht'. Dan spreekt Gij 't oordeel uit:
Dan gaan de bozen, wie uw vonnis buitensluit,
't Zij Mensch of Engel, naar de diepste Hel, wier poorte
Zich nooit meer opent. Dan begint de weêrgeboorte
Der Aard'! Zij staat in vlam 1 Maar uit heur asch verrijst
Een nieuwe Hemel, een nieuwe Aarde, die U prijst
Tot eere uws Vaders; waar de vromen zullen wonen;
Waar uw rechtvaardig Volk een gouden eeuw zal loonen
Voor gouden daden; waar een vrede, hemelzoet
En zahg, al hun strijd voor de eeuwigheid vergoedt.
Dan legt Ge uw staf neêr, want geen staf is meer van nooden:
God is dan alles en in allen! ... . Maar gij, Goden!
Looft Hem die sterven zal, opdat dit al geschied'!
Zoo deelt de Zoon in de eer, die gij den Vader biedt!"

Nauw hield de Almachtige op, of plotseling, hoort! daar
schallen Der Englen stemmen, als van tallelooze tallen:
Toch trilde éen zelfde vreugd in 't algemeene Choor.
De blijde Jubel klonk den wijden Hemel door,
Hozanna's ruischten door de oneindigheid. Zij bogen
In diepe eerbiedigheid met overvleugelde oogen
Voor beider glorietroon. Daar wierp dat Englenheir
In vuurge aanbidding hun genadekroonen neêr.
Met goud en amaranth op 't schitterendst doorweven
Onsterflijke amaranth: een bloem, in Eden's dreven[19]
Nabij den Levensboom geplukt door Eva's hand.
Maar sints des Menschen val aan 's Hemels lustwarand
Hergeven, die het eerst haar knoppen zag ontluiken.
Daar groeit ze en bloeit ze voort, beschauwend met heur struiken
De Levensbron, waaruit de stroom van zegen vloeit,
Dien zij, den Hemel door, omslingert en ombloeit
Met Elyzeesch gebloemt' vol heerlijke ambergeuren.[20]
Met deze bloemen, die nooit rimplen of verkleuren,
Bindt de Englenschaar het blond der lokken op, wier glans
Nog rijker spiegelt in een gouden stralenkrans.
En de Englen haasten zich met weelderige meien
Vol bloesems, heel den vloer des Hemels te overspreien,
Een zee van jaspis, die in purpren rozen dook!
En toen omkransten zij de gouden harpen ook.
Die, steeds gestemd, gelijk een pijlbus aan hun zijde
Weêrblinkt. Een symphonie, welluidend voorspel, wijdde
Den Lofzang in en wekte een geestdrift op, waarbij
Geen stem ontbrak, zóo groot is 's Hemels harmony !

U, Vader! zongen ze eerst, almachtig, onverganklijk
En eeuwig Koning, nooit veranderd, onafhanklijk
Formeerder van 't Heelal, Fontein des Lichts! die woont
In 't ontoeganklijk licht, waar Gij onzichtbaar troont,
't En zij Ge U wegschuilt in een tent van wolken (duister
Door overmaat van licht!) Dan tempert Gij uw luister.
En wat we aanschouwen, is de zoom van uw gewaad !
Toch staan uw Serafim ook dan van ver', 't gelaat
Omvleugelend om zelfs dien weêrglans te verduren!
U gold hun Lofzang toen, van alle kreaturen
Gij de Eerstling, Eenige des Vaders, zichtbaar beeld
Des Ongezienen, waar Zijn aangezicht in speelt
En spiegelt, door geen wolk omsluierd! Want wij lezen
In U de trekken van Zijn heerlijkheid. Zijn wezen
Is afgedrukt in U! In U woont evenzeer
De volheid van Zijn geest. De heemlen en hun heir
Schiep Hij door U! Door U bracht Hij 't geweld ten onder
Der Satans-Engelen! Dien dag hebt Gij den donder
Der weêrvergelding van uw Vader niet gespaard,
Noch hebt Ge uw vuurkaros weêrhouden in heur vaart.
Maar dreeft heur wielen, dat des Hemels bodem schokte,
Den vijand over nek en schoudren. Toen ontlokte
Uw weêrkomst in triomf aan heel uw Legermacht
Eén luiden juichkreet!, Gij, Zoon van uws Vaders kracht,
— Zoo heette 't — moest Gods wraak zijn haatren doen ervaren
Maar de Eeuwge was geneigd den zwakken Mensch te sparen,
Die viel door hün bedrog. O Vader van gena!
