Naar inhoud springen

Paradise Lost van John Milton/Boek I

Uit Wikibooks

Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III - Boek IV - Boek V - Boek VI - Boek VII - Boek VIII - Boek IX - Boek X - Boek XI - Boek XII

Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Jan Jakob Lodewijk ten Kate:
"MILTON'S VERLOREN PARADIJS,
HELDENDICHT IN TWAALF ZANGEN" (1875)


EERSTE BOEK
(Engelse tekst van Milton: zie Wikisource Paradise Lost/Book I)

Het eerste Boek begint met eene korte schets van het geheele onderwerp ;
des Menschen ongehoorzaamheid en het daarop gevolgde verlies van het
Paradijs, waarin hij geplaatst was. Dan wijst het op de oorzaak van zijn
de slang, of liever den Satan onder de gedaante der slang, die, van
God afvallig, met vele legioenen van engelen, door hem medegesleept, op
Gods bevel, met geheel zijn rot, uit den Hemel in 't diepst der Hel werd
geworpen. Na deze inleiding spoedt het Gedicht zich voort naar het
tooneel-zelf der gebeurtenissen, voorstellende Satan met zijne engelen, nu
gevallen en hier beschreven, niet in het middelpunt, want Hemel en
Aarde mogen ondersteld worden nog niet geschapen te zijn, maar in eene
Plaats der buitenste duisternis, Chaos geheeten. De Satan met zijne
Engelen, neêrgeworpen in den brandenden poel, door den donder getroffen
verbijsterd, komt na verloop van eenigen tijd tot bedaren, en roept
diegenen tot zich, die in rang en waardigheid hem het meeste evenaarden.
Zij spreken van hun rampzaligen va!. Satan wekt al zijne legioenen, die
Tot hiertoe met hem dezelfde neerlaag deelden. Zij verrijzen; hunne
Menigten, slagorden en oversten worden beschreven, overeenkomstig de
afgodsbeelden, later in Kanaan en omliggende landen lekend . Dezen
spreekt Satan aan, hen troostende met de hoop van den Hemel te herwin
ten laatste verhaalt hij hun van eene nieuwe wereld en eene nieuwe
Soort van wezens, die eerlang geschapen zouden worden, naar luid van
Eene oude voorspelling of een gerucht in den Hemel. Want dat de engelen
lang vóór deze zichtbare Schepping bestaan hebben, was het gevoelen van'
"Edele oude Kerkvaders. Hij slaat voor, in eene volle raadsvergadering de
baarheid dièr profecie te onderzoeken, om daarna te besluiten wat te
doen. Pandaemonium, Satans Paleis, rijst weldra uit de diepte. De Helsche
borsten openen den Raad.


De eerste ongehoorzaamheid des Menschen, en de vrucht
Van dien verboden boom, wiens jammerlijk genucht
Den dood, al onze ellende, en d' ondergang van Eden
Op aarde bracht, tot straks, zeeghaftig opgetreden,
De Godmensch ons herstelde en 't Paradijs herwon:[1]
Ziedaar uw zangstof. Muze, o Telg der Hemelzen!
Die op den Horeb tot dien herder nederdaalde,
Wiens hand, door u bestuurd, Gods volk den oorsprong maalde
Van Aarde en Hemel, uit den warrelklomp ontstaan![2]
Of trekt u, sterker nog, de Sionsheuvel aan.[3]
De Siloam, wier beek op Gods orakelwoorden
Heur loop versnelde, o dan, uit die geheiligde oorden.
Beziel mijn stouten zang, die, in gewiekte vaart,
Den Pindus achterlaat en wond'ren openbaart,
In dicht of ondicht nooit door broze stervelingen
Verkondigd! Gij, vooral, doorgloei me en leer mij zingen,
O, Geest! die 't zuiver hart oneindig meer waardeert[4]
Dan alle tempels en altaren! Wat gij leert
Is waarheid! Gij bestondt voor 's waerelds morgenkrieken,
En spreidde, een duif gelijk, de ontzachelijke wieken
Al broedende over 't diep, door U bevrucht! Uw kracht
Doordring' mijn zwakheid, en uw dageraad mijn nacht.
Dat ik, ten toppunt van mijn grootsch ontwerp gestegen,
Gods Alvoorzienigheid bevestige, en Zijn wegen
Rechtvaardig' voor den mensch!
Zeg eerst — want Gij doorziet
Den poel des Afgronds en des Hemels lichtgebied —
Wat dreef onze ouders, rijk met zegen overladen,
Tot zulk een afval aan, dat zij Gods wil vertraden,
Zij, onderkoningen van 's waerelds heerlijkheid,
En dat om éen verbod? Wie heeft hen 'teerst verleid?
De Helsche Draak! — Hij heeft, door nijd en wraak bewogen
Der menschen Moeder door zijn listigheid bedrogen.
Toen hem zijn hoogmoed van den Hemel had beroofd.
Met heel 't oproerig rot van englen, aan wier hoofd
Hij d' aanslag smeedde om zijns geïijken te overtreffen,
Gereed zelfs tegen God de verz'nen op te heffen.
Indien Hij weerstand bood! Zoo bracht zijn dolle trots,
Naijvrig op den troon des Allerhoogsten Gods,
Een gruwzame' oorlog in den Hemel! IJdel pogen!
De Almachte wierp hem als een bliksem uit den hoogen,
Verbijsterd en verschroeid, vernederd duizendwerf,
Tot in den vuurpoel van het grpndeloos verderf,
Om daar, der vlam ter prooi, in diamanten banden,[5]
Te leeren wat het zegt d' Almachtige aan te randen!
Daar lag hij, negenmaal den tijd, die dag en nacht
Voor de aard bestemt, met heel zijn gruwelijke Macht,
Geschandvlekt, krimpende in de zwavelkolk, verslagen,
Hoewel onsterflijk! maar gespaard tot feller plagen:
Wan t als een hel der hel, droeg hij het schrikbeeld meê
Van 't onherroeplijk Wèl en 't onverganklijk Wee .
Hij rolde de oogen rond met vreeselijke blikken,
Vol angst en raadloosheid en duizend-duizend schrikken.
Maar gloeiende ook van trots en onverzoenbren haat.
Hij overziet, zoo ver 't gezicht eens engels gaat.
Een woest e vlakte, een hol, aan alle zijden blakend
Gelijk een ovenmuil, en vuur en vlammen brakend,
Maar vlammen zonder licht, wier zichtbre duisternis
Tooneelen weemlen doet, waar alles gruwzaam is.
Verblijven van ellend, oneindige spelonken
Van jammer, in een nacht van schaduwen verzonken.
Waar nooit de vrede woont en nooit de hope daagt,[6]
(Die daagt voor al wat leeft)! maar eeuwge foltring knaagt,
En de eeuwige vuurzee woedt, door onverteerbre zwavel
Gevoed en nooit verzaad. Hier, in des Afgronds navel,
In d'allerversten nacht, had Gods gerechtigheid
Een sombren kerker voor 't oproerig rot bereid:
Hier was hun deel gezet, zoo verre van God-zelven
En 't koesterende licht der hemelsche gewelven .
Als driemaal 't middelpunt der waereld van heur as.
Hoe ongelijk aan 't oord, dat eens hun woonste ê was ! . . .
Hij onderscheidde allengs zijn vroegere eedgenooten.
Nu deelende in zijn val, in d' afgrond neêrgestooten,
Bedwelmd en overstelpt door vlammend golfgetij'
En vuurgen dwarrelwind, en, wentlende aan zijn zij'.
Vooral éen hunner, hem in helsche macht en boosheid
Het naast, in later tijd op 't Altaar der Godloosheid
Als Bêlzebub vereerd. Hem spreekt de Aartsvijand aan:
(Hij heette Satan, sinds de vreeslijke oproervaan[7]
Door hem ontplooid was!) en zijn trotsche woorden schallen
Aldus door 't aaklig Diep:

