Naar inhoud springen

Paradise Lost van John Milton/Boek IV

Uit Wikibooks

Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III - Boek IV - Boek V - Boek VI - Boek VII - Boek VIII - Boek IX - Boek X - Boek XI - Boek XII

Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Vertaling: Jan Jakob Lodewijk ten Kate (1875)

VIERDE BOEK
(Engelse tekst van Milton: zie Wikisource Paradise Lost/Book IV)

Satan, nu in 't gezicht van Eden, en nabij de plaats waar
hij den stouten aanslag moest wagen, dien hij-alleen
tegen God en Mensch ondernam, valt in vele twijfelingen
bij zich-zelven en wordt geslingerd door allerlei hartstochten :
vrees, nijd en wanhoop ; maar ten laatsten
verhardt hij zich in zijn boosheid. Hij trekt nu naar
't Paradijs, welks uiterlijk voorkomen en ligging beschreven worden.
Hij springt over den muur en gaat
zitten op den Boom des Levens, den hoogste in den
Hof, tot verkenning van de plaats. De Hof wordt beschreven.
Satans eerste gezicht van Adam en Eva. Zijn
verwondering over hunne schoone gedaante en gelukkigen staat,
maar zijn voornemen tevens om hen ten
val te brengen. Hij beluistert hun gesprek, en komt
daardoor te weten, dat het hun verboden is te eten van
den Boom der Kennis, op straffe des doods ; nu beraamt
hij het plan zijne verzoeking te beproeven door verleiding tot overtreding.
Daarop verlaat hij hen voor een tijd, om langs andere wegen
iets meer van hunnen toestand te weten te komen.
Uriël intusschen, op een zonnestraal nedergedaald,
waarschuwt Gabriël, wien de wacht over de Paradijspoort
was aanbevolen, dat een boze Geest, der Helle ontsnapt,
en tegen den middag de zonnekreits in de gedaante van
een goede Engel doorgetrokken, naar het Paradijs was
heengetogen. Eerst later wordt hij door Uriël herkend
aan zijn woedende gebaarden op den berg. Gabriël belooft
dat hij hem voor den morgen uit zal vinden.
De avond is gedaald. Adam en Eva bereiden zich ter ruste.
Hun priëel beschreven. Hun avondgodsdienstoefening.
Gabriël, met zijne beide wachters de ronde doende in
't Paradijs, plaatst twee machtige engelen bij Adam's
rustplaats, opdat de boze Geest Adam en Eva in hunnen
slaap geen leed berokkene. Daar vinden zij hem aan
het oor van Eva, haar in een droom verzoekende, en
brengen hem zijns ondanks voor Gabriël. Door dezen
ondervraagd, andwoordt hij toornig, en verzet zich;
maar door een teeken van den Hemel belet, ontvlucht
hij het Paradijs ...



O Heilge roepstem, die, gelijk een donderslag,[1]
Uit 's Hemels diepte hem die de Openbaring zag
In de ooren klonk: „Wee! wee hun die op Aarde wonen,"[2]
Als, tweemaal toen verneêrd, de Draak zijn wrok zou toonen,
En dreigend nederschoot op 't Menschelijk Geslacht !
Vermanend woord ! of gij met goddelijke kracht
Nu, daar 't nog tijd was, onze' eerste' Ouderen de blikken
Gescherpt hadt, zoo dat zij de doodelijke strikken
Ontkomen waren ! Want voor d' allereersten keer
Vloog nu hun vijand in verbeten woede neêr,
(Niet als Beschuldiger maar als Verzoeker heden)
Of hij de neêrlaag, bij zijn eersten slag geleden,
Zijn vlucht naar d' Afgrond, op d' onnoozlen, zwakken Mensch
Mocht wreken. Maar 't aanstaand gelukken van zijn wensch,
De voorspoed van zijn reis, schonk hem geen welbehagen,
Wat roeklooze overmoed hem ook hierheen mocht jagen.
Wie kan ook trotsch zijn op een voorgenomen moord,
Valsch, eerloos? De aanslag, nu niet ver van zijn geboort',
Woelt in des Satans borst, zich tegen hem verheffend,
Als een helsch werktuig dat terugslaat, zelf hem treffend.
Vertwijfeling en schrik beroeren even fel
Zijn ziel, en wekken daar de sluimerende Hel.
Want Hel is 't in hem en rond om hem : zij gaat mede[3]
Al wisselt hij van plaats, en zelfs geen enkle schrede,
Zoo min als van zich-zelf, wijkt hij van haar ! Zijn geest
Herdenkt met wroeging wat hij eenmaal is geweest,
Nu is, en — worden zal : want waar de misdaan klimmen,
Daar zullen, klimmende ook, de ellenden hem begrimmen !
Nu slaat hij 't somber oog op Eden, lieflijk schoon,
Dan op den Hemel, op de Zon, ten middagtroon
Gerezen in geheel heur glorie. Zijn gedachten
Ontlasten zich in 't eind in halfgezuchte klachten :

„Gij, die zoo glansrijk uit uw Koninklijk Gebied
Op deez' Jonge Aarde, of gij haar God waart, nederziet,
En al de sterren bij uw aanblik doet verbleeken !
U roep ik aan, maar niet om vriendentaal te spreken ;
Want noem ik, Zon ! uw naam, Gij moet het weten, Gij !
Hoe ik uw stralen haat ! Ach, die herinnren mij
Uit welk een hoogte ik viel, ver boven u verheven
In heerlijkheid, tot ik, door hoovaardij gedreven
En erger heerschzucht, werd geslingerd naar beneên,
Als ik den Hemel in den Hemel had bestreên,
En d' ongelijkbren God braveerde. En, om wat reden ?
Had Hij mijn ondank dan door zijn weldadigheden
Verdiend, Hij, die mij met een eerrang had bekleed
Zoo hoog, met zegen kroonde, en nooit zijn gunst verweet?
Ook was zijn dienst niet zwaar . .. Wat kon hij meer begeeren
Dan Hem teprijzen,Hem te danken ? De eisch des Heeren
Was billijk, maar Zijn goed wekte enkel kwaad in mij,
En wrocht niets anders dan verwaten jaloezy.
Zoo hoog verheven, kon de aanbidding mij niet smaken :
'k Dacht, éen stap hooger zou mij d' allerhoogste maken
En van de onmeetbre schuld van eeuwgen dank ontslaan,
Altijd op nieuw betaald en nimmermeer voldaan !
'k Vergat, dat ik van Hem ook eeuwig bleef ontsangen,
En dat een dankbaar hart, gedreven door verlangen
Steeds weêr te geven, trouw zijn zoeten plicht vervult,
In schuld al tevens en ontslagen van de schuld.
Heet dit eenlast?... Ach, had in lager geestenorden
Mij God geschapen, 'k waar' de ellendling niet geworden
Van heden, de eerzucht had mij niet ten val gebracht ! . . .
Maar waarom niet`? Wie weet, licht had een andre Macht
Dan 't zelfde doel bejaagd, en mij, hoewel geringer,
Verleid te volgen op het wenken van zijn vinger !
Ook bleven andren staande, een eindeloos getal
Van Geesten, mij gelijk, steeds onbeweeglijk pal
En wèlgewapend, hoe van buiten of daar binnen
Verleiding dreigde... Ook gij, kondt gij niet overwinnen'?
Of was de vrije wil, de kracht om ook te staan,
U vreemd ? Gij hadt ze ! Wien of wat dan klaagt gij aan,
Dan 's Hemels vrije Liefde, in de eigen maat geschonken
Aan allen ? Zal ik dan, van smart en waanzin dronken,
Zijn Liefde vloeken, wijl, het zij dan Liefde of Haat,
Weet ik het?mij aldus met eeuwge foltring slaat?
Neen ! vloek U-zelf ! Want wat die klachten u doet loozen,
Dat heeft uw wil, Gods wil verwerpend, zelf gekozen!
Ellendige, waarheen ? Wáar zult ge een wijkplaats zien,
Om eeuwge gramschap, eeuwge raadloosheid te ontvliën ?
Wat weg ik neem, 't is Hel ! 'k Ben zelf een Hel ! geschapen
Ten vloek. In 't laagste diep zie ik een diepte gapen
Nog lager, in wier muil de laatste hoop bezwijkt,
En waar die Hel die 'k lijde, een Hemel bij gelijkt.
O, laat dan eindlijk af! Is daar voor vreeze en beving
Geen plaatse des Berouws, geen plaatse der Vergeving ? . .
Geen, dan die éene-alleen, die — Onderwerping heet !
Maar Onderwerping ! Wat verneedring ! En wie weet
Wat schimp ik daardoor bij die geesten mij bereidde,
Wie andere belofte en Andre roem verleidde
Dan Onderwerping, sints mijn zinnelooze trots
Hun d' ondergang beloofde eens onverwinbren Gods !
Ai mij ! zij weten niet, hoe ik dien trots moet boeten
In 't hart, en wat ik lijde als zij me als Koning groeten
Der Hel ! Hoe hooger ik, door kroon en staf, in eer
Te klimmen schijn, eilaas ! te dieper daal ik neèr.
Ziedaar de vreugde dan, die de Eerzucht geeft te smaken! ...
Doch, onderstel, 't berouw kón in mijn ziel ontwaken,
'k Ontfing eens uit gená mijn vroeger' eerrang weêr, —
Zou dan die hoogheid al den hoogmoed van weleer
Niet ras herroepen? Zou mijn trots de huichlende eeden
Van onderwerping niet -- te spoedig -- weêr vertreden ?
Wat al geloften, die, dreef eens de ramp voorbij,
Ons holle klanken zijn, ontperst door dwinglandij !
De Haat kan wonden slaan die nimmermeer genezen;
En waar die schrijnen, kan geen vrede duurzaam wezen.
Dat zou mij voeren tot een eindloos dieper val
En erger breuk ; en met een tienmaaldubbeld tal
Ellenden zou ik straks een wapenstilstand boeten
Van al te korten duur ! . .. Dat zal Hij weten moeten,
Hij , die mijn Rechter is ! en ik, weet ik het niet ?
'k Vraag dus zoo min gená als Hij genade biedt.
Alzoo — voor ons de hoop voor immer uitgesloten!
Alzoo — in plaats van ons, als ballingen verstoten,
Zijn nieuw vermaak, de Mensch, geschapen, en deze Aard'
Den Mensch geschonken, tot een Lusthof zijner waard !
Vaarwel dan, Hoop! maar ook, gij vale Vrees, vaar henen !
Vaar heen, Berouw ! Voor mij is alle goed verdwenen.
Gij, Kwaad ! zijt nu mijn Goed ! Door u verwerf ik mij
Van 's Hemelkonings Rijk een deel der heerschappij :
Méer dan de helft misschien mag eerlang 't mijne heeten —
Dat zal weldra de Mensch en deez' Nieuwe Aarde weten !"