Pas sloeg uw lieve Zoon uw mededoogen ga,
Of Hij besluit om uw gerechtigheid en tevens
Uw liefde te voldoen. Het heilig licht des Levens,
Des Hemels heerlijkheid, het zalig Vaderhuis,
Wil hij verlaten, om — te sterven aan een kruis!
O Liefde! Liefde! wie zal ooit uw weêrga toonen?
Zóo kunt ge alleen in 't hart der Hooge Godheid wonen.
Gezegend, Zoon van God! Gij, 's Menschen heil! Uw lof
Geef ons van heden af een eeuwge zingensstof,
En waar de harp ooit klink', 't is uw aanbiddende' Englen
Behoefte Uw naam voortaan met 's Vaders naam te menglen!

Zóo bracht, hoog boven zon en sterren, 't Englenchoor
Den zaalgen tijd in vreugde en lofgezangen door.

Terwijl bewandelde nu Satan, de onvervaarde,
De buitenzijde van den kogel, die deze Aarde
Omringt en afsluit van den Chaos en den Nacht.[21]
Hij had die Aard' van ver' een ronden bol gedacht:
Nü scheen ze een vasteland, oneindig, woest, in 't donker
Gedompeld, zonder zweem van vriendlijk stargeflonker.
Bestookt door stormen van een eindeloozen duur,
Behalven aan éen zij', gekeerd naar 's Hemels muur:
Daar, waar de stemmen dier orkanen bijna zwegen.
Blonk hem de weêrschijn van een verre scheemring tegen.
Hier ging de Aartsvijand voort met onverpoosden spoed:
Gelijk wanneer een gier, op d' Imaus uitgebroed,[22]
In 't naakte sneeuwgebergt' der stroopende Tartaren
Geen aas vindt, wegvliegt om bloedgierig neêr te varen
Op groene heuvelen, waar hij 't onschuldig ooi
Of de arme zooggeit, zal ontrukken aan de kooi
Hij zoekt de Ganges, of Hydaspes, aan wier zoomen[23]
De kudden grazen: maar éer hij zóo ver kan komen,
Strijkt hij, vermoeid, een wijl ter neêr op 't mulle zand
Van Sericana, waar de voerman zeilen spant[24]
Voor 't rieten wagentuig, om, door den adem der winden
Gestuurd, een doorgang door de woestenij te vinden.
Zóo worstelt Satan door die zee van land daarheen'.
Die deinst en hobbelt; her- en derwaarts, steeds alleen,
Steeds loerende op zijn prooi... Alléén!... want niets in 't ronde
Dat hem de aanwezigheid van schepselen verkondde,
't Zij levendig of dood. Maar toen in later tijd,
De Zonde de aarde en al heur werken had ontwijd,
Toen vloden menigten van wufte en dwaze dingen
Hierheen, onwezendlijk als luchtverhevelingen:
Al de ijdelheên, en al de zielen, die een naam
Van eer en grootheid, een onsterfelijke faam
En duurzaam heil voor dit en 't volgend leven wachten
Van de ijdelheid; die d' oogst van al hun doen en trachten
Op Aard vergaren, vrucht van angstig bijgeloof
En blinden ijver; al, die, voor 't geweten doof.
Niets zoeken dan een krans van dorre lauwerbladen, —
Erlangen hier een loon zoo ijdel als hun daden!
Al 't werk, dat, onvoltooid, te vroeg, te kwader uur,
Mislukt, ontsnapt is aan de werkplaats der Natuur,
Of onverzoenlijk is gemengeld, zweeft, ontbonden
Van de Aard, hierheen, straks door vernietiging verslonden,
't Zwerft hier een wijle in 't rond, en niet, gelijk de waan
Der dweepers fabelt, in 't naburig Rijk der Maan.
(Haar zilvren velden zijn veeleer de lustvalleien
Van enkle Heilgen, of van Wezens, onderscheien[25]
Van Mensch en Engel, maar aan beide toch verwant!)
Maar hier, waar Satan stond, in 't nü ongastvrij land,
Werd eerst een wijkplaats aan die Reuzenteelt beschoren[26]
Van d' ouden tijd, uit een onmooglijke' echt geboren
Van Menschendochteren en Hemelzonen, fier
Op hun geweldnarij en valsche glorie. Hier
Verhuisden de ijdlen, die den Babels-toren bouwden
In 't landschap Sinear, en immer zwoegen zouden
Aan nieuwe Babels, lage er bouwstof om hen heen!