„Zijt gij dat? Hoe gevallen!
„,Hoe diep ontaard van hem die 't blinkend startapeet
„Weleer betrad, en met een luister was bekleed
„Die myriaden, hoe volheerlijk, kon beschamen!
„Bond éenheid van gedachte en raad en daad ons samen,
„Bij de eigen hope en kans in 't roemrijk heldenfeit,
„Nü brengt de neêrlaag in gelijke ellendigheid
„Ons bij elkander! In wat afgrond gingen w e onder,
„Van welk een top gebonsd! Die Andre met Zijn donder
„Was ons te sterk! Maar wie kende ook voorheen de kracht
„Van zulk een wapen? Toch, al dreigt ons de overmacht
„Met dit, en meer dan dit, ik werp den oproerstanderd
„Niet bevend weg : ik-zelf blijf eeuwig onveranderd,
„Al is mijn heerlijkheid veranderd! Nooit verslijt
„Die onverzetbre geest, die doodelijke spijt,
„Uit diep gevoel van hoon en onrecht voortgesproten,
„Die mij ten strijde dreef, en zóóveel strijdgenooten,
„Ontelbre geesten, heeft gewapend, die Zijn jok
„Vertraden en Zijn macht braveerden met een schok,
„Waardoor Hij wankelde op Zijn zetel! Wij verloren
„Het veld, maar alles niet! Die moed, uit wraak geboren,
„Die ijzren wilskracht, die onsterfelijke haat,
„En wat er meer is, dat zich nooit verwinnen laat,
„Ziedaar wat blijft! Dien roem kan ons geen macht ontrukken,
„Geen gramschap, hoe verwoed! Geknield in't stof te bukken,
„Te smeeken om gena. Zijn grootheid te vergoön,
„Die door den schrik mijns arms getrild heeft op heur troon,
„Dat ware een eerloosheid, een schande, ver' beneden
„Al d' onnuitwischbren smaad, door onzen val geleden.
„Neen! heeft het noodlot ons met godenkracht omgord,
„Is de onverderflijkheid ons wezen ingestort,
„Leerde ons de groote krijg beleid aan moed te paren,
„Dan — nieuwe hoop geschept bij 't deinzen der gevaren!
„Dan — met geweld of list ten oorlog opgestaan,
„Een onverzoenbren krijg dien Vijand aangedaan,
„Die in Zijn zege juicht en zonder mededingren
„De teugels van 't Heelal wil klemmen in de vingren!"

Zoo sprak de Afvallige, nog roemende in zijn smart.
Maar met de weêrhaak van de raadloosheid in 't hart.
En de andre geeft terstond zijn muitenden gedachten
Dus lucht:

„O Vorst! O Hoofd van veel getroonde Machten![8]
„Gij, die de serafïen, op 't vlammen van uw blik
„In slagorde aanvoerde, en bij 't grijnzen van den schrik
„Steeds onverschrikbaar bleeft, als gij den Hemelkoning
„Bijna deedt siddren in Zijn waggelende woning,
„Een scepter toetsend, die nochtans de proef doorstond,
„ t Zij bij geluk, of met het noodlot in verbond!
„'k Zie (en betreur het) in wat schand' wij zijn gedompeld:
„Ons heeft te kwader uur een neêrlaag overrompeld,
„Die ons den Hemel kost, en heel dat machtig heir
„Zoo diep verneêrde, als goön en kroost van Hooger sfeer
„Ooit vallen kunnen! Want ons hart blijft onbedwongen,
„En ons zijn krachten, die in eeuwigheid verjongen,
„Schoon onze heerlijkheid gedoofd is, en ons heil
"Voor immer wegzonk in ellenden zonder peil.
«Maar hoe! zoo Hij, die ons de zege wist te ontrooven,
(„Wiens kracht de nooddwang mij almachtig doet gelooven,
„Wijl enkel almacht ons verwinnen kon!) zoo Hij
Ons geest en krachten liet uit wreeder tyrannij,
„Opdat we strenger nog ons lijden zouden voelen
„En dragen, en geheel Zijn grimmig wraakvuur koelen?
„Indien Hij mooglijk ons tot schandelijker straf
„Bestemde, als knechten, die Hem 't recht des oorlogs gaf?
„Zoo we eens, in 't hart der Helle, in vlammen moesten slaven,
„Of als Zijn renboön door den donkren Afgrond draven:
„Wat dan? Wat baat het, of wij sterk, of we eeuwig zijn?
„Gedoemd^ o gruwel! tot een eeuwigheid van pijn!" —
De Satan haast zich, dus zijn makker te bestrijden:
„Gevallen Cherubijn! zoowel in doen als lijden
„In zwakheid — lafheid en ellende! Dit staat vast:
„Het allerminste goed blijft vreemd aan onze' last,
„'t Kwaad is ons eenig en ons eeuwig zielsbegeeren,
„Als strijdig met den wil van Hem, dien wij trotseerenl
„Leidt Zijn voorzienigheid het kwaad, dat wij begaan,
„Ten goede, 't is óns werk Hem in den weg te staan,
„Zoodat wij uit Zijn goed ons kwaad weêr op doen schieten!
,'t Zal vaak gelukken, 't zal Hem krenken en verdrieten,
„Ja, meer! 't zal menigmaal Zijn diepstverborgen plan
„Verijdelen! — Maar, zie, de grimmige Tyran
„Riep naar des Hemels poort zijn vlugge \Hrraakgezanten
„Terug! De zwavelwolk, die straks van alle kanten
„Neêrhagelde op ons hoofd, verbijstert ons niet meer.
„De wijde vuurzee legt haar hooge golven neer;
„De donder, roodbevlerkt met snelle bliksemstralen,
„Verschoot zijn pijlen, en des Afgronds jammerdalen
„Heraamen van 't geloei. De vijand gunt ons rust:
„Hij acht ons klein, of heeft zijn razernij gebluscht.
„Hoe 'tzij, dit oogenblik ga niet onnut verloren!
„Ziet gij die vlakte ginds, geschapen in Gods toren,
„Den troon der wanhoop, een verlaten schrikwoestijn,
„En die geen licht geeft dan den valen wederschijn
„Der vlammenzee? — Daarheen! De branding doorgezwommen
„Dier roode golven, en dit strand der rust beklommen.
Den troon der wanhoop, een verlaten schrikwoestijn,
„En die geen licht geeft dan den valen wederschijn
„Der vlammenzee? — Daarheen! De branding doorgezwommen
„Dier roode golven, en dit strand der rust beklommen.
„Indien de rust althands hier ooit een haven vond!
„Herzaamlen we onze macht! hernieuwen w e ons verbond!
«Beraadslaagd, hoe wij 't best den Vijand nedervellen,
De ramp ontworstelen en onze scha herstellen,
„Of ons de zoete hoop nog toelacht; en, zoo niet,
„Wat dan de roepstem van de wanhoop ons gebiedt!"