Dus sprekend, wisselden toorn, raadloosheid, en haat,
Tot driemaal achtereen op zijn verbleekt gelaat,
Dat, hadde een oog nu die mismaking gá geslagen,
Verraden had' wat mom die Englentrekken dragen ;
Want zulke ontroeringen zijn reinen geesten vreemd!
Hij wordt er spoedig aan herinnerd en herneemt
Zijn rol, en veinst een kalmte alsof nooit hartstocht heerschte
In dat ontroerd gemoed. De huichlaar ! Hij was de eerste
Die valschheid pleegde met een schijn van heiligheid,
Een wrake ontveinzend tot het uiterste bereid.
Maar Uriël werd door zijn sluwheid niet bedrogen :
Deze, eens gewaarschuwd, had den zwerveling met de oogen
Gevolgd, tot op 't gebergt' van Assur, en verbaasd[4]
D' onheilgen strijd gezien, op dat gelaat weêrkaatst,
En zich verradend door gebaarden eener woede,
Alléen zich wanend en niet langer op haar hoede !

De Aartsvijand gaat zijns weegs, en is welhaast den grens
Nabij van Eden, waar de Lusthof van den Mensch,
Omcingeld met zijn haag van wuivend bladpluimaadje,
Zich voordeed als de kroon op 't hoofd van 't steil bosschaadje,
Dat, met dicht kreupelhout omgroeid, den toegang sluit.
Daar boven staken pijn en den en ceder uit
En breedgetakte palm, wier stammen overschauwden,
Nog hooger stijgend : éen groot prachttooneel van wouden !
Maar allerhoogst verrees de levend groene wal
Van 't Paradijs, van waar onze eerste Vader 't al
Kon overzien wat tot zijn rijksgebied behoorde,
Beneden en rondom. Een boomenrij omboorde
Die veste, een boogaard, aan de fijnste vruchten rijk,
Vol bloesems tevens, beide aan zuiver goud gelijk,
En glinstrend met een waas waarop een mengling speelde
Van kleuren, die de zon veel vroolijker penseelde
Dan ze ooit het avondwolkje, of Iris' gordel maalt,
Wanneer de regenbui op 't dorstend aardrijk daalt.
Zoo schoon was 't Landschap ! En, uit zuivre lucht gekomen
Tot zuivrer, scheen daar iets door Satan's hart te stroomen
Als lenteblijdschap ; iets, dat alle zielsverdriet
Misschien verjagen kon — alleen de Wanhoop niet !
En koeltjens waaien aan, die vleugelen ontplooien
Vol van welriekendheid, die ambergeuren strooien,
En Huistrend melden waar die balsemregen droop.
Zoo waait den schepeling, de Kaap der Goede Hoop
Te boven, Mozambiek voorbijgezeild, op d' adem
Van een Noord-Oosten-wind de specerij en-wadem
Van Saba tegen : met dat oponthoud te vreên,[5]
Drijft hij met trager vaart op d' Oceaan daarheen,
Die glimlacht om den geur, waarvan zijn golven rieken.[6]
Zoo toeft de Aartsvijand ook, met saamgevouwen wieken,
Verlustigd door een geur, dien hij — verpesten moet !
Verzonken in gepeins en als met loomen voet,
Genaakt hij eindelijk den steilen berg, die Eden
Daar boven draagt ; maar in dit warrelbosch beneden
Ziet hij geen doorgang : want zoo machtig vlochten daar
Struweel en doren tot éen bolwerk door elkaar,
Dat mensch noch roofgediert' er toegang bad' verkregen.
Daar was éen Poort, naar 't oost, aan de andere zij' gelegen :
De Aartsvijand zag haar, maar de hoogmoed die hem drong,
Deed hem de rechte deur versmaden, en hij sprong
Verachtlijk over berg en hooge mantling henen,
Straks met gehaasten tred in 't Paradijs verdwenen.
Als de uitgevaste wolf, die ommewaart en loert,
Tot 's herders zorg het vee ter schaapskooi heeft gevoerd,
En nu, met vlammend oog 't staketsel overspringend,
Zich op de lammren werpt : of als de dief, die, wringend
Door dak of vensterraam, terwijl hij 't slot niet raakt,
Zich heimlijk van den schat des burgers meester maakt :
Zoo tot Gods kudde klom die Eerste Moordnaar over !
Zoo slopen later ook zoo menig zielenroover
En huurling in Gods kerk ! Toen vloog de Aartsvijand op,
Klapwiekend als een raaf, en koos zich in den top[7]
Van 's Levens boom -- den hoogste, in 't middenpunt verheven —
Een plaats : toch heeft hij daar 't waarachtig, eeuwig leven
Niet weêrgevonden, hij, hier broedende op den dood
Van hen die leefden ! Ook bedacht hij niet hoe groot
Een kracht die boom verborg, dien hij slechts tot bespieden
Gebruikte, maar die hem een vrucht had kunnen bieden
Van onverderflijkheid en zalig zielsgenot.
Zoo luttel weinig weet ooit iemand, buiten God,
't Aanwezig goede naar gehalte te waardeeren —
Zoo zien we 't beste vaak door onverstand verkeeren
In 't kwade, of 't nuttige misbruikt tot lager doel.
De Aartsvijand, midderwijl, zag met vernieuwd gevoel
Van wrokkende afgunst en bewondring, wat al schoonheid
En rijkdom hier Natuur in kleinen kring ten-toon-spreidt
Tot streeling van den Mensch ! Een Hemel hier op Aard,
Des Heeren Lusthof, waar deez' schoone wondergaard,
Dit Paradijs ! Het bloeide aan de oosterzij' van Eden —
Een Landschap, strekkend met zijn scheppingsheerlijkheden
Zich uit, van Auran tot de koninklijke stad[8]
Seleucia, gebouwd uit d' onuitputbren schat[9]
Van Grieksche Vorsten, tot Telassar, lang voor dezen
Door Eden"s zonen tot hun woonplaats uitgelezen.[10]
God wenkte, en — 't heerlijkst van dit heerlijk oord, ontstond
Die Hof! Daar stegen uit een overvruchtbren grond
Alle eedle boomen, die een wellust zijn voor de oogen,
Voor reuk, en smaak. En in het midden, naar den hoogen
Zich heffend boven al die anderen, verscheen
De Boom des Levens. Rijk gemengeld onder éen,
Wiegde aan zijn takken, op 't geruisch van balsemluchten,
Een bloesemsneeuw, een oogst van ambrozijnen vruchten
Als groeiend goud. En naast het Leven stond de Dood :
De Boom der Kennis die te duur een kennis bood,
De kennis van het Goed, gekocht voor die van 't Kwade !
Omlaag golfde een rivier, die vroolijk de oevers baadde,
Van 't Zuiden aangestroomd door Eden ; en zij nam[11]
Geen andren loop toen zij nabij den heuvel kwam,
Maar stroomde er onder door. God had hem opgeworpen,
Dien heuvel, boven haar; en uit haar diepte slorpen
De poriën der aard het water, zilverrein,
Wellustig op, dat, in een klaatrende fontein
Te-voorschijn-springend, straks heel 't Paradijs besproeide,
Waar 't, overal gesplitst, in kleine beekjens vloeide.
Deez' vloten samen tot een breeden waterval.
Die van den heuvel stortte in bruischend stroomgeschal,
Om weêr in die rivier, hun moeder, uit te stroomen,
Die nu aan de andre zij' te voorschijn is gekomen.
Die hoofdstroom deelde zich in twee paar armen af,
Door landen uitgestrekt, waar menig Koningsstaf
In later tijd een reeks van volkeren regeerde,
Hier noodeloos vermeld. Veel liever maar wie leerde
Te schildren wat geen Kunst ter waereld schildren kon ? —
Veel liever afgemaald, hoe die sapphieren bron
Heur beekjens uitzond, die van blanke paerlen vonklend
En stofgoud, af en aan in duizend bochten kronklend,
Door 't overhangend groen belommerd, elke plant
Bezoeken en geheel die bloemenlustwarand
Met nektar drenken ! En wèl waren 't bloemen, waardig
Het Paradijs, niet door eens Menschen hand kunstvaardig
In perken saamgebracht, maar door natuur gestrooid
Wijd over berg en dal, in volle pracht ontplooid.
Zoowel waar de uchtendzon op de open velden flonkert,
Als waar het loofpriëel den middagglans verdonkert.
Zoo spreidde dan Natuur aan deze plaats al 't schoon
Der schepping in geheel zijn wisseling ten toon !
Alom geboomten, uit wier schorsen tranen vloeiden
Van gom en balsem ; of wier rijke takken gloeiden
Van vruchten, goud van schel, 't Hesperiesch wonderfruit,[12]
Indien dat ooit bestond, beschamend ; -- groenend kruid,
Fluweelig gras, nog nooit geschoren, klaverweiden
Aan heuvelhellingen, waar kudden zich vermeiden,
Van vreugde huppelend ; — gebergten, rijk vercierd
Met palmen ; — dalen, waar de volle flora tiert
Rondom heur koningin de Roos, nog zonder doren!
Dan — grotten, schuilende in den schemerschijn, verkoren
Door koelte en kalmte, en in het groen gordijn gehuld
Van d' eedlen wijnstok, die zijn dartle ranken krult
Voor d' ingang en zich tooit met purpren druiventrossen.
Intusschen hupplen van de heuvlen, van de rotsen,
De beeken murmlend in vallei en vlakte neêr,
Verspreid in takken, of vereenigd tot een meir,
Dat wel een spiegel schijnt, uit kristallijn gegoten
En door een prachtlijst van onwelkbren myrt omsloten.
Daar heft het vooglenheir zijn beurtgezangen aan,
Terwijl de koeltjens in de ritselende blaán
Hun zuchtjens menglen met de harmonie dier chooren.
Hier had' de fabel zich de Gratiën, de Horen,
Verbeeld, ten dans geleid door d' Algemeenen Pan,[13]
En de Eeuwge Lent' ! Wat oord, dat ooit wedijvren kan
Met dit ? Wat prachtvallei, zoo ziel- en zinverrukkend ?
Geen Enna's veld, waar Proserpina, bloemen plukkend,[14]
Zelve, als een schooner bloem, geplukt werd door den dood,
Zoodat heur moeder haar tot in den donkren schoot
Van 't Rijk der schimmen zocht : geen lauwer-lustplantaadje
Daphné, aan d' Oront : geen lieflijk lent'-bosschaadje[15]
Als dat der Muzen bij de bron Castalia --
Neen, Eden's Paradijs had nergens wederga!
't Waar schooner dan de kust, van Triton's stroom omgeven,
Waar Jupiter, in scháuw der eenzame eilanddreven
Den jongen Bacchus en zijn zoogster voor het oog[16]
Van Rhea schuil hield. Zelfs de Amara, hemelhoog[17]
Zijn rotsen van kristal verheffend, aan wier voeten
De Nijl te ontspringen heette, en, wie vele eeuwen groetten
Als wieg der Menschheid, haalt in scheppings-schoonheid niet
Bij 't ware Paradijs, dat Satan voor zich ziet
En waar hij, vreugdloos zelf, de aanschouwer wordt der vreugde,
Waarin zich alle soort van schepselen verheugde.
Hem nieuw en vreemd. Maar Twee verbazen hem vooral,
Van edeler gedaant', van koninklijke stal,
Het hoofd, als de Englen Gods, gericht naar Hooger sfeeren.
Zij schenen al wat hen omringde te regeeren
Met goddelijk gezach, in naakte majesteit,
En — schenen 't waardig ! Want des Scheppers heerlijkheid
Straalde uit hunne oogen met een glans van wijsheid, waarheid,
En reinheid, blinkend met te liefelijker klaarheid
Nu ze ongedwongen was, recht kinderlijk en vrij.
Dat was de grondslag van des Menschen heerschappij !
Dit heerlijk Tweetal, éen van roeping, éen van wezen,
Is toch van kunne en aart verscheiden. Uitgelezen
Tot overpeinzing en heldhaftigheid is Hij ;
Door zoete aanloklijkheên en zachtheid toovert Zij
Hij is voor God-alleen geschapen : Zij, geschapen
Voor God in hem. Het hair daalt kronklend langs de slapen
En edel voorhoofd, als getroste hyacinth,[18]
Tot op zijn schoudren neêr. Haar golven op den wind
De lange lokken tot de heupen, die ze hullen
Als in een gouden fibers.Zoo dartelen en krullen
De teêre scheutjens van den wijnstok ! zinnebeeld
Van onderwerping, maar zulk eene die beveelt
Als zij gehoorzaamt, die met een eerbiedig beven
Gevergd wordt, en betoond met vriendlijk tegenstreven.
Zij waren naakt, maar rein, onschuldig evenzeer :[19]
Geen vuige schaamt' bestond en geen onteerende eer.
O schandlijke Eerbaarheid, gij uit der Zonde smarte
Geboren ! hoe hebt gij 't arglistig menschenharte
Beneveld met een s c hij n van zuiverheid, die gloeit
In 't purper van den blos, waar de Onschuld is verschroeid,
En 't leven is beroofd van zijn gelukkigst leven,
Den heilgen Eenvoud ! . .. Dus doorzwierven ze Edens dreven
Gants onbedekt, niet schuw voor 't stralende gelaat
Van God en Englen, want zij wisten van geen kwaad.
Zij gingen hand aan hand, beminlijkst Paar van allen
Die sedert ooit op Aard' met liefdrijk welgevallen
Elkaar omarmden : hij, in adeldom en kracht
Ver boven al zijn zoons, en zij in schoonheidspracht
Verheven boven al heur dochtren ! Heen en weder
Doorkruisten zij den Hof, en zetten juist zich neder
In 't lieflijk lommer dat hen schutte' voor de zon,
Op 't bloemrijk grastapeet, nabij een klare bron.
't Was om te poozen van een arbeid, die voor beiden
Den geur slechts hoogde, dien de frissche lucht verspreidde,[20]
De rust te zoeter maakte, en welkom de avondspijs,
Die nektarvruchten, door 't geboomt' van 't Paradijs
Aan elken groenen tak hun vriendlijk aangeboden !
Zij leunden op de bank van levéndige zoden,
Met bloemekens doorstikt, en thym en majolijn.
Het sappig vleesch der vrucht was hun als ambrozijn,
En zoo hun dorstte, dan heur bolster in 't geklater
Der beek gedompeld en met zilvervonklend water
Ten boorde toe gevuld ! 't Ontbrak aan zoeten kout
Noch lachjens, bij een Paar, aldus in God getrouwd :
Twee harten, die, alleen, hun groene bruiloft vieren !
Rondom hen huppelden volvroolijk alle dieren
Der Aard' — verwilderd sints ! — van alle soort, in scháuw
Van 't woud, in bergvallei, in groenende landouw,
Of donkre rotsspelonk. De leeuw beklom al spelend
Den boom, het geitjen met fluweelen klauwen streelend :
En beer en tijger, lynx en panter, door elkaar
Gemengeld, dartelden rondom het Vorstlijk Paar.
Zelfs de elefant, hoe plomp, beproefde 't op te springen
Van vreugd en zwaait zijn snuit in dartle kronkelingen
Al op en neér. En ook de slang, de sluwe, kroop
Nieuwsgierig nader, tot een gordiaanschen knoop
Heur ringen vlechtend, reeds, schoon onbemerkt, verradend
Heur raadselachtige' aart. En 't zuivelvee, verzadend
Zijn laatsten honger, straks verkwikt naar hartelust,
Herkauwende zijn spijs, bereidde zich ter rust.
Want langzaam haastte zich de zon, alreeds aan 't dalen,
Naar de Eilanden der zee: 't gestarnt' begon te stralen.

