Economie/Inleiding

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Economie

  1. Inleiding
  2. Geschiedenis van het economisch leven
  3. Economische orde
  4. Bedrijfseconomie
  5. Micro-economie
  6. Macro-economie
  7. Monetaire economie
  8. Geschiedenis van het economisch denken
  9. Toetsenbank
  10. Verklarende woordenlijst


Hieronder staan enkele onderwerpen die van toepassing zijn op een groot deel van de economie. Ook liggen zij aan de basis van wat er in de andere economische boeken besproken zal worden.

Economie[bewerken]

Economie is een sociale wetenschap die zich bezighoudt met de keuzes tussen oneindige behoeften en beperkt beschikbare (schaarse) middelen om die behoeften te bevredigen. Welke goederen en diensten produceren we? Hoe verdelen we de lasten en lusten? In de economie gebruiken we hiervoor het woord allocatie (van: bestemmen, toewijzen). Bij behoeften gaat het om alles wat we nodig hebben en wensen: van voedsel, onderdak, scholing en medische hulp tot een luxe auto en betrouwbaar advies. Over schaarse middelen: in de economie wordt niet alleen het zeldzame schaars genoemd, maar alles waarvoor iets anders moet worden opgeofferd om het te verkrijgen. Hier valt (bijna) alles onder. Grondstoffen en geld bijvoorbeeld, maar ook arbeid, tijd, ruimte, etc. (Zonlicht is niet schaars, maar een vrij goed). Alles wat schaars is, heeft per definitie waarde. De optimale verdeling van schaarste is het ultieme probleem van de economie.
De economie heeft veel deelgebieden, waarvan de belangrijkste in dit boek besproken worden. Maar eerst komen nog enkele typisch economische begrippen aan bod, die in volgende hoofdstukken worden gebruikt.

Productiefactoren[bewerken]

Om middelen te verkrijgen, zijn productiefactoren nodig: datgene waarmee we producten (goederen en diensten) produceren om behoeften te bevredigen. We kennen er vijf:

  1. Natuur: alle giften van de aarde, zon en maan, exclusief de mens zelf en diens producten. Voorbeelden zijn: zuurstof, water, klei, planten, vruchten, dieren, ijzererts, steenkool, zonne-warmte, wind, getijdewerking, kalksteen, katoen, hout. Het gaat dus zowel om de levende natuur als om dode materie.
  2. Arbeid: alle inspanningen van mensen om producten te maken: fysiek, geestelijk (denken, creativiteit), inzet van vaardigheden en van tijd.
  3. Kapitaal: Het economische begrip 'kapitaal' is veel breder dan in het normale spraakgebruik, het is veel meer dan een aardige som op de bank. In de economie is het een voorraad opgeslagen productiemiddelen, die gebruikt wordt om andere producten te maken. Denk aan gereedschap in de meest brede zin van het woord: ook bijvoorbeeld machines, fabrieken, computers, muziekinstrumenten, vliegtuigen, infrastructuur en voorraden halffabrikaten.
  4. Kennis/Informatie: is een bijzondere vorm van kapitaal, met bijzondere kenmerken: immaterieel èn tegelijkertijd door meerdere mensen te gebruiken.
  5. Organisatie/ondernemingszin: het combineren van productiefactoren om producten te kunnen maken die mensen niet in hun eentje kunnen maken; denk bijvoorbeeld aan het inrichten en coördineren van het productieproces (wie doet wat wanneer en hoe), mensen enthousiasmeren en risico's nemen (zullen de opofferingen die we nu doen later wel voldoende gecompenseerd worden?).

Allocatie[bewerken]

We gaan ervan uit dat we de behoeften kennen, en we hebben net gezien welke productiefactoren er zijn. Het volgende vraagstuk is: hoe "ontmoeten" die twee elkaar? Dan gaat het over allocatie, met vragen als:

  • Door wie/wat/hoe/waar/voor wie en hoeveel wordt er geproduceerd?
  • Welke productiefactoren worden daarvoor opgeofferd?
  • Wie beslist daarover en hoe worden die beslissingen genomen?
  • Hoe verdelen we de lusten en de lasten?

