Economie/Toetsenbank

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Economie

  1. Inleiding
  2. Geschiedenis van het economisch leven
  3. Economische orde
  4. Bedrijfseconomie
  5. Micro-economie
  6. Macro-economie
  7. Monetaire economie
  8. Geschiedenis van het economisch denken
  9. Toetsenbank
  10. Verklarende woordenlijst

Gevraagd: iemand die dit in quiz-formaat kan overzetten.

Geld[bewerken]

  • Welke waarden hebben de 8 euromunten? (1, 2, 5, 10, 20 en 50 cent en 1 en 2 euro)
  • Noem ook de waarde van alle eurobiljetten (5, 10, 20, 50, 100, 200 en 500 euro)
  • Wie laat het geld maken? (de Europese Centrale Bank)
  • Waarvoor kun je je bank- of giromaatpas zoal gebruiken (bijv. om dingen te kopen en te betalen)
  • Hoe noem je het ruilen van dingen zonder dat er geld aan te pas komt (een directe ruil)
  • Op welke 3 manieren kun je geld gebruiken (als reken-, spaar- of ruilmiddel)
  • Noem een voordeel én een nadeel van de geldautomaat (bijv. voordeel: het gaat sneller en nadeel: mensen kunnen over je schouders meekijken om te zien wat je pincode is)
  • Door werken kun je een inkomen hebben. Op welke wijze kun je dat inkomen krijgen? (in geld of in natura)
  • Op welke andere manieren kun je inkomsten hebben? (bijv. salaris, inkomsten, vakantiegeld, winst, huur en rente)

Werken[bewerken]

  • Hoe wordt in bedrijven aan taakverdeling gedaan? (er worden afdelingen gemaakt)
  • Welke tweedeling kan gemaakt worden in de functies van werknemers in een bedrijf? (uitvoerend en leidend)
  • Wanneer wordt gesproken van een voltijdbaan? (als er 36 tot 38 uur per week wordt gewerkt)
  • Noem vier arbeidsmotieven om betaald werk te gaan verrichten (bijv. interesse, geld nodig, je moet iemand helpen of als straf).
  • Waar staat CAO voor? (Collectieve Arbeidsovereenkomst)
  • Welke kosten vergoedt de ZFW, de Ziekenfondswet? (alle kosten waardoor je niet kan werken)
  • Wat regelt de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, de WAO, precies? (die kijkt waarvoor je nog wel geschikt bent bij een bepalde baan)
  • Noem een sociale verzekering die niet alleen voor werknemers geldt, maar voor alle inwoners van Nederland (AOW)

Produceren[bewerken]

  • Wat bedoelen we met de productieweg? (de weg van grondstof tot product)
  • Waar staat BTW voor? (belasting toegevoegde waarde)
  • Aan wie moet BTW worden betaald (aan de regering)
  • Welke driedeling kan in bedrijven worden gemaakt? (dienstverlenende bedrijven, industriële bedrijven en agrarische bedrijven)
  • Noem de drie productiefactoren (natuur, arbeid, kapitaal)
  • Geef een voorbeeld van een kapitaalintensief bedrijf (bijv. computerbedrijf)
  • Wat is afzet (het aantal verkochte artikelen)?
  • Wat is omzet (de verkoopwaarde van het aantal verkochte artikelen)?
  • Hoe noemen we het verschil tussen inkoopwaarde en verkoopwaarde (brutowinst of toegevoegde waarde)
  • Geef 4 voorbeelden van bedrijfskosten (bijv. aanschaf, salaris, huur en boetes)
  • Hoe noemen we de beloning voor het werk van een winkelier? (nettowinst)
  • Wat zijn technologische ontwikkelingen? (ontwikkelingen in de techniek)
  • Wat zijn maatschappelijke kosten? (kosten die de maatschappij moet betalen)
  • Wat is recyclen? (oude dingen opnieuw gebruiken)
  • Noem een voorbeeld (van oud papier nieuw papier maken)

Consumenten[bewerken]

  • Wat wordt bedoeld met primaire behoeften? (dingen die je nodig hebt om te leven)
  • Wat zijn de drie primaire behoeften? (voeding, woning en kleding)
  • Hoe noemen we luxe behoeften ook wel? (secundaire behoeften)
  • Geef vier voorbeelden (bijv. afwasmachine, computer, televisie, mobiel)
  • Wat is consumeren? (kopen van goederen en diensten)
  • In het aanschaffen van artikelen moeten keuzes gemaakt worden. Hoe heet dit? (prioriteiten stellen)
  • Wat is een doelgroep? (de groep mensen waarvoor een artikel bedoeld is)
  • Wat is reclame? (informatie over product of gevaar)
  • Hoe heet een reclameboodschap als deze nuttige informatie geeft? (informatief)
  • En als er onjuiste informatie wordt gegeven (misleidend)

Buitenland[bewerken]

  • Noem 4 kenmerken van een ontwikkelingsland (bijv. laag inkomen, slechte infrastructuur, weinig/geen scholing, weinig eten)
  • Waarom is het gunstig voor arme landen als Europa zijn invoerrechten verlaagt? (dan komen er meer uitvoermogelijkheden)
  • Wat is de reden voor kinderarbeid (geld nodig om eten te kopen)
  • Wat zijn de gevolgen voor de kinderen (ze doen zwaar en ongezond werk en volgen geen onderwijs)
  • Noem een belangrijke reden van de lage productie in ontwikkelingslanden als Tanzania (onvoldoende geld voor aanschaf machines)
  • Rijke landen kunnen op 2 verschillende manieren hulp bieden aan ontwikkelingslanden. Noem die twee manieren en geef een voorbeeld (bijv. noodhulp: een vis en structuele hulp: een vishengel)
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.