De Aartsvijand stond nog steeds aan d' eigen plek geboeid,
Als eindelijk deez' klacht zijn bleeken mond ontvloeit :

„O Hel ! wat moet ik zien ? ten hoogsten top van zegen
Een ander schepslensoort in onze plaats gestegen !
Misschien geboren uit een handvol aardsche slijk,
Geen Geesten, toch in rang den Geesten schier gelijk !
Een wondervol geslacht, dat mij houdt opgetogen,
Dat ik bijna bemin ! zoo straalt het in mijne oogen
Van 't Godlijk beeld, zoo mild op bruidegom en bruid
Goot huns Formeerders hand den glans der schoonheid uit !
Gij droomt niet, schuldloos Paar ! hoe ras zich 't lot zal wenden,
Hoe spoedig al dat heil zich oplost in ellenden,
Te ellendiger naar thands méer vreugde u is bereid.
Gij zaalgen, wien de duur van zulk een zaligheid
Zoo slecht verzekerd is ! gij moogt ze een Hemel noemen,
Deez' plaats, hoe weinig kan die Hemel zich beroemen
Dat hij geschikt is om een vijand als ik ben,
Te weeren ! Vijand ? Niet van U ; want ik erken,
Als ik uw toekomst peil word ik bijna bewogen
Door deernis, al betoont m ij niemand mededoogen !
Hoe gaarne knoopte ik een verbindtnis met u aan,
Zoo innig, dat wij straks dezelfde wegen gaan,
Dat ik voortaan bij u, of gij bij mij zult wonen !
Mijn woonplaats zal zich u zoo lieflijk niet vertoonen
Als dit schoon Paradijs, uw wellust en uw trots;
Doch neemt haar als zij is, toch ook een schepping Gods !
Hij gaf haar Mij, en ik doe gaarne U deel erlangen
Aan 't kostelijk geschenk. De Hel, om u te ontfangen,
Ontsluit haar wijdste poort, en met een welkomstgroet
Gaan al haar Koningen u juichend te gemoet.
Daar vindt ge ruimte, méer dan hier u kan omringen,
Voor 't aanstaand talloos tal van uw nakomelingen.
Is 't oord niet beter, wijt het Hem, die tot mijn spijt
Zijn schuld mij wreken doet op U die schuldloos zijt !
En kon de aanschouwing van uw welgelukkig leven,
Uw heilgen eenvoud, mij 't verteederd hart doen beven,
— Gelijk zij waarlijk doet ! -- 't zijn redenen van staat,
Van eer en kroonbelang, geprikkeld door den haat,
Die van begeerte naar veroovring mij doen gloeien,
En noopen tot een daad, die 'k anders zou verfoeien,
Ik, doemling die ik ben !" . . .