Vele andren volgden hen, en kwamen éen voor éen:
Empedocles, die, om te zweven op de tongen[27]
Of hij een Godheid ware, in d' Aetna is gesprongen;
Cleombrotus, die, om den kortsten weg te gaan[28]
Naar Plato's Elysee, zich stortte in d' oceaan.
En altijd meerdren, in onnoemelijke scharen,
AU' misgeboorten en verdwaasden, kluizenaren
En monniken, in witte en zwarte en grauwe pij[29]
Vermomd, met al hun waan en domme schelmerij.
Hier zwerven pelgrims, die Hem zochten bij de dooden
Op Golgotha, die, lang het stof der Aard ontvloden.[30]
Hoog in den Hemel troont Hier komen zij bij-éen,
Die, om het Paradijs toch zeker in te treên,
Zich stervend hullen doen in Fra-Dominicaner
Of Franciscaner kap en kloosterkleed: zij gaan er
Gemaskerd meê voorbij langs ons planeetenheir.
De vaste starren, en den kristallijnen sfeer:[31][32]
Reeds schijnt Sint-Pieter hen aan 's Hemels deur te wachten
De sleutels in de hand: reeds naadren zij, en trachten
Den voet te zetten op den dorpelsteen — daar raast
Op eens een stormwind die van alle kanten blaast.
Die ze allen aangrijpt en tienduizenden van mijlen
Als in een dwarrelvlaag hen achteruit doet ijlen.
Nu zwieren monnikspij en kap en kloosterdracht.
Met die ze droegen, door elkander in den nacht,
Verscheurd tot flarden! Nu verdwijnen, op de wieken
Des wervelwinds vervoerd, de kostlijke relieken
En paternosters, met geheel een aflaatkraam,
En pausenbullen, in éen warrling al te-saam'!
Zij vliegen op d' orkaan ver achter deze onze Aarde,
Tot wrat het onweêr van hun dorre lompen spaarde
Ter-neder-fladdert in een limbus, diep en breed,
„Der Dwazen Paradijs", zooals het sedert heet,[33]
Nu weinige' onbekend, toen eenzaam, nooit betreden!
Hier rept de Aartsvijand langs den donkren bol zijn schreden,
En zwoegde al verder voort Daar wees een schemergloor,
Die glinsterde in 't verschiet, hem eindlijk toch een spoor!
Daar rees een trotsch Gebouw in wonder lichtgewemel,
Met treden stijgend tot de Veste van den Hemel.
De koninklijke poort, die hij omhoog aanschouwt.
Prijkt met een gevel die van diamant en goud
Weêrstraalt; het weidsch portaal schijnt met een paerelregen
Bestrooid, zoo heerlijk als nooit duiker, opgestegen
Uit Ormuz' diepte, heeft veroverd, of 't penseel
Heeft nagetooverd op 't begoochelend paneel.
De trappen waren als die Jakob heeft zien stralen[34]
In Paddan-Aram, als hij de Englen neêr zag dalen[35]
En opwaards klimmen bij den steen waarop hij sliep —
Tot hij, ontwakend, in zijn geestvervoering riep:
„Dit is des Hemels Poort!" Ook waren al de treden
Elk vol beteekenis en vol verborgenheden:[36]
Soms werden zij op eens onzichtbaar, naar omhoog
Getrokken, en beneên lag voor 't bewondrend oog
Een zee van jaspis of van vloeiende juweelen,
Waar al de kleuren van den regenboog in spelen.
Daarover voeren zij, die sedert van deze Aard'[37]
Ten Hemel kwamen, door een Englenwacht bewaard
Of wel, zij werden in een vuurgen zegewagen
Hoog boven 't vonklend meir ten Hemel ingedragen!

De trap was zichtbaar thands! 't zij om des vijands moed
Te tergen, of hij 't waagde om met vermeetlen spoed
Omhoog te klimmen, 't zij om 't heimwee te vergrooten
Bij 't zien dier zaalge poort, voor eeuwig hem gesloten.