Zoo sprak de Satan, 't hoofd ten golven uitgeheven.
Met oogen louter gloed. Zijn andre leden dreven
Al dobbrend op de zee, reusachtig, mijlen lang.
Hij scheen een monster uit d' aalouden fabelzang.
Een van die titans, in den buik der aard gevormden,
Die, staaplend berg op berg, de hemelen bestormden,
Een woeste Briareus of Typhon, uit de krocht
Van Tarsus opgedaagd: ofwel, het schrikgedrocht
Der zee, de walvisch, die, in vasten slaap gewiegeld,
Op 't Noorderzeeschuim, dat geen enkle star weêrspiegelt,
Een eiland schijnt in 't oog des scheêplings, die met spoed
In 't hoornig schubbenvel zijn anker haken doet.
En zóo, aan lij' gemeerd, verlangend uit blijft staren
Naar 't eerste morgenrood. Dus drijft daar op de baren
Des vuurs de Aartsvijand ook, en nimmer nimmermeer
Waar ' hij den poel ontsnapt, had' niet de Hemelheer
Hem losgelaten! Nu mocht hij zijn euveldaden
Herhalen, 't schennig hoofd met nieuwen vloek beladen
Door anderer verderf, om eindlijk, dol van smert.
Te zien hoe al zijn kwaad door God verijdeld werd,
Gena verwekte voor den mensch, dien hij verleidde,
En niemand dan zich-zelf 't drievuldig wee bereidde
Van schande en toorn en wraak — een eindelooze ellend'!
Zijn reuzenstal rees uit den vuurpoel overend:
De vlammen bogen, waar zijn machtige armen roeiden,
De spitsche kronkels neêr, die nu in golven vloeiden
Rondom een gruwzaam dal. Hij slaat in breede vlucht
Op eens de vleuglen uit, doorklieft de donkre lucht.
Wier logge nevelen nog nimmer zijn gespleten
En strijkt op 't land ter neêr, indien het land mag heeten,
Wat onophoudlijk van een vaste vuurstof rookt,
Gelijk de solferzee van vloeibre vlammen kookt.
Een grond, der rots gelijk, door onderaardsche vlagen
Pelorus' top ontscheurd en dondrend weggeslagen.[9]
Of d' Etna, die, als 't vuur heur zwaavlig ingewand
Bezwangert, losbarst, en, in blakerenden brand.
De velden overstelpt met stinkende asch en sintlen :
Zóo dor een bodem doet de onzaalge voetzool tintlen
Des Satans, ijlings door zijn naasten lotgenoot
Gevolgd. Zij roemden luid, dat zij den vlammenschoot
Diens Phlegetons als goón ontvloden, en — vergaten
Dat de Alregeerder 't hun als gunst had toegelaten!

„Is dit de luchtstreek, dit de bodem, dit het oord, "
(Zoo roept de Satan uit en knarstandt op dat woord)
„Dat wij verruilden voor den Hemel? Moet dat donker
„De plaats vervangen van 't etheriesch lichtgeflonker
„Der zon? Het zij zoo! Hij, die thands den scepter klemt,
„Beslist naar willekeur en heeft ons lot bestemd,
„'t Is best, het aangezicht des Dwingelands te ontwijken,
„In wezen ons gelijk, maar boven Zijns gelijken
„In macht verheven en in heerlijkheid getroond!
„Vaarwel dan, zalig oord, waar eeuwge vreugde woont,[10]
„Valleien van genot, en groene Hemelhoven!
„Gegroet, verschrikkingen des Afgronds! zwarte kloven,
„Gegroet! en gij, o Hel, ontfang uw nieuwen Heer!
„Dit hart, dat hij u brengt, verandert nimmermeer:
't Zal elke wisseling van tijd en plaats trotseeren.
„'t Hart is zijn eigen plaats! den hemel kan 't verkeeren
„In Hel, maar ook de Hel in Hemel. Overal
„Ware ik gebleven, wat ik immer blijven zal,
„Diens mindre, wien alleen Zijn donder grooter maakte!
„Wat nood dan waar ik ben? En wat ik nimmer smaakte,
„De Vrijheid, smaak ik hier! Hier schiep de Almachte niet
„Tot eigen afgunst, hier is 't eenigste Gebied,
„Waaruit Zijn gramschap ons niet grimmig zal verstoeten.
„Hier wordt door ons 't geluk der heerschappij genoten,
„Want heerschen, hoe dan ook, is altijd groot en schoon,
„Zelfs in het hart der Hel! 'k Draag liever hier een kroon,
„Dan in den Hemel een vergulde slavenketen! .. . !
„Maar zouden we in den poel die trouwe schaar vergeten,
„Aan wie ons leed en lot verbonden heeft? Ook zij
„Moog' met ons huizen in deez' jammerwoestenij,
„Of nogmaals voortgerukt in woedend krijgsgewemel,
„Beproeven, wat men kan herwinnen in den Hemel,
„Of meer verliezen in den poel der Hel!" . . .

Hij zwijgt.
Hem andwoordt Bêlzebub, die uit de golven stijgt:

„Doorluchtig legerhoofd van Helden, die niet bogen
„Dan voor den donder van Gods eeuwig alvermogen!
„O, hoorden zij die stem, die hun zoo menigmaal
„De hoop in 't hart riep bij 't geklikklak van het staal,
„In 't heetst gevecht, of in de afgrijslijkste gevaren,
„Voorwaar! een nieuwe moed zou vonklen door hunne aaren,
„En aller kracht herleefde, al zijn ze in 't solfermeir
„Verbijsterd neêrgesmakt, gelijk wij-zelf weleer :
„Geen wonder, want de slag was vreeslijk! . . ."

Op die woorden
Zet zich de Aartsvijand in beweging naar de boorden
Der vuurzee, achter hem 't reusachtig oorlogsschild.
In ethergloed gestaald, dat op zijn schouders trilt.
Gelijk de maanschijf, door het kunstglas waargenomen[11]
Des Florentijners, die naar nieuwe landen stroomen[12]
En berggevaarten zoekt op haar gespikkeld vlak.
De hoogste dennenmast, die 't hoofd ten hemel stak
Van 't Admiraalschip, zou een kleine kinderroede
Gelijken bij de speer, die hem voor wanklen hoedde,
"Waar hij zijn schreden door de gloeiende assche wendt.
Hoe anders was zijn stap op 't blauwend firmament!
Een blakerende lucht woei hem verstikkend tegen
Van 't vuurgewelf en goot een knetterenden regen
Van vlammen op hem uit. Toch kneedde hij den grond,
Tot hij op 't vaste strand der zwavelgolven stond.
Daar riep hij onverwijld zijn tallooze englenscharen,
Bedwelmd op-éen-getast gelijk de najaarsblaren,[13]
Waarmeê 't Hetruriesch woud uit zijn gezweepte kruin
De beeken striemt, of als de helm, van 't zandig duin
Gescheurd en vlottende op de dwarrelende waatren,
Wanneer de Orion bij 't verdelgend onweêrklaatren[14][15]
De kusten geeselt van de Roode Zee, wier,vloed
Busiris inzwolg met zijn trotschen ruitrenstoet,[16]
Toen ze in trouwloozen haat Gods bondsvolk overvielen,
Dat straks hun lijken en gebroken wagenwielen
Zag spoelen tegen 't strand! Zóo lag dat englenheir
Verstrooid, verworpen, op de zwavelgolven neêr.
Door 't dreunen van hun val versuft en zwijmeldronken.
Hen riep hij met een stem, die de eindlooze spelonken
Der Hel rinkinken deed: „Gij Vorsten, Mogendheên,
„Gij, Bloem des Hemels eens, waar thands uw stoel verdween!
„Hoe! kan zoo fel een schrik onsterflijke englenchooren
„Bedwelmen! Hebt ge u hier een plaats der rust verkoren
„Na de oorlogsmoeite? en is de slaapkoets, u gespreid,
„Zoo zacht als die u wiegde in 's Hemels heerlijkheid?
„Of voelt gij, dus gekromd, uw laatste veêrkracht kwijnen,
„En bidt ge uw Dwingland aan, die nu zijn serafijnen
„En cherubijnen met verbroken krijgstropee
„En halfversplinterd zwaard ziet tuimlen op de zee?
„Wie weet, straks vliegt misschien zijn krijgsmacht naar beneden,
„Als zij heur voordeel ziet, om ons op 't hart te treden,
„Of vast te klinken in dit raadloos jammerdal
„Met bliksempijlen! . . , Rijst, of eeuwig is uw val!"
Rijst, of eeuwig is uw val!"