Zoo spreekt hij, en bepleit
Zijn misdaad in den naam van recht en billijkheid,
Gelijk tyrannen doen. Hij rept de ravenveder
En daalt te midden van de bonte kudde neder :
Nu déze diergestalt', dan de andre neemt hij aan,
Om 't best van naderbij zijne offers gá te slaan,
Of zij door woord of wenk hem onderrichten mogen
Van 't geen zij zijn en doen. Nu eens met vlammende oogen
Stapt hij rondom hen heen' gelijk een leeuw ; dan weêr
Gelijk een tijger, die twee reën, jong en teêr,
In 't spelen heeft bespied, sluipt hij onhoorbaar nader,
Of strekt zich op den buik, en, loerende verrader,
Zoekt, staag veranderend van houding, 't plekjen uit
Van waar hij met een sprong zich op zijn dubble buit
Kan werpen, grijpende éen in elke klauw ! Daar fluistren
Hem woorden tegen, die aandachtig hem doen luistren.
't Is Adam, de eerste man, die uit den overvloed
Zijns harten, de eerste vrouw, zijn Eva, dus begroet:

„O gij, mijn eenigst deel en deelgenoote, in waarde
Mij eindloos meer dan al de zoetheên dezer Aarde!
Gewis, Hij die ons schiep en dezen wonderhof
Voor ons geschapen heeft, is boven onzen lof
Oneindig goed, en in Zijn goedheid zoo milddadig
En alvrijmachtig als oneindig. Hoe genadig
Moet Hij toch wezen, Hij, die ons aan 't stof onttoog,
En deze heerlijkheên deed stralen voor ons oog.
Wij hadden van Zijn hand dit heerlijk zalig leven
Wel nimmermeer verdiend, en kunnen niets Hem geven
Dat Hij behoeft ! En niets begeert die goede God,
Niets dan gehoorzaamheid aan 't eene en licht gebod:
Van allen boom des Hofs, wiens vruchten ons verrukken,
Te smaken, enkel niet van d' eenen boom te plukken,
Den Kennisboom, die naast den boom des Levens bloeit.[21]
Ai zie, hoe dicht de Dood nabij het Leven groeit !
Wat ook de dood zij, wis iets vreeslijks ! Want wij weten,
Wie onzer ooit -- sprak God — van dezen boom zou eten,
Zou zeker sterven ... En wat eischt dan de Opperheer?
Eén eenig teeken van gehoorzaamheid, niet meer,
Bij zoovéel teekenen van wondervol vermogen,
Dat ons doet heerschen met den opslag onzer oogen
Op alle schepselen van aarde en lucht en zee!
Aanvaarden wij alzoo oodmoedig en gedwee
Zoo klein verbod bij een zoo onbeperkte vrijheid
En Onbepaalde keuz' van al wat zielenblijheid
En levensvreugde kan verhoogen ! Loven wij
Gods goedheid eindeloos ! en blijve 't u en mij
Een lieflijke arbeid hof en boogert te verplegen:
Een last, die, wierd zij zwaar, naast U mij licht zou wegen !"

En Eva sprak : „O gij, om wien, door wien ik ben,
Vleesch van uw vleesch, dien ik als Hoofd en Heer erken,
Als doel van mijn bestaan en leidsman van mijn leven ![22]
't Is goed al wat gij zegt. Den Schepper eer te geven
Bij daaglijks nieuwen dank, niets past ons méer dan dit!
En mij vooral, de rijkste, omdat ik U bezit,
Die me eindloos overtreft, wien God tot Koning maakte ![23]
'k Herdenk nog vaak den dag toen ik voor 't eerst ontwaakte
In 't lommer, op 't gebloemt', verwonderd, wie ik was ?
Van waar ? en waar? — Ik hoorde een murmelend geplas
Van waatren, stroomende uit een grot, straks onbewogen,
Een vloeibre vlakte, klaar gelijk de azuren boogen.
Dus spoedde ik argloos heen', en bukte in 't gras ter neêr
Aan d' oever, starende op dat kristallijnen meir,
Een tweede hemel ! En als ik voorover wiegel
Om in dien plas te zien, daar toont zich in dien spiegel
Recht tegenover me een gestalte, die zich boog
Om mij te zien, als ik met onverzaadlijk oog.
'k Deinsde achterwaards, zij ook ! Ik overwon mijn schroomen,
Blijmoedig keerde ik weêr, en 'k zag haar wederkomen,
Volvroolijk zoo als ik, met blikken vol van gloed,
Wanneer ik teederheid en sympathie ontmoet.
'k Stond nog staroogend daar in vruchteloos verlangen,
Had' ik geen naricht van een zoete stem ontfangen :
,,Wat gij in 't water ziet, schoon schepsel ! dat zijt Gij.[24]
Het komt en gaat met U. Maar, dierbre ! volg gij Mij,
'k Zal tot geen schim die wijkt, ik zal tot hèm u leiden,
Wiens evenbeeld gij zijt, die nooit van u zal scheiden.
Een hem gelijkend kroost, van U is 't dat hij 't wacht:
Zoo volgde ik dan de stem die mij , tot gids verstrekte,
Ofschoon ik niemand zag. Ik moest wel ! Daar ontdekte
Mijn oog U plotsling in de schauw van dien plataan,
Schoon, rijzig; maar gij zaagt zoo teeder mij niet aan,
En scheent zoo zacht en zoo bevallig niet als 't wezen
Dat ik in 't water zag. Ik week ... „Wat doet u vreezen ?"
Zoo riept ge, en volgdet mij : „Schoone Eva ! dien gij vliedt,
Gij zijt zijn vleesch en been! U-zelf behoort gij niet,
Van hem zijt gij ! Ik-zelf, ik heb u 't ware leven
Hier uit mijn zij', de naaste aan 't minnend hart, gegeven,
Opdat ik voortaan u zou groeten aan mijn zij',
Mijn troost, mijn hulp, mijn heil, voor eeuwig mij nabij !
Deel mijner ziele ! gij, naar wie mijn wensch zich richtte,
Wees gij mijn Wederhelft !" ... Hij greep mijn hand — ik zwichtte . . .
En sedert heeft mijn hart de meerderheid beseft
Des Mans, wiens Geest den glans der Schoonheid overtreft !"

Zoo sprak de Aartsmoeder, en de reinste huwlijkstrouwe
Straalde uit haar oogen, al de aanhanklijkheid der Vrouwe.
Hem half omstrengelend, klemt ze aan zijn hals zich vast,
Zich leunende aan zijn zij', en 't zwellend naakt albast
Heurs boezems raakt nu half den zijne, maar omvonkeld
Van 't goud der lokken, dat van bei heur schouders kronkelt,.
En hij, betooverd door haar schoonheid evenzeer
Als onderworpenheid, zoo schuchter, toch zoo tear,
Hij lacht haar toe, terwijl hem eedler liefde ontvonkte,
Dan waarmeê Jupiter ooit Juno tegenlonkte,[25]
Als 't bloesems regent op den Meischen morgenstond,
En drukt een kuischen kus haar op den rozenmond.
— De Aartsvijand keert zich om, van yverzucht verbleekend,
Toch loerend van ter zij', dus in zich-zelven sprekend :

„O haatlijke aanblik ! O onlijdelijke smart !
Zal dan dit Tweetal, aan elkanders minnend hart
Verengeld, reeds vooruit in dit gelukkig Eden
Zich baden in 't genot van hemelzaligheden,
Terwijl ik hooploos tot een Helle ben verneêrd,
Waar vreugd noch liefde woont, maar gloeiende begeert'
— Niet de allerminste van onze andre folterplagen —
Steeds onvoldaan ons aan 't versmachtend hart blijft knagen ?
Nochtans, 'k ving uit hun mond een raadselachtig woord :
't Schijnt dat niet alles hun in Eden toebehoort !
Hier staat een Boom, de Boom der Kennis. Blozend nooden
Zijn vruchten : „Plukt mij !" maar het plukken is verboden.
Hoenu? de Kennis hun verboden ? 't Is verdacht,
Onreedlijk ! Waarom zou des Scheppers oppermacht
Hun dit misgunnen? Kan het zonde zijn te weten?
Kan dat de dood zijn ? Kan het wet en sterven heeten ?
Staan zij door onkunde ? Is dat hun gelukkig lot ?
,,Gij zult niet!" Vreemd bevel ! Is dat het proefgebod
Voor hun gehoorzaamheid en kinderlijk vertrouwen ?
O schoone grondslag om hun val daarop te bouwen !
'k Wil hiervan uitgaan, en hen prikklen door de zucht
Naar meerder kennis en 't verwerpen van een tucht
Die dwangbevelen schept, bestemd h e n laag te houden,
Die door de Kennis zelf tot Goden worden zouden ![26]
En dit verlangen zal hen driest de hand doen slaan
Aan 't ooft der Kennis, hen doen eten en — vergaan !
— Ja, zoo zal 't zijn !... Maar eerst moet ik deez' Hof doorzoeken,
Rondvorschen overal inzijn geheimste hoeken.
Licht voert het toeval, maar het toeval ook alleen,
Mij naar een bronwel of een schaduwplekjen heen',
Waar ik een Engel, die hier rondging, vind gezeten,
Wien ik ontlok wat mij nog noodig is te weten.
Intusschen — leef, zoolang gij 't moogt, gelijk weleer,
Gelukkig Paar ! Geniet, tot dat ik wederkeer,
Uw korte vreugd ; want straks volgt eindelooze ellende !"