En van den voet dier trap liep, hellend naar beneên,
Een weg naar 't Paradijs der jeugdige Aarde heen':
Een weg, veel breeder dan die later uit den hoogen
Naar Sion neêrdaalde in 't Beloofde Land, in de oogen[38]
Van God zoo dierbaar, en waarlangs hij menigwerf
Zijn Englen nederzond, als op 't gezegend erf
Zijn blikken rustten, die 't met wellust overschouwden
Van d' oorsprong des Jordaans, tot waar de vlakten grauwden[39]
Van 't dor Berseba, bij de Arabische woestijn[40]
En Mitzraïm, de grens van Kanan. Zonneschijn
En heerlijkheid bescheen met onbewolkten luister
De heirbaan in geheel heur lengte, waar het duister
Aan weêrszij' was bepaald, gelijk de wijde zee
Door de oevers wordt beperkt. Op de allerlaatste treê
Dier gouden trap nu, die naar 's Hemels ingang voerde.
Stond Satan, en zag neêr. En heel zijn ziel ontroerde.
Verbaasd, bewonderend: want plotsling overzag
Hij de Aarde, die in al heur omvang vóór hem lag.
't Gebeurt, dat een spion, die uren, uren, dwaalde
Langs kronkelwegen, waar geen star hem tegenstraalde,
In 't eind een berg beklimt, en plotsling in 't verschiet.
Waar de ochtend flonkert, een bevallig Landschap ziet.
Nog nooit begroet, of een der stedenkoninginnen.
Met hooge torens en vergulde tempeltinnen
Het licht weêrspieglend van den purpren zonnestraal.
Alzoo de booze Geest! Ofschoon hij duizendmaal
Des Hemels heerlijkheid gezien had, opgetogen.
Verbijsterd stond hij nu, nog meer door nijd bewogen
Dan door bewondering, als hij de jeugdige Aard'
In al haar pracht aanschouwde, éen wondervolle gaard!
Rondom bezag hij haar (wèl mocht hij 't, dus verheven
Hoog boven 't welfsel, waar de schaduwwolken zweven
Der Nacht!) van 't oostlijk punt der Weegschaal af, tot aan
Den Ram, in gouden vacht, die ver van d' Oceaan
Andromeda vervoert. Toen mat hij uit den hoogen
Des Aardrijks breedte met zijn albespiedende oogen
Van d' eene pool tot d' andre. En nu geen aarzien meer !
Hij dook met snelle vlucht in d' eersten kreits ter neêr
Der Nieuwe Wereld, en herhaalt zijn kronkelgangen
Door 't zuiver luchtazuur, waar starrenstelsels hangen,
Ontelbaar: starren in de verte, maar nabij
Een bloeiende archipel van werelden, een rij
Gelukkige eilanden, den tuin der Hesperiden[41]
Gelijk, met heuvelen, die gouden vruchten bieden,
En dalen vol gebloemt' ... . Welzalig Lichtgebied!
Wat Zaalgen wonen daar? De Aartsvijand vroeg het niet.
Want boven allen trok met purpren straalgewemel
De schoone Zon hem aan, de Zon, een tweede Hemel!
Daarheen is 't dat zijn vaart door 't kalme firmament
Zich, op- of neêrwaards, oost- of westwaards, henenwendt.[42]
Al dichter nadert hij die Lichtbron, wie van verren
Die andre, mindre, dicht als zand gezaaide sterren
Eerbiedig huldigen, zich koestrende in den glans
Van haar gebiedend oog. Deze, in heur hemeldans
Op voorbestemde maat bewogen, wentlen allen
Zich om heur Koningin, die naar haar welgevallen
Haar licht en warmte schenkt, haar Maand, Jaar, Jaargetij',
En Nacht en Dag beschikt en toetelt, heerschappij
Op alles oefnend wat zij aantrekt met haar stralen.
En krachten deelend, die bevruchtend nederdalen
Tot in den diepsten schoot van eiken wereldbol.
Zoo schoon stond daar de Zon, zoo grootsch, zóo luistervol!
Hier landt de Aartsvijand, vlek der Zon, als nooit op Aarde
Een oog door 't kunstglas op haar klare schijf ontwaarde.[43]
En Satan zag een oord, schoon, onbeschrijflijk schoon!
Een wereld, die wat de Aard ooit later heerlijks toon'
In kostelijk metaal of eêlgesteent, verdonkert;
Veelvormig, maar alom van stralend Licht doorflonkerd,
Als gloeiend erts in 't vuur. Is ze uit metaal gebouwd
Ten deel is 't zilver, en ten deele vlammend goud.