Zij luisterden, beschaamd, de wiek half uitgeslagen,
Als oorlogsknechten, wien de wacht was opgedragen,
In slaap gevonden door hun Overste, en vol schrik
Opspringend van den grond met duizeligen blik.
Schoon zij heel d' omvang van hun vreeslijk lot begrepen,
Schoon hen de vlammen met verscheurende angels nepen,
Geen die op 's Veldheer' s kreet geen juichend andwoord gaf.
Gelijk de sprinkhaanwolk, door Mozes' wonderstaf
Verwekt, op d'oostenwind vernielend aangevlogen,
In Pharo' s Nijlgebied de klare hemelbogen
Geheel verduisterde als een zwarte middernacht:
Zoo zwermde, ontelbaar ook, de ontzachlijke englenmacht
Op breede vleuglen door de Helverwulfsels henen,
Omhoog, omlaag, alom, door 't vlammend vuur beschenen, —
Tot Satan's oorlogsspeer, rondzwaaiende in de lucht.
De richting aanwees voor hun ordelooze vlucht.
Nu streken ze ijlings op de vaste lavazoomen
Ter neder, om geheel de vlakte te overstroomen.
Een bonte menigte, zoo onafzienbaar groot,
Als nooit het Noorden schudde' uit zijn bevrozen schoot.
Wanneer de volken. Rijn of Donau doorgezwommen',
't Zuid met een zondvloed van barbaarsche legerdrommen
Bedekten, voortgezweept tot aan Gibraltar's straat
En Lybiën! De plek, waar de Opperveldheer staat,
Is 't middelpunt, waar Hoofd en Leidsman henenstormen.
Gestalten rezen daar, doorluchte godenvormen,
Verheven boven al wat menschlijk is: een rij
Van Vorsten, eens getroond in koningsheerschappij,
Naar al wat heerlijk en begeerlijk is geheeten.
Maar na hun afval op de hemelrol vergeten.
Daar God geen enklen naam in 't Boek des Levens liet!
Nog droegen ze in dien tijd de nieuwe namen niet.
Die Eva' s kroost hun gaf, sints de Eeuwge Wijsheid duldde
Dat heel hun dwarrlend heir den schoot der aard vervulde.
Den menschen tot een proef, die, door bedrog verleid.
Hun God verzaakten en de onzichtbre heerlijkheid
Des hoogen Scheppers tot een dierenbeeld verneérden,
Dat zij met wuipsche pracht en ijdlen goudglans eerden,
De duivlen dienende als hun godheên! — Sints dien tijd
Zijn duizend namen door de Heidnen hun gewijd.[17]
Noem mij die namen, Muze! en zeg het mij : wie steeg er
Het eerst', en wie het laatst', van 't vlammend zwavelleger,
Toen, op des Meesters stem, elk naar zijn rang en stand
Hoogmoedig toetrad naar het dorgeblakerd strand,
Op luttel afstands van de bontgemengde scharen?
Zietdaar die Hoofden, die, ten Afgrond uitgevaren;
Omzwervende naar roof, in gruwelijken trots
Hun zetels bouwden naast den hoogen zetel Gods,
Hunne outers naast de zijne, als goden aangebeden!
Zij waagden 't, schaamtloos voor d' Almachtige op te treden,
Die van den Sion heeft gedonderd, tusschen 't heir
Der cherubin getroond; ja, sleepten menigkeer
Hun gruwelkisten naar zijn heiige Tempelwanden,
Zijn plechtigheden door verfoeilijke offeranden
Ontwijdend, en zijn licht besmettend met hun nacht!
Eerst nadert Moloch in afgrijsbre koningspracht,[18]
Wiens altaar menschenbloed en tranenvocht besmetten,
Schoon de ouders, bij den klank van pauken en trompetten
Niet hoorden met wat kreet hun eigen hartekroost
Ten wreeden afgod ging, door d' ovengloed geroost.
Hij werd door d' Ammoniet vereerd in Rabba's vlakte,[19][20]
In Argob, Bazan, tot waar de Arnon nederzakte[21]
Naar 't Zuiden. Onvoldaan met zooveel gruwzaamheid,
Heeft hij het wijze hart van Salomo verleid.
Hem op den Heuveltop der Ergernis een tempel
Te bouwen, in 't gezicht van Gods onteerden drempel,
Het bloeiend Hinnomsdal, als Top het sints befaamd,[22]
Te ontwijden tot zijn woud, het beeld der Hel genaamd!
De onkuische Chamos volgt, door Moab aangebeden,[23]
Van Aroar tot aan den Nebo, en beneden[24]
In 't uiteinde Abarim's, in 't hart der woestenij,[25]
In Horonaïm, 't Rijk van Sihon's heerschappij,[26]
En verder op tot in de bloeipenrijke dalen
Van Sibma, schitterend van druiven, te Elealen[27]
Tot aan de Roode Zee. Hij nam zijn tweeden naam
Van Peor aan, sints hij 't volk Israëls te saam'
In Sittim op den tocht naar Kanaan verleidde
Tot snoode afgoderij; een bron van leed ! Hij breidde
Van daar zijn gruweldienst al verder uit tot aan
Dien Berg der Ergernis, dat woud der gruweldaan.
Waar Moloch, tuk op bloed en wulpsch genot, regeerde.
Tot hem Josia's deugd ter Helle toe verneêrde.[28]
Nu volgden zij, die van d' Euphraat tot aan den vloed,
Die tusschen Syrië en Egypten henenspoedt,
Den naam van Baalim of Astaróth, nü dragen,
Dan wisslen: geesten zijn 't, die naar hun welbehagen
Van kunne wisslen, of die saam' vereenen, fijn
Van wezen: lenig en étheriesch als ze zijn.
Beladen noch geboeid door leden en gewrichten.
En niet gedwongen zich aan 't steunsel op te richten
Van broos gebeent', gelijk de mensch van vleesch en bloed.
Zij kiezen zich een vorm, die 't meest hun wensch voldoet,
Verkleend of uitgebreid, zwart of met licht gevleugeld,
En dus volbrengen zij, als geesten onbeteugeld.
Hun werk van liefde of haat. En voor dit wangebroed
Viel Israël menigmaal in schennige' euvelmoed
Den Levende af. Zijn dienst vergetend, om te juichen
Voor Beestengoön, en straks al even diep te buigen
Op 't bloedig slagveld, voor des vijands lans gekromd!
In dit gevolg en van heur stoet omgeven, komt
Astoreth meê, sints als Astarté uitgelezen
Door 't oud Pheniciën, tweehoornige, geprezen
Als Hemelkoningin. De zilvren maanachtgloor
Had vaak heur beeld bestraald, als Sion's maagdenchoor[29]
In reigezangen heur geloften kwam betalen.
En ook in Sion klonk de nagalm dier choralen,
Getuig' die Tempel, op den schandberg opgericht
Door d' eedlen Davidszoon, wiens wijsheid is gezwicht
Voor vrouwenlonken, bij Astarté's schandaltaren!
Haar volgde Thammuz, wiens verwonding alle jaren
Het Syriesch maagdenchoor verlokte om heel een dag
Op 't Libanonsch gebergt' in smeltend mingeklag
Zijn droevig uiteind te beweenen, onder 't klaatren
Der beek Adonis, die met kabbelende waatren.[30]
Dan roodgepurperd, zoo het heette, Thammuz' bloed
Naar zee droeg: een verhaal, dat Sion's maagdenstoet
Verdwaasde en aandreef tot die buitensporigheden,
Die vroome Ezechiël de diepte pijlen deden
Van Juda's afval van 't geheiligd Godsverbond.
Nu volgde er één, die kwijnde aan wezendlijker wond.
Toen de overmeesterde Ark hem in zijn eigen tempel
Verminkte, hoofd en hand hem brijzlende op den drempel,
Waar hij ter-neér-sloeg, zijn aanbidderen ten spot.
Half visch, half mensch, droeg die gedrochtelijke god
Den naam van Dagon: hem was hulde en eer ervaren[31]
In Asdods stad, en hoog verrezen zijne altaren[32]
Langs Palestina's kust, in Askalon en Gath,
Tot Gaza's grenspaal toe. — Die hem ter zijde trad
Was Rimmon, die zijn troon aan de overschoone zoomen[33]
Gegrond had van Abbane en Pharphar, tweetal stroomen
Damaskus streelend met welluidend golfgeruisch.[34]
Déze ook trotseerde dwaas des Heeren heilig Huis.
Voor een melaatsche, die hem afviel, werd een koning[35]
Gewonnen, Achab, die — onzinnige eerbetooning! —
Zijn overwonneling ter wille, Gods altaar
Verwierp voor 't outer van den Syrischen barbaar,
Zich-zelf vernederend tot gruwelofferanden
Aan Goden, door den krijg geleverd in zijn handen !
Nu volgde een menigte, vóordezen wel bekend
Als Orus, Isis en Osiris, en liun bent,
Gedrochten, die door schrik en booze toovervonden
t Egyptiesch Priestrenheir zoozeer verbijstren konden,
Dat dit, aan zoeken naar zijn zwervend Godendom,
Hen niet in menschenvorm maar achter 't gruwlijk mom
Van diergestalten dacht te vinden! 't Volk des Heeren,
't Lichtzinnig Isrêl, liet zich door dien smet verneêren,
Toen 't van 't geleende goud een kalf goot aan den voet
Des Horebs, en weldra met d' eigen wrevelmoed
Een Vorst — getuigen Dan en Bethel! — die ellende
Verdubbelde, en zoozeer den Hoogen God miskende.
Dat hij Hem afbeeldde als een grazend rund: — dien Heer,
Die, in een enklen nacht Egypten heinde en veer'
Doorkruisend, met éen slag al de eerstlingen vernielde,
Heel 't loeiend godendom, waar Mitzraïm voor knielde!
't laatst volgde Belial. Een zinnelijker geest.[36]
Een, wien het kwaad om 't kwaad meer dierbaar is geweest
Viel uit den Hemel niet. Geen tempels of altaren
Verrezen hem; en toch, welke andre goón ervaren
In tempels, bij 't outaar, een hulde en lof als hij,
Wanneer de priesters zelf, o snoode huichlarij!
Godloochnaars zijn, gelijk de zonen Eli's, boozen,
Die 't Huis van Jakobs God tot schouwtooneel verkozen
Van wellust en geweld! Hoe wordt Hij aangebeên
Aan vorstenhoven, in paleizen, groote steên,
Die schatten spillen, waar balddadig feestrinkinken
En spot en moordgeschrei hoog in de lucht weêrklinken.
Ver boven de opperspits der torens! Als de nacht
De stad verduistert, zwiert een Belialsgeslacht,
Van overmoed en wijn verwilderd en verwaten,
Daar als 't gedierte rond: getuigen Sodoms straten,
De nacht te Gibea, toen uit het gastvrij huis
Een vrouw verstooten werd in de armen van 't gespuis,
Om door dien gruwel een nog grooter te voorkomen! ~
Dit waren de eerste in rang van die hier samenstroomen:
Wie noemt al de andren op, hoe wijd dan ook vermaard?
Hen, die löniën tot Goden heeft verklaard,
Wie Javan's nakroost diende, ofschoon het d'ouder' Goden,[37]
Twee, Aard en Hemel, lang zijn hulde had geboden
Als roemrijke ouderen van al die later goón;
Voorts, Titan, wijd berucht, des Hemels eerste zoon.[38]
Der reuzen vader, wien eens broeders hand onttroonde;
En dan, die broeder-zelf, Saturn, wien 't lot beloonde
Met de eigen neêrlaag, daar zijn eigen zoon Jupijn
Hem op zijn beurt verjoeg om zelf monarch te zijn.
In Creta, op den top van d'Ida, werd het eerste
Hun weidsche naam gevierd, tot straks hun scepter heerschte
Hoog op d'Olymp', vol sneeuw, met wolken overschaüwd,
Hun hoogsten Hemel! in Dodona's heilig woud,
Op d'eeuwigen Parnas, in Delphi's tempelzalen.[39]
En voorts gantsch Hellas door, op heuvlen en in dalen.
Vele andren volgden nog Saturnus in zijn vlucht,
Eerst, over de Adria, naar de Italiaansche lucht.[40]
Naar Galliën, naar 't land der Kelten, tot de groepen
Der Eilanden in 't Noord . . .
Die machtige oorlogstroepen.
En méér nog, snelden aan, maar 't neêrgeslagen oog
Van smart bewolkt en met gefronsten wenkbrauwboog.
Toch scheen daar plotseling een glimp van vreugd te gloren
Niet hooploos was hun Hoofd, niet t' eenenmaal verloren
Zijn heir, spijt al 't verlies. Als hij hen gadeslaat.
Bedekt een vale tint dat koninklijk gelaat;
Maar ijlings keert zijn trots, en met een stroom van woorden,
Hol, maar hoogklinkend, en die boeiden en bekoorden,
Bezwoer hij de' angst, hun moed hernieuwend. Hij beval.
Dat onder 't klaatren van trompet- en paukgeschal,
Zyn standert als van ouds in 't leger moest verschijnen,
En wappren aan de spits. Een reus der cherubijnen,
De machtige Azazel, eischte als een recht die eer.[41]
Met haast ontwond hij nu 't gebiedend vendel weêr
Van d' elpen staf, en ziet! daar zwierde 't in den hoogen
Gelijk een Meteoor, door d'aam des winds bewogen.
Terwijl het van fijn goud en eêlgesteente blonk,
Der Englen wapens en tropeën. Luid weerklonk
Intusschen de oorlogstoon der koperen klaroenen.
Zoo luid beandwoord door die duizend legioenen,
Dat hun gejubel 't welf der diepe Helle spleet
En d' ouden Nacht en 't Rijk des Baaierts siddren deed.[42]
Men zag in 't schemerlicht tienduizende banieren
Met al de kleurenpracht van 't gloeiend Oosten zwieren,
En heel een dennenwoud van speeren hemelhoog
herrijzen. Overal ontwaarde 't pinkend oog
Helmetten, dicht bij éen en beukelaars, gegoten,
Uit staal, in slagorde aan eikanderen gesloten,
In reien eindloos ver. Zij trokken statig uit,
In phalanxen geschaard, op 't Doriesch maatgeluid
Van fluit en veldschalmei, zooals de Heldenzonen
weléer deed blaken; geen hartstochtelijke tonen,
Die woede wekken, maar een zoete melody.
Die moed geeft en beleid. Ook maakt zij 't harte vrij
Van vreez' voor dood of vlucht, vol wonderbaar vermogen
Om de angst en aarzling, die ooit bange ziel bewogen,
Met alle zorg en pijn te stillen, in 't gevoel
Zoowel van sterflijke als onsterflijke. Éen in doel.
En éen van wil, gaan als een éenig man die velen
In stilte verder, op het hartverkwikkend kweelen
Der fluit, dat hen den gang op 't gloeiend gruis verzacht.
De wapenschouw ving aan: daar stond de Legermacht,
Een eindelooze reeks, vol onverschrokken stoutheid
In slagorde. En gelijk de helden der Aaloudheid
In schrikbre wapenpracht, met schild en oorlogsspeer
In éene richting, zóo verbeidden zij hun Heer
En zijn bevelen. Hij, volleerd in 't oorelogen,
De machtige liet straks zijn vlammende arendsoogen
Langs hun geleedren gaan. Een enkle blik volstaat
Hij kent zyn strijders, kent hun orde, hun gelaat
En godenhouding, en berekent hun getallen.
Nu zwelt zijn hart van trots en grimmig welgevallen.
En zich verhardende, roemt hij in eigen kracht.
Want sints de schepping van het menschelijk geslacht.
Was nooit een heir aanschouwd, dat bij déez' legioenen
Iets meer zou schijnen dan verachtlijke millioenen
Van 't nietige gebroed, dat eens met kranen streed,[43]
Al hield al 't reuzenvolk van Phlegra zich gereed,[44]
Met al de worstlaars en de goden aan hun zijde,
Voor Thebe en Troie eenmaal zich gordende ten strijde,
Al gaarde er Arthur al zijn ridders om zijn vaan.[45]
Al sloten zich daarbij al de oude helden aan,
Bretonsch, of Armoryksch, vermeêrd nog met de scharen,
Gedoopt, of Musulmansch, die eens slagvaardig waren
Bij Aspramont, of Montalbaan, of Trebisond,[46]
Of die Biserta naar Hispanjen overzond[47]
Om Charlemagne met zijn Vorstelijke grooten
Bij Fontarabië in het strijdperk neêr te stooten: —
Alle aardsche grootheid zou verzinken in het niet
Bij 't éenig schouwspel, dat dit Englenleger biedt!
Nochtans was aller oog gevestigd op dien Eénen,
't Geduchte Hoofd, om wien millioenen zich vereenen.
Daar staat hij aan de spits, gevallen Lucifer,
Gekroonde Satan! Hij, herkenbaar heinde en ver'.
Stak boven allen uit als een ontzachbre toren.
Zijn eerste luister ging niet sporeloos verloren;
De Aartsengel blonk nog op 't gebiedend aangezicht!
Men zag de heerlijkheid van zijn oorspronkelijk licht
Onuitgebluscht, maar als door bleeke wolken henen:
Gelijk wanneer de zon, nog pas ter kim verschenen
En zonder stralen, door den morgennevel grijst,
Of achter 't maanlicht in een doffe eklips verrijst,[48]
Een sombre scheemring spreidt op die 't Halfrond bewonen,
En waereldkoningen doet siddren op hun troonen.
Aldus verduisterd, blonk der Englen Vors t nochtans
Ver boven de andren uit met valen schemerglans.
Gij zaagt zijn voorhoofd nog de diepe voren dragen.
Het merk der wonden, door Gods donder hem geslagen,
En zorgen troonden op zijn bleekbestorven kaak.
Maar 't oog stond grimmig en verried een dorst naar wraak
Die onverzoenlijk bleef. Toch was er in zijn trekken
Een zweem van wroeging en droefgeestigheid te ontdekken,
Op 't zien der Menigte, in zijn misdaad meêgesleurd.
Hoe anders hadden ze eens het hoofd omhoog gebeurd
In 's Hemels vreugde, nu door eindelooze pijnen
Vervangen! Heel dat heir, millioenen Serafijnen
En Cherubs, ploften op zijn voorbeeld uit den schoot
Des Levens in 't verderf, geduchter dan de Dood.
En toch, hoe diep verneèrd en door Gods vloek gedreven.
Toch waren ze allen hun Verleider trouw gebleven!
als de bliksem met verpletterenden gloed
In 't eeuwenheugend woud der dennen heeft gewoed .
Zien wij de stammen, schoon hun takken zijn bezweken,
De naakte toppen nog ten hemel steken !
Nu rees de Aartsvijand op tot spreken. Op dien wenk
Sloot heel dat machtig heir, van weêrszij' met een zwenk
Genaderd, zich in twee geleedren om hem henen
En de andre grooten, naast hun Legerhoofd verschenen.
In halven cirkel staan ze in zwijgende aandacht stil.
'Is driemaal achtereen alsof hij spreken wil.
En driemaal, spijt zijn trots, ontspringen hem de tranen,
Zoo als ze een Engel schreit. Maar eindlijk toch, daar banen
De woorden zich een weg :