Zoo sprak hij, daar hij zich verachtlijk van hen wendde
Met trotschen stap maar toch met sluwe omzichtigheid,
En ving zijn zwerftocht aan. In al heur majesteit
Neigde onderwijl de zon, van 't avondrood aan 't gloeien,
Ter kim', waar aarde en zee en hemel samenvloeien,
En wierp in rechte lijn en schietend straalsgewijz'
Heur licht op de Oosterpoort van 't jonge Paradijs.
Die poort was klaar albast, een rots, van verre vonklend :
Eén eenig voetpad bood van de Aard een toegang, kronklend
Naar boven : 't oovrige was hoekig klipgesteent',
Steil, overhangend, dat noch greep noch steunsel leent.
En voor den ingang in de albast-rots, van pilaren
Omringd, zat Gabriël, de Aartsengel, hoofd der scharen,
Het Paradijs beschikt ter heilige Englenwacht.
Rondom hem stond de Jeugd des Hemels, moed en kracht
In spelen oefnend : ongewapend, want hun lansen
En beuklaars hingen hoog aan 't rotsgemuurt' te glansen,
Uit diamant gewrocht en 't edelste metaal.
Tot hen, gedragen door een avondzonnestraal,
Kwam Uriël gespoed, gelijk bij 't herfstnachtdalen
Een ster de lucht doorschiet waar rosse dampen dwalen,
En dus den zeeman toont wat streek van zijn kompas
Met onweêr dreigt. — Hij sprak, bekommerd als hij was,
Met haast :

„Vorst Gabriël ! U is in last gegeven[27]
Bij 't lot, wèl toe te zien dat tot deez' zaalge dreven
Geen onheil nake. Weet, wat heden is geschied !
Juist op den middagstond kwam binnen mijn gebied
Een Geest, vervuld, zoo 't scheen, van ijver méer te hooren
Van 's Heeren werken, van des Scheppers Jongstgeboren',
Gods laatste Beeld, vooral. Ik wees den weg hem aan.
Ik bleef zijn snelle vlucht aandachtig gade slaan :
Hij vloog door 't zwerk, maar op 't gebergt' ten Noord' van Eden,
Waar hij den vasten grond voor 't eerste heeft betreden,
Zag ik zijn aangezicht verdonkren door een gloed
Van bozen hartstocht als geen hemelsche Engel voedt.
Mijn blik vervolgde hem nog verder. IJdel pogen !
Straks onder schaduwen verdween hij uit mijn oogen.
Ik vrees, dat iemand van 't gebannen muitrenrot,
Der Hel ontsnapt, op nieuw zich opmaakt tegen God :
Mocht uw voorzichtigheid den booswicht vinden mogen !"

De Aartsengel andwoordt hem :
„Geen wonder dat uwe oogen,
Doorluchtige Uriël ! met hun volmaakt gezicht
Naar heinde en verre zien te midden van het licht
Der zonnekreits, waarin gij zetelt ! Maar wij waken
Zorgvuldig bij deez' poort, en wie haar moog' genaken,
Slechts welbekenden uit den Hemel gaan haar door :
En sints het middaguur kwam niemand langs dit spoor.
Heeft soms een Andre Geest, vijandig aan Gods Eden,
Deze aardsche perken in het heimlijke overschreden,
Gij weet, een grendelboom van hout of ijzer sluit
Geen schim of schaduw, geen onstoflijk wezen uit :
Maar loert hier dien gij meent, — wat masker hij moog' dragen,
Ik zal het weten voor het naaste morgendagen ! "

Hij sprak, en Uriël keert naar zijn post, ook thans
Gedragen door dien straal, die nu ter westertrans
Hem neêrwaards voerde naar de zon, beneên de Azoren
Gedaald, hetzij die bol, der Lichten Eerstgeboren',
Ondenkbaar snel, aldaar heur dagloop had volend ;
't Zij de Aarde, minder vlug, langs korter weg zich wendt
Naar 't Oost, en nu die Zon, van purpergloed omblonken,
In 't Westen achterliet. En toovrig weemlend zonken
De schemerschaduwen met de avondstilte neêr,
Heur sluier wevend. En gedierte en vooglenheir
Dook in zijn grasbed, of in 't nestjen, opgehangen
In 't lommerloof: alleen de zoete minnezangen
Der teedre filomeel weêrklonken heel den nacht,
En zelfs de Stilte trilde, al luistrend naar heur klacht.
Nu blonk heel 't firmament van levende saffieren ;
En Hesperus, aan 't hoofd der duizend flikkervieren,[28]
Was allerschoonst', tot, in bewolkte majesteit,
De Maan verscheen, weldra in volle heerlijkheid
't Gelaat ontsluierend, en over 't aardsche duister
Den mantel spreidend van heur koninklijken luister.

En Adam sprak : „Ziedaar, mijn liefde en levenslust !
Den Nacht ; en alles, nu geweken tot de rust,
Vermaant ons tot verpoos, dat d' arbeid af moet wisslen,
Gelijk de dag den nacht. Der sluimring wieken ritslen
En sprenklen ons haar dauw op luikende oogenleên.
Al 't ander schepsel zwerft in lediggang daarheen',
En vergt dies minder rust. De Mensch gebruikt zijn krachten
Bij 't daaglijksch werk naar ziel en lichaam : dat verwachten
Van hem zijn hooge rang en roeping, evenzeer
Als de alziende oogen van zijn Schepper en zijn Heer,
Die steeds en overal op hem gevestigd blijven,
Terwijl de dieren niets zich-zelf bewust bedrijven,
En God niet rekent met hun daden. Dure plicht
Roept ons tot opstaan eer de vroege morgen licht :
Ons wacht dan 't lieflijk werk, 't besnoeien van die takken
Vol dicht geblaárt', die tot den bodem nederzakken,
Van 't welig houtgewas, versperrende onze paan.
Waar wij te middag in de schaduw schuilen gaan.
Wat zorgen eischen zij ! En dan, die bloesemregen,
Een bonte wildernis ! die gommen, neêrgezegen
In stralen, die den gang belemmren ! alles wacht
Op onze hand ! ... Maar éerst, tot rusten roept de nacht."[29]

Schoone Eva andwoordt : „Gij zijt de oorsprong van mijn leven,
Mijn voogd ! 'k Gehoorzaam u, en zonder tegenstreven,
Bij alles wat gij vraagt : dus luidt de wil van God.
God is uw wet, gij mijne ; en 't is mijn hoogst genot
En beste kennis, dit en dit-alleen te weten !
Het zoet verkeer met U doet me allen tijd vergeten,
Maakt me ieder jaargetij', en elke wissling goed.
Zoet is mij de adem van den vroegen morgen, zoet
Het krieken van den dag, als de eerste vooglenchooren
Weêrgalmen ; zoet de zon, als de oosterstralen gloren
Op kruid en boom en vrucht en bloesem, frisch gekleurd
Door malschen regen, van welriekendheid doorgeurd.
Zoet, de avond, ruischend van den zang der filomeelen,
De schoone maan, en al de glansen die er spelen
Als diamanten op den diadeem der nacht.
Maar noch de morgenlucht, noch de eerste zonnepracht,
Door 't leeuwrikslied begroet, noch kruid en boom,zich lavend
Aan malschen regen, noch de fluisterstem van d' avond,
Als 't westen tintelt van den laatsten zonnelach,
Noch 't heilig duister als de nachtegalen-slag
De starren oproept die straks 't firmament doorstralen,
Noch iets ter waereld, kan bij U in zoetheid halen ! . . .
— Maar die gestarnten, o mijn dierbre ! zeg het mij,
Waartoe des nachts hun licht ? Voor wien toch schijnen zij,
Als aller oog zich look in sluimering verloren ? . . ."

Waarop de Aartsvader dus zijn andwoord haar doet hooren :
„Gods en des Menschen kind ! schoone Eva : 't Starrenheir
Omwandelt de Aarde : 't gaat geregeld op en neêr,
En doet van land tot land zijn gouden lampen gloren
Tot licht van volkeren, nog heden ongeboren,
Opdat te nacht niet weêr de aáloude Duisternis
Regeere, 't leven blussche, en 't waas der schoonheid wissch'
Van 't aanschijn der Natuur. Nu worden alle dingen
Door deze vuren met hun zachte tintelingen
Niet slechts verlicht, maar ook met koesterenden gloed
Van onderscheiden kracht doordrongen en gevoed,
Getemperd of gestoofd. Al wat daar groeit beneden,
Ervaart hun invloed, door verhoogde vatbaarheden
Om 't sterker zonnelicht te ontfangen, en daardoor,
Volkomen wasdom. Dus, niet vruchtloos blinkt de gloor
Der sterren in den nacht, schoon ze ongezien weêrstraalden !
En meen ook niet, dat ooit, indien er menschen faalden
Aan de Aard, de Hemel geen aanschouwers hebben zou
En God geen lof! Alom wordt Zijn genade en trouw
Geprezen. Geesten, tot Zijn heerlijkheid geschapen,
Gaan bij millioenen, 't zij we waken, 't zij we slapen,
Deze Aarde onzichtbaar rond, doorvorschend overal
Gods scheppingswonderen met eindloos lofgeschal.
Hoe vaak van berg of bosch, op 't avondwindtjen zwevend,
Prees Geestenstem bij stem, alléen, of andwoord gevend,
Gods eer ! Hoe dikwerf zong een tallooze Englenwacht,
Als zij de ronde deed in stillen middernacht,
Een Choorzang, bij 't geklank van gouden cithersnaren,
Waarmeê ons luistrend hart ten Hemel scheen te varen !"