Is ze uit gesteent' gevormd, dan spreidt ze 't lichtgevonkel
Van chrysoliet, robijn, topaas, of pracht-karbonkel.[44][45]
Van 't volle twaalftal dat in Aron's borstkleed scheen :
En daarenboven van dien wondervollen steen,
Beroemd alomme, maar nooit elders nog gevonden,
Den steen der Wijzen ! Is 't dan wonder, zoo de gronden[46]
Hier balsems waassemen, zoo hier rivieren gaan
Van drinkbaar goud, door haar, die, raakt zij de Aard slechts aan,
Ofschoon van verre en door zoo menig damp bestreden,
Reeds daar van uit den nacht ontelbre kostbaarheden
Hervoort-roept, kleurrijk en van ongemeene kracht ?
De Aartsvijand staart, maar niet verbijsterd, op die pracht.
Heel d' omtrek kan zijn oog van allen kant bespieden
Daar zijn beletselen noch nevels die 't verbieden :
Eén enkle gloed van licht is alles wat hij ziet.
Als wen de middagzon heur gouden pijlen schiet
Van de Evennachtslijn, dat ze loodrecht nederdalen:
Alzoo nu zendt zij hiér heur vonkelende stralen
Lijnrecht naar boven, zoo, dat nergens in het rond
Een voorwerp schaduw gaf. Ook was waar Satan stond
De lucht zoo helder dat de blik zich verder strekte
Dan ergens elders. Ras, terwijl hij tuurde, ontdekte
Zijn oog een Engel, schoon en schittrende als de dag.
— 't Was de eigen Engel dien Johannes later zag
Op Patmos, vliegende in het midden van den Hemel. —
Hij hield den rug gekeerd, maar zalig lichtgewemel
Doorgloeide zijn gestalt'. Hem kroonde een stralenkrans
Het hoofd, 'en lokkig hair van even gouden glans
Golfde op zijn schoudren neêr, waar gouden vleugels blonken.
't Was of een grootsch ontwerp hem bezig hield. Verzonken
In diep gepeins, stond hij bewegingloos. Nu sloop
Een boze vreugd in 't hart des Satans, met de hoop
Dat dit de gids zou zijn, die, na zoolang verbeiden
En moeilijk zwerven, hem naar 't Paradijs zou leiden,
Het einde van zijn weg, 't begin van 's Menschen rouw !
Eerst dacht hij, hoe hij best zijn vorm herscheppen zou,
Opdat geen nieuw gevaar of uitstel hem mocht storen.
Daar staat hij plotsling tot een Cherubijn herboren,
Wel niet een Hemeling van d' allereersten rang,
Toch zulk een wien de roos des Hemels op de wang,
Een eeuwge Jonkheid uit de vriendlijke oogen gloeide,
En 't lieflijk waas van een bescheidenheid omvloeide,
Die elk begoochlen zou. Dus werd te kwader uur
De kunst van veinzen hem een andere natuur!
Een diadeern omsloot zijn lokken, dartel wieglend
Om 't blozende gelaat; zijn wiekgepluimt', weêrspieglend
Van kleuren, wemelde als een regenboog ; zijn kleed
Was opgeschort ; en als hij statig voorwaarts treedt,
Steunt hem een zilvren staf. Nog is hij niet gekomen
Waar de Engel staat, of reeds heeft deze hem vernomen,
Gewaarschuwd door 't gehoor en 's harten stem, en wendt
Het hoofd om. Met éen blik heeft Satan hem herkend,
D' Aartsengel Uriël, een dier verkoren Zeven[47]
Die voor Gods troon staan, voor Zijn aangezicht verheven,
Verbeidend Zijn bevel, die als Zijne oogen zijn,
Doorloopend hemelen en aarde, zandwoestijn
En bergwoud, vasteland en zee, om Zijn bevelen
Snel als een bliksemstraal aan alles meê te deelen.

„Uriël ! wees gegroet !' sprak Satan, „want Gij zijt
Dier Leven Geesten éen, die, 's Hoogsten dienst gewijd,[48]
Zijn troon omringend, straks zijn hoog bevel verbreiden
Door alle heemlen, waar zijn zonen u verbeiden
Als zijn Gezant. Mij dunkt, met d' eigen last bekleed,
In de eigen waardigheid, zijt Gij nu hier, gereed
Als een der Oogen Gods, nu en nog vaak nadezen
Die Schepping te overzien, pas op Gods wenk verrezen.
Een zielsverlangen, onuitspreeklijk, dreef mij aan,
Dit nieuwe meesterstuk der Almacht gd te slaan,
En bovenal den Mensch, tot gunstling uitverkoren,
Wien al die werken en die wondren toebehooren.