„Onsterflijk Englenheir,
"Gegroet! Ontelbren! Ongelijkbren evenzeer,
Dan met d'Almachte-alléen, en in den strijd met Dezen
»Niet roemloos, schoon dan't eind een nederlaag moest wezen,
«Getuig' dit gruwzaam oord, deze omkeer, al te groot
„Om uit te spreken! Maar wat geest ook, al besloot
„Hij krachten in zich om de diepten van 't Verleden
„Te peilen, nevens al de wetenschap van 't Heden,
„Wie had voorspeld, gedroomd, dat zulk een Godenmacht
„Als de onze, zoo vereend, zóo palstaande in haar kracht,
„Ooit zwichten zou? — En nu, in spijt van onze ellenden,
„Wie, die 't gelooflijk acht, dat zooveel legerbenden,
„Wier val de hemelen ontvolkte, nooit de kans
„Zou keeren om op nieuw te steigren naar den trans,
„Om in 't heroovren van 't Geboorteland te juichen,
„Hun Erfgoed? Mij aangaande, ik roep u tot getuigen,
„Gij, heir des Hemels! of ooit overijld besluit
„Of vreeze van mijn kant de zege heeft gestuit!
„Maar Hij, die Rijksmonarch der Heemlen wordt geheeten,
„Bleef dusverre op zijn troon onwankelbaar gezeten,
„Gerugsteund door gewoonte of overjaard gezach
„Ot slaafsche volgzaamheid. Hij deed in vollen dag
„Zijn Konings-Majesteit ons schitteren in de oogen,
„Maar Hij verborg ons zijn verplettrend Alvermogen.
„Dat spoorde onze eerzucht, dat berokkende onzen val!
„Nü kennen wij de kracht, die de onze ontmoeten zal.
„Niet dagen tot den strijd, maar evenmin vertsagen,
„Wanneer de Vijand öns het eerst ten strijd mocht dagen!
„'t Is raadzaam door bedrog en list te doen, wat kracht
„Ons weigert: zoo zal Hij, die ons zijn mindren acht,
„In 't eind verstaan dat wie door overmacht verneêrde,
„Te vroeg triomfzong en ten halven triomfeerde!
„'t Getal der waerelden kan in de Oneindigheid
„Vermeerdren: een gerucht, den Hemel door verspreid,
„Verhaalt dat Hij eerlang een aardbol uit het duister
„Zal roepen, voorbestemd voor wezens, die in luister
„Des Hemels Burgerschap op zijde zullen treên.
„'t Zou mooglijk wezen, dat onze eerste tocht daarheen
„Zich richtte, al ware 't om die schepping te bespieden!
„Daarheen, of elders! Want de vlammen, die hier zieden.
„Deez' zwavelkolken, zijn voor geesten zoo als wij
„Geen eeuwge kerker. Maar wat onze toeleg zij,
.i't Rijpe eerst na wijs beraad! De vrede ging verloren,
„Want wie der onzen wil van onderwerping hooren?
„Dus, oorlog! opentlijk, of heimlijk! Zegt het voort!"