Zoo sprekend wandelden zij samen hand aan hand
Naar 't lieflijk rustpriëel, in 't midden der warand
Voor hen verkoren. 't Dak was dicht in-een-gestrengeld :
Een bladverwulfsel van laurier en mirt, gemengeld
Met ander hechtend en welriekend looffestoen.
In 't rond formeerde acanth en geurig heestergroen
De wanden, en daaruit hief de eêlste bloem der hoven,
Roos,iris en jasmijn, het bloeiend hoofd naar boven,
Een levend mozaïek van knoppen ! Heerlijk blonk
Het vloertapeet, gespreid, als met borduurselpronk,
Uit crocus, hyacinth, safraan en violieren,
In schooner kleuren dan het prachtigst weefsel tieren,
Dat immer Kunstnaar wrocht. Hier werd geen spoor ontdekt
Van andre schepslen ; hier, geen vogel, geen insekt :
Zoo groot was de eerbied voor den Mensch ! In dichter blaren
Of heilger lommerloof — zoo zij geen fabels waren —
Sliep nooit Sylvaan, of Pan, of dook ter midnachtstond'[30]
Nooit Faun of Boschnimf neêr. De kuische huwlijks-spond'
Was hier door Eva-zelf met maagdelijke handen
Het allereerst gespreid uit bloemen en girlanden
En kruiden. Hier ook drong het Hymenaeum door,
Luide aangeheven door een feestlijk Hemelchoor
Toen haar Gods Engel tot den Bruidegom geleidde,
In al haar schoonheid wie geen sluier overspreidde
Dan de Onschuld. Zij, op wie de gaven aller goon
Eens regenden, zelfs geen Pandora, was zoo schoon,[31]
Al heeft een Epimeeth de schoonste haar geprezen . .
Ach, Eva ! mocht gij d' Aard nooit zoo noodlottig wezen !

Aldus genaderd tot hun loof hut, slaan zij 't oog
Alëer zij binnentreên naar 't firmament omhoog,
Om Hem te aanbidden, die de bloeiende aard', de heeralen,
De zilvren maan en al de sterren die er weemlen,
Formeerde
„Groote God !" dus, samen, baden zij :
„Den Nacht hebt Gij gemaakt, gelijk den Dag, dien wij,
Gelukkig in ons werk, voleindden, aangedreven
Door onderlinge hulp, door liefde, 's levens leven
En Uwer gaven kroon ! Want vol van heerlijkheên
Is deze Lusthof; toch -- te groot voor ons-alleen !
Ontelbre schatten zijn ons overal ontsloten :
Maar 't faalt bij d' overvloed aan blijde deelgenooten,
Die met ons oogsten wat nu ongeplukt vergaat.
Doch, Heer ! Gij zijt getrouw : Gij schenkt ons vroeg of laat
Naar Uw belofte een kroost dat de Aarde zal vervullen,
Door Uwe Algoedheid, die wij samen loven zullen,
Niet als wij waken slechts, maar ook als wij van U
Het zoet geschenk des slaaps verwachten, zoo als nu!"

Zoo spreken ze, uit éen mond, en zonder plechtigheden
Dan zuivre aanbidding, die den Hoorder der gebeden
Het welgevalligste is ; en éen van ziel en zin
Treên beide, hand aan hand, ter groene loofhut in :
Gezegend Heiligdom, waar ze al de weelde smaken,
Die ooit een schuldloos Paar, door God vereend, doet blaken!
Van hier, gij huichlarij ! die d' armen priester doemt
Tot eenzaamheid, die in uw waanzin onrein noemt
Wat Hij voor rein verklaart wien ge als d' Aiheilge huldigt !
Hij schiep ze, Man en Vrouw, en sprak : „Vermenigvuldigt 1"
Wie spreekt Hem tegen, dan die God en 't schepsel haat,
De valsche Aartsvijand, die den mensch naar 't leven staat ?
Welzalig Trouwverbond ! verborgen wet des Levens !
Gij, grondslag van 't Gezin, wieg aller Volken tevens !
Gij dooft in 't menschlijk hart het overspelig vier,
De ruwe zinlijkheid van 't redelooze dier.
Niet slechts de handen, ook de harten voegt gij samen:
U danken we, U-alleen, de liefelijkste namen,
Als die van vader, zoon en broeder ! Ver van mij
Dat ik u lastren zou, o Huwlijkshemel ! gij,
Fontein van huislijk heil ! Vreugd, Vrede en Troost verwijlen
Als goede Geesten hier ! Hier scherpt de Min haar pijlen
Van zuiver goud ! Hier wordt haar fakkel nooit gebluscht !
Hier zweeft ze op purpren wiek, hier heerscht ze in zaalge lust,
Niet in de onreinheid van voor geld gekochte lonken
Bij vreugdeloos vermaak, van wulpsche weelde dronken ;
Niet in de minnarij der hoven, bij den glans
Van nachtfeest, maskerade, of 't ruischen van den dans,
Of 't luitspel van den dwaas, die, in 't fluweel gemanteld,
Verkleumd van koude voor de deur der schoone trantelt,
Wier trots hij beter deed te ontvlieden ... Neen ! dit Paar
Sliep vredig, arm in arm gestrengeld, naast elkaar,
In slaap gezongen door den nachtegaal, met rozen
Beregend, in wier plaats des morgens nieuwe blozen !
Slaapt voort, gij Tweetal ! gij, die hoogst gelukkig heet
Als gij niets hoogers zoekt, niets méer te weten weet !

De nacht had nu de helft voleindigd van haar ronde
Aan 't ondermaansch gewelf; en ter gewoner stonde
Stroomde uit de ivoren poort de drom der Cherubs aan,
In 't harnas, en gereed als wachters rond te gaan —
Toen Gabriël tot zijn naaste' Engel dus zich wendde :
„Trek op, Uzziël ! met de helft van onze bende,
Nauwlettend toeziende, in de Zuiderrichting voort,
En rukke de andre helft omzichtig naar het Noord :
We ontmoeten dan elkaar in 't Westen !" En zij scheidden
Gelijk een vlam zich splitst, links, rechts, en schaarden beiden
Zich in 't gelid. En nu, hij wenkte Ithuriël
En Zephon, 't heldenpaar, en gaf hun zijn bevel:
„Gaat met gewiekten spoed den gantschen Hof doorzoeken,
Vergeet geen enkle van de meest-verholen hoeken,
Vooral de plaats niet, waar dat schoone schepslenpaar
Vertoeft, nu mooglijk slaapt, niet droomend van gevaar !
Weet, dat een wachter, toen het avondzonlicht daalde,
In aller ijl ons kwam bezoeken en verhaalde
Van een kwade' Engel — wie vermoedde 't ? — door de poort
Der Hel geslopen en voortvluchtig naar dit oord,
Waar hij nu schuilt, terwijl zijn boze plannen rijpen.
Gij zult hem zoeken, zult hem vinden, zult hem grijpen
En herwaards voeren !"

Nauw was zijn bevel gehoord,
Of aan de spits van zijn geleedren trok hij voort,
Omstraald van glansen die het maanlicht tanen deden.
Ons Tweetal midderwijl richt naar 't priëel zijn schreden,
Om hem te vinden dien zij zoeken. 't Rechte spoor
Was ingeslagen : zie ! naast Eva's luistrend oor,
Daar zit hij als een padde, en wekt door fluisterklanken
Haar fantazie, en blaast, met duivlenlist, de spranken
Van een ongodlijk vuur haar in 't onschuldig bloed,
De levensgeesten, die — als uit een klaren vloed
De frissche dampen — uit die zuivere aders stroomen,
Bezwalkend met een smook van ordelooze droomen,
Misnoegde wenschen, wufte lusten, twijflarij,
Onzinnige eerzucht, en ondankbre hoovaardij.
Ithuriël, hem dus betrappend, roert slechts even
Hem met zijn speer aan. Want geen mom, hoe fijn geweven,
Ontmoet een wapentuig uit hemelsch vuur gewrocht,
Of 't wijkt, en fluks herneemt wie 't immer dragen mocht,
Zijne eigene gestalt'. Dus Satan, opgesprongen
En — overrompeld — tot ontmaskering gedwongen !
Gelijk, wanneer een vonk op 't buskruit nèdervalt,
— In oorlogstijd op 't plein van 't tuighuis uitgestald
De zwarte stof, op eens al dondrend losgebroken,
De lucht in vlammen zet; dus, eensklaps opgedoken,
Sprong Satan, zijn gedaant' hernemend, overend.
Door hem verrast, ontroert het Englenpaar en wendt
Het hoofd ter zijde van d' afgrijsselijken Koning,
Die plotsling voor hen staat, — bij beide meer betooning
Van afschuw dan van vrees. Zij spreken dus hem aan :

„Wie van de volgers van des Satans oproervaan
Zijt Gij, der Helle ontsnapt, dus monsterlijk herschapen ?
Wat waakt ge, als vijand, bij de onnoozlen die hier slapen,
Hier, bij uw hinderlaag?" . . ."

„Gij kent mij dus niet meer?"
Sprak Satan honend : „Nu!gij kendet mij weleer
Ver boven U, waar ik in glorie was gezeten,
Daar gij niet naadren mocht ! Door me onbekend te heeten,
Verraadt ge U-zelf als onbekende, als van uw bent
Den minsten trosboef! Of, zoo gij mij waarlijk kent,
Wat veinst, wat vraagt ge ? En wat doet u een zending hopen,
Die noodeloos begon om vruchtloos af te loopen?"