Dies daalde ik neder uit der Cherubijnen kring,
En dwaal hier vorschend rond. Doorluchte Hemeling!
Ai, zeg me, in welken van die bollen die daar zweven,
Woont toch de Mensch ? Of is de keuze hem gegeven
Van plaats te wisslen in dit blinkend waereld-tal ?
O dan, ontdek Gij mij waar ik hem vinden zal,
Om in 't verborgen ter aanschouwing me af te zondren,
Of (liever !) openlijk een schepsel te bewondren,
Met zóoveel waerelden begiftigd, en verrijkt
Met zóoveel gaven dat hij d' Englen schier gelijkt !
Dus mogen wij door hem, gelijk door alle dingen,
Zooals betaamlijk is, des Makers glorie zingen,
Die, hoogst rechtvaardig, een ondankbaren rebel
Met zijn weêrspannig rot ter-neêr-stiet in de Hel,
En, tot vergoeding van 't verlies, dit nieuw geslachte
Der menschen schiep, om Hem, d' Alheilige en Almachte,
Te dienen, trouwer en gelukkiger dan zij !
Ja, wondre wegen Gods, aanbidlijk wijs zijt gij !"
Zoo sprak de veinzaard, die geloofd werd spijt zijn vonden ;
Want mensch nog engel kan de Huichlarij doorgronden,
Het eenigst kwaad, dat in 't verborgen hier benen
En boven rondsluipt, door d' Alzienden God alleen
Gepeild, geduld, maar nooit gewild ! Schoon in heur tempel
De Wijsheid wake, toch slaapt dikwerf op haar drempel
't Vermoeden, dat zijn post de Argloosheid overliet,
Die nimmer 't kwade denkt waar zij het kwaad niet ziet.
Zoo werd dan ditmaal ook zelfs Uriël bedrogen,
Ofschoon de Zonnevoogd, door de Englen in den Hoogen
't Scherpzinnigste geroemd van allen ! — Dus misleid
Door zijn oprechtheid, gaf hij Satan dit bescheid :
„Schoone Engel!uw begeerte om 's Heeren werk te
aanschouwen, Om 's Meesters grootheid
met aanbiddend hart te ontvouwen,
Verdient geen blaam maar lof, en zóoveel lofs te meer
Hoe 't meer uitsporig schijnt dat ze u uit 's Hemels sfeer
Hierheen bracht, om te zien, daar de anderen met hóoren
Zich vergenoegen. Want wèl kunnen zij bekoren,
Gods Werken, altemaal zoo wonderbaar gemaakt,
Zoo waardig dat de ziel altijd de erinnring smaakt
Van hunne aanschouwing. Maar wat schepsel kan dier schatten
Getal, het samenstel dier wonderen bevatten,
De wijsheid nagaan van den onnaspeurbren Geest,
Die ze allen voortbracht ? 'k Ben getuige meê geweest
Hoe op Zijn machtwoord in den baaiertklomp der aarde
De nieuwe bouwstof van een Waereld zich vergaarde.
Hij sprak : Verwarring week, het woedende Oproer stond
Getemd, het Onbepaalde ontfing zijn grens ! Hij zond
Zijn tweede machtwoord uit, en 't goddelijk : „daar worde !"
Riep Licht uit Duisternis, en uit de Wanorde Orde.[49]
Al de elementen, aarde en water, licht en vuur,
Tot hiertoe saamgemengd, ontvouwden hun natuur,
Zoodat elk hunner tot zijn eigen plaatse keerde.
De fijnste en eêlste stof vloog opwaards en formeerde,
Steeds wentelend, zich tot gestarnten. Gij aanschouwt
Hun talloos tal, en ziet hoe elk heur weg onthoudt :
Want ieder wist terstond den loop, haar voorgeschreven
In 't Ongemeten Ruim. Wat over was gebleven
Van de eêlste Hoofdstof vormde in 't rond zich tot een trans
Van dit heelal. Zie ginds dien globe, die zijn glans
Aan de éene zijde ontleent van deze Zon, wier stralen
Hij slechts weêrkaatst. Dat nu is de Aard' ! Daar zijn de dalen
En lustwaranden, waar de Menschheid wonen mag !
Dit opgevangen licht beschenkt haar met den dag,
Daar anders ook die helft in 't donker lag verloren
Gelijk haar keêrzij'. Maar daar brengt het vriendlijk gloren
Der Maan (zoo heet die Star hier over !) uitkomst aan
Ter rechter tijd. Zij eindt en zij hervat heur baan
Door 's Hemels midden na heur dagelijksche ronde.