Zoo sprak de Aartsvijand. En tot staving van zijn woord,
Daar vonkelden op eens als gloênde bliksemstralen
Millioenen zwaarden rond, door even zooveel malen
Fiere englen van de heup getrokken — en de gloor,
Snel, plotsling vlamde 't ruim der diepe Helle door.
Zij lasterden Gods naam, terwijl hun stemmen trilden
Van woede, en donderden op 't koper hunner schilden
^let wapens van metaal, en brulden de oorlogskreet.
Die tergend oprees en den hemel dreunen deed.
Van verre stond een berg, wiens hooge schedel blaakte
Van felle stroomen vuurs en dampen, die hij braakte.
Voorts overdekte hem een glinsterende korst,
Onfeilbaar teeken, dat daar binnen in zijn borst
Metaal -erts school, 't gewrocht van zwavel. Derwaarts wendde
Een groot getal zijn vlucht; gelijk wanneer een bende
Van gravers, met houweel en spade, 's Konings heir
Vooruittrekt^ om een veld tot 's vijands tegenweer
te ompalen, of een schans te bouwen. Mammon leidde[49]
Die schaar, hij, van al 't heir, dat zich 't verderf bereidde,
De minstverheven geest, die uit den Hemel viel.
Want daar reeds keerden zich zijn oogen en zijn ziel
Steeds nederwaarts, veeleer betooverd door het gloren
Van 's Hemels gouden vloer, dan 't hoog genot, beschoren
Aan de eeuwge aanschouwing van des Scheppers zaligheid.
Hij, doorzijn aandrift, heeft de menschen 't eerst verleid
Om 's aardrijks middenpunt te plondren, de ingewanden
Der arme Moeder met hun eerelooze handen
Doorwroetend om een schat, tot heil van 't nageslacht
Liefst in der eeuwigheid niet aan het licht gebracht!
Met spoed werd in den berg een diepe wond geslagen,
Waaruit ze 't smijdig goud in klompen op doen dagen.
Indien nóg steeds de Hel van schatten overvloeit,
Geen wonder! daar voor 't eerst is 't kostbaar gif gegroeid!
En wie zich scharen bij de weidsche lofverkondren
Van 't menschelijk vernuft, wie Babel's pracht bewondren,
Of Memphis Koningen met schittrende eerlaurier[50]
Bekransen in hun graf, zij allen leeren hier
Hoe al die luister, al de grootste meesterstukken
Van aardsche roem en macht en kunstnaarsgaven, bukken
Voor 't werk van Englen, die, hun hoogere natuur
Ook na hun val getrouw, volmaken in een uur.
Wat stervelingen, schoon zich duizenden bewogen
In rustlooze' arbeid, in geen eeuw beginnen mogen!
Dicht bij het vlakke veld, met kolk bij kolk doorboord.
Verhit door 't vloeiend vuur, daaronder ongestoord
Uit d'afgrond wellende, wiens aadren nooit verdroogen,
Verscheen een tweede groep, met nijver kunstvermogen
Metalen smeltend, en die schiftende van-éen
Soortswijze, en schuimende van alle onreinigheên.
Een derde groep terwijl, al even ras vereenigd
Bij 't werk, groef in den grond een veelverscheiden menigt'
Van vormen, allen door een wonderlijk kanaal
Flux volgegoten met het kokende metaal,
Gelijk door de orgelkist de wind wordt voortgedreven
Door alle pijpen van het instrument. En even
Gelijk een nevel groeit, breidde, onder 't zoet geluid
Van stem en snaren, zich een trotsche tempel uit.
Met zuilenrijen en met Dorische pilaren,
Met architraven, die uit goud gegoten waren.
Met fries en kroonlijst vol van beeldwerk, overschaüwd
Door een ontzachlijk dak van 't fijnst gedreven goud.
Een Babylon, een groot Cairo ware in 't duister.
Verzonken bij dien glans, zelfs midden in den luister,
Toen zij, in wedstrijd voor hun ingebeelde goön,
Aan tempels, Belus of Serapis aangèboón.
Aan prachtpaleizen, hun monarchen toegewezen,
Millioenen spilden. Hoog en statelijk verrezen.
Stond daar die wonderbouw op duizend pijlers vast.
Een kopren dubbeldeur vloog open, en verrast
Aanschouwden de Englen nu een ruimte, niet te meten.
Gelijkvloers geplaveid. Als aan onzichtbre keten
Wiegde aan den zoldringboog een eindelooze pracht
Van kroonen, kunstgewrocht van wondre toovermacht,
Gevoed door naphta en asphalt, een lichtgewemel
Van vlammen, zilverwit, een tweede starrenhemel!
Gevleugeld stroomde nu de menigte daarheen,
Bewondrend beurt om beurt den glans dier heerlijkhêen.
En 't grootsch vernuft van heur ontwerper . De eer bestraalde
Sints lang zijn werk Omhoog, want in den Hemel praalde
Wel meer dan éen paleis, dat torenhoog verrees,
Een machtig burchtkasteel, dat hem als bouwheer prees .
Waar englen troonden, op den vorstenstoel verheven
Door d' Opperheer, die hun een scepter had gegeven
Om over de andren, elk in eigen rang en stand.
Te heerschen. Sedert werd in 't oude Griekenland
Zijn naam gevierd en zijn aanbidding niet vergeten.
Ausoniën heeft hem God Mulciber geheeten.
En fabelt van zijn val, dat, toen, vergramd, Jupijn
Hem nederslingerde, hoog over 't kristallijn
Van 's Hemels trans, hij viel van *t eerste morgenblauwen
Tot aan den middag, van den middag tot het grauwen
Des avonds, heel een dag, een langen zomerdag.
En toen de Westerzon in zee verzonken lag.
Zou hij, gelijk een star van 't zenith neêrgevaren
Op Lemnos, eiland in de Egeesche waterbaren,
Zijn neêrgeploft. — Onwaar ! Hij, met geheel zijn rot.
Zij vielen lang voorheên door d' éenig-waren God.
Wat baatte 't heden, of hij eens paleizen bouwde
In 't Hemelrijk? 't Vernuft, waarop zijn trots vertrouwde.
en, en de gramschap van den Heer
Stiet met zijn werkvolk hem in de open Helle neêr
Waar hij nu bouwen kan!