En Zephon andwoordde, in zijn gramschap hoon met hoon
Betalend : „Waan toch niet, verloren Hemelzoon !
Dat uw gedaante nog dezelfde is, en uw luister
Nog straalt als voor uw vaI ! Uw glorie zonk in 't duister,
Toen ge ophieldt goed te zijn ; en nu, ontaart, ontwijd,
Gelijkt ge uw zonde en 't hol waar gij gevonnisd zijt !
Maar kom nu, want gij hebt te spreken op de vragen
Van onzen zender, wien de last is opgedragen
Te waken voor dit Oord en dit onschuldig Paar !"

Zoo sprak de Cherub. Onweêrstaanbaar stond hij daar,
Zoo streng-verwijtend, toch zoo jeugdig-schoon, met oogen
Zoo heilig-stralend, dat de Aartsvijand-zelf, bewogen
Van schaamte, erkennen moest hoe heerlijk de Onschuld is,
Hoe minnenswaard de Deugd ! Een zweem van droefenis
Beving hem bij 't besef van wat h ij had verloren,
En 't schrikwoord bovenal bleef snerpen in zijn ooren,
Dat hij getaand was in zijn heerlijkheid. Maar 't brak
Zijn hoogmoed niet ; hij toonde een valsche kalmte, en sprak :

„Indien ik strijden moet, 't is 't beste met den beste,
Niet met gezanten maar den zender, of ten leste
Met alle te gelijk : dat spelt mij meerder eer,
Of — minder schande ! . . ."

„Uw vrees," sprak fiere Zephon weêr,
„Zal ons verhindren u met daden te overtuigen,
Hoe onder ons de minste uw schedel kan doen buigen
En dien van heel uw rot, godloos en daarom zwak !"
De Aartsvijand zweeg, daar hij in dolle woede ontstak,
En stapte trots vooruit, een ros gelijk, schuimbekkend
En knabblende op 't gebit, vergeefs den breidel rekkend
Zoo warsch van laffe vlucht als nutteloos geweld.
De schrik des Heeren had zijn jagend hart bekneld,
Door andre vrees noch nu noch immer ingenomen.
Zoo waren zij allengs bij 't Westlijk punt gekomen,
Waar beide helften van de rondedoende wacht
Elkaar hervonden, nu tot éene legermacht
Gerangschikt, vaardig 't nieuw bevelwoord op te vangen
Des Heirvoogds. Gabriël, voor 't front dier heldenrangen,
Riep uit met luiderstem: „Mijn vrienden ! 'k hoor de schreên
Van snelle voeten : 'k zie door 't schemerdonker heen'
Ithuriël, 'k ontwaar ook Zephon, en, daarneven,
Een derde, 't hoofd gelijk een koning opgeheven ,
Maar met verwelkten glans en vaalbleek ! ... Zie ik wél ?
Die leest ! die trotsche gang ! hij is 't, de Vorst der Hel !
En zeker, zonder strijd zal hij van hier niet keeren !
Staat moedig pal dan, om de woede te braveeren
Waarmeê zijn blik ons tart !"

En nauwlijks zwijgt zijn mond,
Daar staat het Tweetal voor d' Aartsengel en verkondt
In korte woorden wien zij brengen, om wat reden,
Hoe zij hem stoorden in zijn heimlijk gruwelsmeden,
In wat gedaante, en waar. Toen sprak met ernstig oog
Hem Oabriël dus aan : „Gij Satan ! wat bewoog
Uw moedwil dus de grens uws kerkers te overschrijden ?
En hen te storen in hun arbeid die niet strijden
Bij de Oproervaan, maar 't recht bezitten en de macht
Te vragen, snoodaart ! wat in 't Paradijs u bracht,
Waar gij den slaap ontrust en hen wien 's Hemels zegen
Den Lusthof plantte."

Maar vergramde wolken stegen
Op Satans voorhoofd : „In den Hemel hebt ge een naam
Van wijsheid," sprak hij,»maar ik twijfel aan uw faam,
Nu ik die vraag hoor. Wie wenscht onder 't wee te bukken?
Wie zou, wist hij den weg, zich niet der Helle ontrukken,
Schoon daar gedoemd ? Voorwaar, gij-zelf zoudt dit bestaan,
Om moedig-haastend naar een andre plaats te gaan,
Waar gij mocht hopen op vermindering van lijden
Door rust, op wissling van ellende met verblijden !
Dat zocht ik hier! Maar zal die rede u geldig zijn,
Die enkel 't goede kent, nooit krompt van zielepijn ?
En wijst Gij op den wil van Hem die onze vendels
Verneêrde, ons kerkerde ? Wel, laat Hem beter grendels
Doen smeden voor Zijn poort, indien Hij ons omlaag
Gevangen wenscht ! ... Zóoveel in andwoord op uw vraag.
De rest is waarheid : 'k ben gevonden waar zij zeiden ;
Maar wat bewijst dit voor ontrusten of verleiden ?"
Zoo sprak hij schamper, en de Aartsengel, diep verstoord
Van gramschap op die taal, nam met een hoonlach 't woord :
„Wat zwaar verlies toch leed de Hemel in dien éenen,
Dien Wijsheids-rechter, die — met Satan is verdwenen !
Wien dwaasheid nederwierp, wien dwaasheid keeren doet,
Der kerkerkrocht ontsnapt waar hij zijn zonden boet,
En die nu twijfelt of hij hen wel wijs zal heeten
Die vragen wat hem dreef te ontworstlen aan zijn keten !
Hij waant het wijsheid, smart en strafgericht te ontgaan,
Hoe ook : welnu, volhard, vermetele ! in dien waan,
Tot u de wraak, die gij ontvliedt, met zevenmalen
Gezwinder vlucht dan de uwe, op eens zal achterhalen,
En in de Helle op nieuw een wijsheid nederwerpt,
Die u niet leerde dat geen roede feller snerpt
Dan van getergden toorn ! En voorts, hoe zoo verstoken
Van hulp ? Waarom is niet heel de Afgrond uitgebroken ?
Is 't leed hun minder leed, der vlucht niet waard ? Of kwelt
U 't lijden méer dan hen ? 0 aller helden held,
De eerste in 't ontvluchten van het lijden ! hadt ge uw scharen
't Doel uwer vlucht ontdekt, gij zoudt niet eenzaam waren,
In 't heimlijk weggesneld ! . . ."

Een nevel overtoog
Des Satans voorhoofd en gefronsten wenkbrauwboog :
„Neen !" sprak hij,,,'k ben hier niet wijl 'k minder smarts kan dragen,
Gij honende Engel ! of terug-deins voor de plagen.
Gij weet te wèl, dat ik 't heldhaftigste u weêrstond,
Toen de Almacht voor u uit Heur felle donders zond,
Uw lans tot hulpe, die mij anders niet deed beven !
Maar nu. verraadt uw taal, niet minder dan zoo even,
Uw onbedrevenheid ! Geen trouwe Hoofdman waagt
Na ondernemingen vol moeite en ongeslaagd,
Zijn leger andermaal op hachelijke wegen,
Die hij niet eerst doorzocht. 'k Ben daarom opgestegen
Uit d' Afgrond, ik alléen ! en worstelde, ik-alléen,
Op stoute vleuglen naar deez' nieuwe waereld heen,
Waarvan de Hel gewaagde, op hope een oord te ontdekken,
Waar mijn geslagen heir zich stil terug kan trekken
Op aarde of in de lucht ! En zoo uw dapperheid
Mij die veroovring durft betwisten, 'k ben bereid
Nog eens in 't worstelperk uw prachtig heir te ontmoeten,
Dien slavendrom, gewoon hun Meester te begroeten
Met psalmgejubel tot verhooging van zijn naam, —
Tot buigen vaardig, maar tot strijden onbekwaam ! . . ."

De machtige Engel laat hem 't andwoord niet ontbreken :
„Te spreken, en terstond zijn meening te weêrspreken,
Eerst wijs te noemen die zijn smart ontvluchten kon,
En dan te erkennen dat men naderde als spion, —
Die't doet, geen Hoofdman , neen ! Bedrieger moet hij heeten.
En, Satan ! roemt ge uw trouw? O toegeschroefd geweten,
Dat gij dit heilig woord zoo onbarmhartig schendt !
Wien zijt gij trouw ? uw heir ? een heilloos oproerbent,
Gespuis van vijanden, een Lichaam, overwaardig
Zulk Hoofd ! Noemt gij dat plicht en krijgstucht, dat rechtvaardig
En trouw, als ge onbeschaamd den duren eed verkracht
Door u gezworen aan de wettige Oppermacht ?
En, sluwe huichlaar ! gij, die hier den rol wilt spelen
Van Vrijheids schutspatroon ! wie loog voor Gods bevelen
Een dieper eerbied ? wie, met lage vleierij,
Heeft 's Hemels Opperheer zoo slaafsch gediend als Gij ?
En waarom ? ... In de hoop d' Oneindige te onttroonen,
En met Zijn koningskroon uw eigen hoofd te kroonen ! .. .
Maar nu, onthoud mijn raad : verdwijn ! vlieg ijlings weêr
Van waar gij kwaamt : en weet, zoo ge ooit ten tweeden keer
Deez' heilge grens ontwijdt, u-zelf en God vergetend,
Dan vindt ge er Mij terug, dan sleep ik u geketend
Naar 't diep des Afgronds, waar ge, in eeuwgen nacht gehuld,
De grendelen der Hel niet meer bespotten zult !"
Zoo dreigde de Engel, maar de Aartsvijand in zijn tooren
Lette' op dat dreigen niet, en liet zich grijnzend hooren :
» Spreek dan van ketens, als ik uw gevangne ben,
Gij, grensbewaker ! gij, minste Engel dien ik ken !
Maar éer dat ooit geschied', zal zwaarder wicht u treffen:
Deze arm ! dien 'k tegen u verbrijzlend op zal heffen,
Schoon 's Hemels Koning op uw cherubsvleuglen rijdt,
En gij, en de uwen, die voor 't juk geschapen zijt,
Zijn wielen voortsleept langs des Hemels starrenpaden !"