Steeds puttende uit de Zon, bestraalt ze elke avondstonde
De Zusteraard met haar drievormig aangezicht,[50]
Gestaag ontledigd en op nieuw gevuld met licht.
Zoo, sloor haar schijnsel, wordt de zwarte Nacht bestreden !
Die stip ;waarop ik wijs, is 't welgelukkig Eden,
Waar Adam woont : daar groent zijn Lusthof ! Volg, beneên,
Deez' weg ! zoo dwaalt gij niet. Mijn plicht roept me elders heen'."
Hij sprak, en wendde zich. En Satan, diepgebogen,
Eerbiedig groetende, als gewoonte is in den hoogen
Voor Meerderen, die gaarne elkanders orde en rang
Erkennen, zag hem na, vol blijde hoop. Niet lang
Verwijlde hij. Want als hij niemand meer ontwaarde,
Daar vloog hij neêrwaarts van den Zonneweg naar de Aarde.
Zie, hoe hij zwaaiend met de breede wieken slaat,
Niet rustend eer hij op Niphates' bergtop staat !

Noten[bewerken]

  1. Zie Genesis 1:3, waarin staat dat het licht het eerste geschapen ding was.
  2. Styx/Stygisch: verwijst naar de rivier de Styx, een van de rivieren van de hel, die zich aan de ingang van Hades bevindt. Ook gebruikt als algemene verwijzing naar de onderwereld van de klassieke mythologie.
  3. Chaos: Milton ontleent het concept van chaos, of ongevormde materie, aan Hesiodus' Theogonie en de platoonse filosofie (vooral de Timaeus).
  4. De hemelse Muze: Urania, de muze die geassocieerd wordt met astronomie. Impliceert ook de Heilige Geest.
  5. Ogen...: Milton was volledig blind sinds 1652.
  6. De heilige berg Sion, waarvan wordt beweerd dat Mozes er de leringen van God heeft ontvangen. Milton geeft blijkbaar de voorkeur aan het beeld van de berg boven dat van de gebruikelijke woonplaats van de Muzen, de berg Parnassus.
  7. Thamyris: Homerus vermeldt deze blinde Thraciër in de Ilias 2.591-4.
  8. Tiresias: Een wijsgeer en profeet die voorkomt in Sophocles' Oedipus de Koning en ook in Antigone. Als Thebaanse ziener voorspelde hij de val van Oedipus, en sprak over zijn blindheid als de facilitator van zijn gave van voorspelling.
  9. Phineus: Een blinde Thracische koning die de gave van profetie bezat.
  10. Het Boek der Schepping als Boek der Kennis.
  11. Ambrozijn: Volgens Griekse en Romeinse mythen was ambrozijn het voedsel en de drank van de goden.
  12. Milton Bleesd Spirits' - Uitverkoren geesten. De "goede" engelen zijn uitverkoren geesten. Milton bedoelt hiermee degenen die niet met Satan in opstand zijn gekomen.
  13. Mijn woord: De Zoon wordt hier gedefinieerd als de uiterlijke uitdrukking in woord, wijsheid en macht van een verder onzichtbare, onuitsprekelijke God.
  14. Rechterzijde: De Zoon zit aan de rechterhand van God.
  15. Maagdelijk zaad: verwijzing naar de Maagd Maria en de incarnatie van de Zoon.
  16. Adams zoon: Miltons poging om twee van Jezus' gebruikelijke titels te verzoenen: Zoon des mensen en Zoon van God.
  17. Milton: Without Thee None - Milton geloofde, net als de meeste van zijn tijdgenoten, dat geloof in Jezus Christus de enige verlossing was van eeuwige verdoemenis.
  18. Geboorterecht: Milton stelt de Zoon meer voor als Zoon van God op grond van zijn daden dan op grond van zijn verwekking.
  19. Amarant: een bloedrode bloem die volgens de legende niet kon verwelken.
  20. Elysium: de klassieke Griekse plaats gereserveerd voor de deugdzame overledenen.
  21. De binnensferen: de hemellichamen beschreven door ons zonnestelsel: zon, planeten, manen volgens een pre-Copernicaans begrip.