Intusschen, uitgezonden
Op 't hoog bevelwoord van hun Opperheirvoogd, stonden
Gewiekte boden op, een uitgelezen tal
Van krijgsherauten, om met luid trompetgeschal
En weidsche plechtigheid voor 't front der legertroepen
Een algemeenen Raad en Rijksdag uit te roepen
In Pandsemonium, het schitterend paleis
Van Satan en zijn Hof. Dit was des Konings eisch:
Al de edelsten naar rang of keuze uit alle benden
Des Legers moesten zich ter Raadsvergaring wenden.
Flux kwamen honderde, ja duizende aangespoed.
Op-éen-gedrongen perst de wemelende stoet
Elke oopning binnen: 't stroomt door poort en zuilengangen!
De groote prachtzaal, die niet éen meer kan ontfangen,
Schijnt een tornooiveld vol van ridders, afgericht
Een tweekamp, naadrend voor des Sultans aangezicht,
Om 't Saraceensch gebroed op zwaard of lans te dagen,
't Krioelt, omlaag, omhoog, waar 't ruisclit van vleugelslagen.
Zaagt ge ooit het bijenvolk bij lentes dageraad.
Terwijl voor 't eerste weêr de zon in 't Stierbeeld staat.
Zijn jongren drijven uit de korven? Rustloos vhegen
De zwermen af en aan, en leppen dauw, of wiegen
In bloemenkelken, of vergdren even snel
Zich op het voorplein van hun strooien citadel.
Om over staatsbelang en volksgeluk te handlen.
Zóo gaan en keeren hier, en wemelen, en wandlen
Die Geesten — tot, op ééns, een sein verandring bracht.
O, wonder! zij, nog straks reusachtiger geslacht
Dan dat der titans, die den Hemel durfden tergen,
Zij schuilen nu, verkleend tot de allerkleinste dwergen,
In de engste ruimte bij tienduizenden bij-éen: —
Niet ongelijk nu aan 't geslachte der Pygmeên,[51]
Uit Afrika, of aan die spokende elfenreien,
Wier nachtfeest, in de schaüw van een der bergvalleien,
Bij bosch of bron, soms door den herder wordt bespied,
Als, luisterend, de maan heur bleeke stralen giet
Op 't weideveld. Hij ziet de huppelende chooren:
Betoovrend murmelt hem de dansmuziek in de ooren,
Terwijl hem 't liarte jaagt van angst en zaligheid.
Zoo kromp dit Geestendom, onstoflijk uitgebreid
Tot in 't onmeetbre, nu als schaduwbeelden samen.
En waren ze in getal ontelbaar, die daar kwamen,
Straks hield de Raadzaal al hun menigten vereend.
Maar dieper binnenwaards, daar zaten, onverkleend,
In al den glans, waarvan de Hemel hen zag schijnen
Vóór hun vernedering, de hooge Serafijnen
En Cherubijnen, ver van de andren, op een troon
Van smijdig goud ter neêr, als duizend Halvegoón.
Geen enkele ontbreekt. De stilte is eindelijk herwonnen.
De dagorde is gehoord: de groote Raad begonnen!