Hij sprak, en de Englen, die hun ongeduld verraden
In 't purper van hun blos, doen als een halve maan
Hun phalanx zwenken en rondom den Vijand gaan,
De speeren drillend ! Zóo bewegen zich de baren
Van 't graanveld, als de herfst de ruige korenairen
Doet golven op den wind. De landman staat ontsteld,
Terwijl zijn voorgevoel hem meerder kaf voorspelt
Dan rijpe schoven op zijn dorschvloer. Tegen allen
Alléen, stond Satan, door een huivring overvallen,
Straks afgeschud. Hij trok zijn volle kracht bij-éen :
Zijn reusgestalte groeide en rees ten hemel heen'
Gelijk de Teneriffe, of de Atlas, onbewogen,[32]
Onbuigbaar, reikend naar de omwolkte hemelboogen.
Schrik zetelde op zijn helm, waarom de pluimbos ruischt,
En 't wapen, tevens schild en speer, trilt in zijn vuist.
't Voorspelde een zwaren strijd weêrzijds, waar niet slechts Eden,
Van schudden zou, maar die misschien de vastigheden
Des sterrenhemels had doen wanklen, bij den strijd
Der elementen, zich verwarrend wijd en zijd.
Maar God voorkwam den schok. Hij hief de gouden schalen[33]
— Zie haar te midden van Astrea's zilverstralen
En 't beeld des Scorpioens nog aan den hemelboog ! —
Waarin Hij alles voor de Scheppings-ure woog,
De wentlende Aard, haar wicht en tegenwicht, en sedert
Nog alles weegt wat ooit verhoogd moet of vernederd,
Geschiên of niet geschiên, de volken en hun lot,
En vrede en oorlogskans. Nu lei de Alwijze God
Gewicht in elke schaal, om d' uitslag : rustig scheiden,
Of -- strijden ! De eerste schaal, de zwaarste van die beiden,
Dook neêr, de tweede steeg, en stootte aan d' evenaar.
De Aartsengel werd den wil des Eeuwigen gewaar,
En sprak nu :

„Satan, 'k weet uw sterkte, gij de mijne !
Ze is de onze niet, maar ons geschonken : ze is de Zijne,
Wien alle macht is. Gij noch ik vermogen meer
Dan ons gegund wordt door d' almogende' Opperheer,
Al voel ik dat mijn arm tot gruis u kan verbreken !
Lees, ten bewijze, uw lot in 't gindsche hemelteeken !
Gij zijt gewogen : zie, hoe licht gij zijt, hoe zwak,
Als ge u verzetten durft !"
En hoog aan 't starrendak
Zag Satan nu zijn schaal gerezen. Hij vlood henen,
Luid morrend — met hem was de vale nacht verdwenen !

Noten[bewerken]

  1. Milton: That warning Voice - vermanende/waarschuwende stem. Milton verwijst naar Johannes' gelijkenis van de nederlaag van Satan in Openbaring 12: 3-12.
  2. Verwijzing naar de eindtijd of apocalyps. het einde van de wereld en de dag des oordeels zijn de thema's van het boek Openbaring.
  3. De hel in hem: deze regels weerspiegelen de beroemde toespraken van Mephistopheles in Marlowes Doctor Faustus (B-Text) 1.3.76: "Why this is hell: nor am I out of it;".
  4. Niphates: Assyrische berg.
  5. Saba/Sheba: verwijst naar het Bijbelse Sheba, het hedendaagse Jemen.
  6. Milton: Asmodeus with the fishy fume - Milton roept het verhaal van Tobit op uit het apocriefe boek Tobit. Tobit, die door Perzië reisde, trouwde met Sara wier zeven voormalige echtgenoten op hun huwelijksnacht werden vermoord door haar demonenminnaar, Asmodeus. Rafaël adviseerde Tobit om het hart en de lever van een vis te verbranden om de demon te verdrijven (Tobit 8: 3).
  7. waterraaf: aalscholver
  8. Hauran: een dorp aan wat ooit de oostelijke rand van het oude Israël was.
  9. Seleucië: een stad aan de Middellandse Zee, nu deel van Turkije.
  10. Milton: Where the sons of Eden long before
    Dwelt in Telassar - Thelassar is een stad die wordt genoemd in 2 Koningen 19:12 en Jesaja 37:12.
  11. Genesis 2: 10 vermeldt zo'n rivier in Eden, die zich in vier stromen splitst.
  12. Hesperiden: verwijst naar de verhalen over de tuinen der Hesperiden, een legendarische boomgaard aan de rand van de wereld waar gouden fruit groeide, zoals beschreven in Ovidius' Metamorfosen.
  13. De gratiën en de horen (uren). De gratiën, in de Griekse religie, waren een groep vruchtbaarheidsgodinnen. De horen (Latijn: Horae, "uren") waren in de Griekse en Romeinse mythologie de godinnen van de seizoenen.
  14. Proserpina: Milton verwijst naar de verhalen van Proserpina in Ovidius' Metamorfosen 5 en de homerische 'Hymne aan Demeter'. Proserpina, dochter van Zeus en Ceres, wordt door Dis (Pluto) meegenomen tijdens het verzamelen van bloemen in de Siciliaanse stad Enna. Ceres, de godin van het koren, verhindert de groei van gewassen terwijl ze naar haar dochter zoekt. Ten slotte stemt Dis ermee in om Proserpina voor zes maanden per jaar aan haar moeder terug te geven. Zo groeien de gewassen maar een half jaar.
  15. Daphne: De tuinen van Daphne aan de rivier de Orontes in Syrië stonden bekend om hun prachtige cipressen en laurierbomen, die werden bewaterd door een bron, gewijd aan Apollo en vernoemd naar de Castaliaanse bron op de berg Parnassus.
  16. Amalthea: Amalthea (of 'tedere godin') baarde Bacchus, een zoon van Zeus (bekend als Amon in Egypte en Libië). Rhea, de vrouw van Zeus, wilde hen uit wraak doden.
  17. Amhara: In Miltons tijd werd Amhara, een heuvel in het hedendaagse Ethiopië, door sommigen beschouwd als het paradijs dat zich op de evenaar bevond.
  18. Hyacinthus: Het gedicht vergelijkt Adam met Hyacinthus, de geliefde jongen van Apollo in het lied van Orpheus uit Ovidius' Metamorfosen 10.163-219.
  19. Milton: Nor those mysterious parts were then concealed - hun geslachtsdelen. Milton kiest het woord 'mysterious' om de lezers eraan te herinneren dat 'huwelijkse riten' (regel 743) echt (hoewel allegorisch) gaan over de relaties tussen Christus en zijn kerk (Efeziërs 5:31-32), 'mysterieus bedoeld', zoals de trappen die naar de hemel leiden (3.516).
  20. Milton: cool Zephyr, de westenwind brengt hen verkoeling.
  21. Levensboom: Volgens Genesis 2:9 stond de boom des levens dicht bij de verboden boom van kennis van goed en kwaad.
  22. Milton was niet de enige die geloofde dat het enige doel waarvoor de vrouw is geschapen, is om de eenzaamheid van een man te verhelpen.
  23. Adam, zo staat in Boek 8, vroeg God specifiek om hem te voorzien van een gelijkwaardige partner, een zoals hijzelf. Toch impliceert Eva hier dat Adam zozeer haar meerdere is dat hij geen gelijke op aarde heeft en dus geen gelijkaardige partner.
  24. wat je daar ziet ben je zelf': Dit kan worden gelezen als implicerend dat Eva's zelf (gescheiden van Adam zoals ze zichzelf voor het eerst vindt) niet dieper is dan haar uiterlijk. In Boek 8 verwijst Rafaël naar Eva's schoonheid als "een buitenkant" (8.568).
  25. Juno: Jupiters koningin; allegorisch: de lucht.
  26. Is kennis zonde?': Satan bereidt zijn verleidingsargumenten al voor. De zonde is natuurlijk geen kennis of zelfs verlangen naar kennis, maar ongehoorzaamheid aan God.
  27. Gabriël: een van de vier aartsengelen van de Hebreeuwse traditie. De anderen waren Michaël, Rafaël en Uriël; elk kreeg een kwart van de wereld toegewezen in elk van de kardinale richtingen. Gabriël dient ook als een hemelse boodschapper.
  28. Hesperus: de avondster.
  29. Milton is van mening dat als het Paradijs echt perfect wil zijn, er werk beschikbaar moet zijn voor Adams kinderen, aangezien werk een van de grootste genoegens van het leven is en een uitgesproken menselijke waardigheid.
  30. Pan en Silvanus: Pan, Silvanus en Faunus zijn allemaal saters, wezens met de vorm van een geit vanaf het middel, uit de Griekse en Romeinse mythologie.
  31. Pandora: volgens de heidense legende de eerste vrouw. Zij werd gemaakt op verzoek van Zeus om zich op Prometheus te wreken, die vuur uit de hemel stal.
  32. Atlas of Teneriffe - Teneriffe: een berg op de Canarische Eilanden, ooit beschouwd als de hoogste ter wereld. Atlas: een berg in Marokko, waarvan ooit werd gedacht dat hij de hemel steunde.
  33. Gouden schalen: Milton herinnert zich uit de Ilias de gouden schalen waarin Zeus het lot van de Grieken en Trojanen, en van Hector tegen Achilles woog en vergeleek, of de weging van het lot van Aeneas tegen die van Turnus uit de Aeneis. Hij geeft deze conceptie echter kosmische reikwijdte door de schalen te identificeren met het sterrenbeeld Weegschaal dat tussen de Maagd en de Schorpioen in de dierenriem staat.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.