  22. Imaus: een berg in de Himalaya.
  23. Hydaspes: de rivier Jhelum in de Punjab. De Ganges is een belangrijke rivier in Noord-India.
  24. Sericana: West-China, en de Gobiwoestijn, waar men in door zeilen aangedreven wagens overheen zou reizen.
  25. Henoch (Genesis 5:24) en Elia (2 Koningen 2: 1-11) werden beiden levend naar de hemel gevoerd.
  26. Genesis 6: 4 verhaalt hoe een ras van reuzen werd geboren uit vrouwen die zich koppelden met de "zonen Gods"
  27. Empedocles: Siciliaanse presocratische filosoof uit de vijfde eeuw v. Chr. In zijn Ars Poetica 464-67 vertelt Horatius hoe Empedocles zich in de vulkaan Etna wierp om te bewijzen dat hij goddelijk was; de vulkaan spuwde zijn blijkbaar sterfelijke overblijfselen uit.
  28. Cleombrotus: een jongeling die zichzelf zou hebben verdronken in een extatische bui na het lezen van Plato's Phaedo
  29. Witte, zwarte en grijze: de witte broeders zijn de karmelieten, de zwarte zijn de dominicanen en de grijze zijn de franciscanen. Miltons minachting voor deze rooms-katholieke ordes brengt hem ertoe ze in dit voorgeborchte der ijdelheden te plaatsen.
  30. Golgotha: de plaats van de kruisiging. Zie Mattheüs 27:33.
  31. Libra: Weegschaal, gesymboliseerd door de balans, bevond zich in een van de 55 kristallijnen bollen van de ptolemeïsche kosmologie. In de ptolemeïsche kosmologie werd gezegd dat deze balans de trepidatie, of onregelmatige beweging, in de bol meet.
  32. Milton: ... that first moved- Eerste Beweger: primum mobile, of eerste bewegingssfeer, waarvan de beweging van alle andere sferen is afgeleid.
  33. Paradijs der Dwazen: een gebied zonder grenzen, bedoeld als verblijfplaats voor overtreders.
  34. Jacob: Volgens Genesis 28 bedriegt Jakob zijn oudere broer Ezau door zijn vader Izaäk te misleiden zodat hij hem in de plaats van Ezau zegent. Jakob had toen een droom over engelen die een ladder beklommen, vandaar de term "Jakobs Ladder".
  35. Padan-Aram: Padanaram was het huis van Jakobs oom Laban, die hem een toevluchtsoord bood tegen de woede van Ezau. Zie Genesis 28:5.
  36. Milton: Each stair mysteriously was meant - Dat wil zeggen de treden op de ladder zijn allegorisch geïnterpreteerd opklimmende 'treden' van zijnstoestanden tussen aarde en hemel.
  37. Van Henoch (Genesis 5: 21-24) en Elia (2 Koningen 2: 11) wordt gezegd dat ze van de aarde naar de hemel zijn gevaren.
  38. Sions berg: de heilige berg Sion, waarvan wordt beweerd dat het de plaats is waar Mozes "overleveringen en onderricht" van God heeft ontvangen. Milton geeft hier blijkbaar de voorkeur aan boven de gebruikelijke woonplaats van de Muzen, de berg Parnassus.
  39. Paneas: ook bekend als de stad Dan, ligt aan de bron van de Jordaan en vormt de noordelijke grens van Kanaän.
  40. Berseba: vormt de zuidelijke grens van Kanaän.
  41. Tuin der Hesperiden: een mythische boomgaard aan de rand van de wereld waar gouden vruchten groeiden, zoals verteld in Ovidius' Metamorfosen
  42. Milton: By center, or eccentrick, hard to tell - Moeilijk te zeggen, omdat het afhangt van de vraag of men een copernicaanse of een ptolemeïsche beschrijving van het heelal aanhangt.
  43. Galileo ontdekte in 1609 de aanwezigheid van vlekken op de zon met behulp van zijn telescoop.
  44. Chrysoliet: elke groene edelsteen.
  45. Topaas: meestal geel, soms rood halfedelgesteente.
  46. Milton: Volatile Hermes - Mercurius, een element dat cruciaal is voor veel alchemistische processen. Hermes is ook een Griekse godheid, Mercurius is zijn Romeins equivalent, zoon van Zeus en Maia, en God van de Wetenschap.
  47. Zeven geesten: Openbaring 8 spreekt van "zeven engelen die voor God in de hemel stonden."
  48. Satan toont zijn gedaanteverwisselingskunst door in een cherubijn te veranderen om Uriël voor de gek te houden.
  49. Licht: Genesis 1:2 noemt het licht als de eerste schepping.
  50. Drievoudig aangezicht: de drie fasen van de maan.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.