Noten[bewerken]

Bron voor de explicatieve noten: The John Milton Reading Room: Paradise Lost (onder Creative Commons licentie)

  1. Milton: one greater Man, Jezus.
  2. De Chaos: Milton neemt hier een controversieel standpunt in tegenover de schepping ex nihilo (uit het Niets)
  3. Sion wordt in de Hebreeuwse Bijbel gebruikt als synoniem voor Jeruzalem
  4. De Heilige Geest verschijnt in het Nieuwe Testament als een duif (Johannes 1:32). Dove-like sat'st brooding on the vast Abyss And mad'st it pregnant: what in me is dark: Met zwanger maakt lijkt Milton te willen zeggen dat de Heilige Geest zich verenigde met de ongevormde materie van de Chaos.
  5. Adamantine/adamant: een term die verwijst naar een hard materiaal, zoals diamant.
  6. "Zonder hoop": zoals in Dantes Inferno: ""Laat alle hoop varen, gij die binnentreedt!"
  7. Oorspronkelijk Lucifer, "brenger van licht", werd zijn naam in de hemel veranderd in Satan, "vijand" of "tegenstander".
  8. Verwijst naar de negen rangen in de hiërarchie van engelen, drie in elk van de drie sferen. Serafijnen zijn de hoogste en Tronen derde na de Cherubijnen.
  9. Pelorus verwijst naar de actieve vulkaan Etna op Sicilië.
  10. Zalig oord: Elyseïsche velden in Elysion, verblijfplaats van de gelukzaligen, een soort hemel.
  11. Verwijzing naar de Toscaanse geleerde Galileo (1564-1642). Milton bezocht hem en zag zijn telescoop in Valdarno, in de vallei van de Arno.
  12. Milton: "from the top of Fesole, Or in Valdarno, to descry new lands,": Verwijzing naar Fiesole: een heuvelstadje in de buurt van Florence.
  13. Gevallen herfstbladeren werden in klassieke epen vaak geassocieerd met doden.
  14. Orion: sterrenbeeld, zoals in Vergilius' Aeneis geassocieerd met storm.
  15. Mogelijk bedoelt Milton met 'sedge' zeewier.
  16. Busiris: Farao die de Israëlieten achtervolgde over de Rode Zee en verdronk door de terugkerende zee.
  17. De gevallen engelen werden dus later door zondige mensen als heidense goden vereerd.
  18. Moloch: een Kanaänitische god in de Hebreeuwse Bijbel, berucht om zijn kinderoffers.
  19. Ammonieten: een niet-Hebreeuws volk uit het Midden-Oosten ten tijde van het Oude Testament.
  20. Rabba: toenmalige hoofdstad der Ammonieten in het huidige Jordanië.
  21. Argob: de landen ten oosten van de Dode Zee, nu Jordanië.
  22. Hinnom of Gehinnom: de vallei der verdoemden, waar Moloch met mensenoffers werd aanbeden.
  23. Chamos of Kamos: een Moabitische godheid voor wie Salomo een heiligdom bouwde.
  24. Nebo: een zuidelijke Moabitische stad; ook de naam van de berg vanwaar Mozes voor het eerst een glimp opving van het beloofde land Kanaän.
  25. Abarim: heuvel van Westelijk Moab, met uitzicht op de Jordaan en de Dode Zee.
  26. Hesbon en Horonaim waren Amoritische steden.
  27. Sibma: regio ten oosten van de Jordaan bekend om zijn wijn. Elealeh is een nabijgelegen stad.
  28. Josia: koning van het koninkrijk Juda van ca. 640 v.Chr. tot 609 v.Chr.
  29. Sion of Zion: Israëls beloofde land.
  30. Adonis: de Libanese rivier Adonis, rood van de modder in de zomer.
  31. Dagon: Filistijnse zeegod. Toen de Filistijnen de ark van de Heer veroverden en in de tempel van Dagon plaatsten, werd het beeld de volgende ochtend in stukken gehakt teruggevonden.
  32. Azotus, Asdod waren samen met Askelon en Ekron drie van de vijf belangrijkste steden van Filistea; de andere waren Gath en Gaza.
  33. Rimmon: Hadad, de noordwestelijke Semitische god van het weer.
  34. Damascus: hoofdstad van Syrië.
  35. Een melaatse die hem afviel: Toen de profeet Elisa de Syrische Naäman vertelde dat baden in de Jordaan zijn melaatsheid zou genezen, reageerde Naäman spottend met de vraag: "Zijn Abana en Pharpar, rivieren van Damascus, niet schoner dan al het water van Israël?" Toen hij later in de Jordaan baadde en genezen was, aanbad hij de God van Israël. Israëls koning Achaz bouwde echter een altaar voor Rimmon.
  36. Belial: in de Vulgaat synoniem voor Satan, maar hier een aparte duivel.
  37. Javan: De zoon van Japhet en dus de kleinzoon van Noach.
  38. Hemel en aarde waren volgens veel oude dichters de ouders van de Titanen. Milton trekt dit enigszins in twijfel met de term 'boasted'.
  39. Delphi: het orakel van Apollo was in Delphi, dat van Zeus was in Dodona.
  40. Adria: de Adriatische Zee.
  41. Azazel: ook gespeld als Azazael, het Hebreeuwse woord voor 'zondebok'.
  42. Chaos: In Miltons kosmologie heersten Chaos en Nacht over de 'eeuwige anarchie', de vormloze leegte tussen hel en hemel.
  43. Dwergvolk dat kraanvogels bevocht: In Ilias 3. 1-5 vergelijkt Homerus de kreten van de Trojanen met het geluid dat kraanvogels maken tijdens hun jaarlijkse stormloop naar de zee, wanneer ze pygmeeën op hun pad afslachten.
  44. Phlegra: In Metamorphosen 10. 233 van Ovidius strijden de reuzen tegen de goden op de vlakte van Phlegra in Macedonië.
  45. Uthers zoon: Arthur, zoon van Uther Pendragon.
  46. Aspramont of Montalban: Kastelen in ridderromans, locaties van grote internationale toernooien.
  47. Biserta: Legendarische versies van de geschiedenis vertellen over moslims die vanuit Bizerte in Tunesië vertrokken om het Karolingische Spanje te veroveren; eigenlijk vielen moslims Spanje binnen in 711, zo'n 30 jaar voor de geboorte van Karel de Grote.
  48. Tot in de moderne tijd werd aangenomen dat verduisteringen van Maan of Zon de val van vorsten en keizers voorspelden.
  49. Mammon: Mammon is Aramees voor 'rijkdom'. Milton zinspeelt ook op Spensers Mammon in de Faerie Queene 2.7.
  50. Memphische: Egyptische. Milton verwijst naar de grote piramides van de farao's.
  51. Plinius situeert het land van de Pygmeeën in de bergen voorbij de bron van de Ganges.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.