Voor het maken van allocatiebeslissingen is het onder andere nodig om opgeofferde middelen en behoeftenbevrediging te kunnen waarderen, met elkaar te vergelijken en onderling uit te wisselen, oftewel ruilen. Zou het niet handig zijn om één middel te hebben, waarmee je zowel zaken kunt waarderen, mee kunt rekenen als mee kunt ruilen? Zo'n middel is er al eeuwenlang: geld. Geld heeft nog enkele andere handige eigenschappen die in het hoofdstuk over Monetaire economie aan bod komen.

Naast geld zijn er andere hulpmiddelen om beslissingen over allocatie te nemen. Niet alles is met geld te beoordelen. Er zijn bijvoorbeeld regels, wettelijke en sociale. Een heel oude regel, die diep is ingesleten in de mensheid en die overal op de wereld wordt toegepast in situaties waar broederschap serieus wordt genomen:

"Ieder draagt bij naar zijn/haar capaciteiten en krijgt naar zijn/haar behoeften."

Deze regel wordt ook in veel gezinnen gebruikt. Kinderen krijgen bijvoorbeeld nieuwe kleren als hun oude te klein zijn geworden, niet omdat ze helpen bij de afwas. Kinderen verrichten meer huishoudelijke taken naarmate ze ouder worden; niet omdat ze dan relatief zoveel meer extra kosten, maar omdat hun capaciteiten toenemen. Ook veel samenlevingen maken gebruik van deze regel, zoals in een progressief belastingstelsel (de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten), bij sociale woningbouw en in sociale wetten als werkloosheidwet, bijstand en AOW.

Andere aspecten van allocatie:

  • Arbeidsverdeling: wie doet wat? Kan iedereen alles doen of zijn er specialisten op elk vakgebied, of iets er tussenin? Wie doet de vervelende klussen en wie mag de leuke doen? Hoe worden de lasten verdeeld?
  • Mate van autarkie: In hoeverre is er sprake van zelfvoorziening in een gemeenschap? Of ben je als groep juist afhankelijk van vele anderen voor je behoeftebevrediging?
  • Mate van concurrentie: Hoeveel anderen willen hetzelfde doel al jij bereiken en welke middelen zetten zij daarvoor in? Hoeveel anderen azen op dezelfde producten als jij en wat willen zij ervoor opofferen?
  • Markt: In de economie is het begrip 'markt' breder dan de wekelijkse markt in het plaatselijks centrum, met kramen die groenten, vis en andere waren verkopen. Het economische begrip 'markt' slaat op elke plaats, concreet of abstract, waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten en waar een prijs tot stand komt. Een markt is dus een mechanisme waarmee allocatie op een soepele manier kan verlopen.
  • Welvaartsverschillen: welvaart is de mate waarin behoeften kunnen worden bevredigd. Bij welvaartsverschillen gaat het om hoe de lusten zijn verdeeld, binnen groepen en tussen groepen. En wie bepaalt dat?

En tot slot nog twee veelgebruikte begrippen waarmee je een allocatieproces kunt beoordelen:

  1. Met zo weinig mogelijk opofferingen een bepaald doel bereiken, een bepaald aantal behoeften bevredigen.
  2. Met een gegeven aantal middelen een zo hoog mogelijk doel bereiken, zoveel mogelijk behoeften bevredigen: 'Meer is beter'.


NB Bij beslissingen spelen zelden alleen economische aspecten een rol. Uiteraard houd je bij beslissingen ook rekening met het milieu, andere mensen (hun belangen, omstandigheden, psychologie, cultuur, gezondheid en veiligheid), ethiek, wetten en vele andere zaken. Economie is niet zaligmakend! In een economieboek komen deze andere aspecten echter niet of nauwelijks aan bod. Maar als je er geen rekening mee houdt, kan het als een boemerang terugslaan. Je wilt je geweten en reputatie immers niet belasten met een volgende woekerpolis-affaire, bankencrisis of gifschandaal? Bovendien: rechters hebben meestal meer compassie met kwetsbare consumenten dan met sjoemelende bedrijven.

Modellen[bewerken]

Het vak economie probeert de werkelijkheid te analyseren en te voorspellen, aan de hand van modellen. Een model is een versimpelde (wiskundige) weergave van de werkelijkheid. Een modelauto bijvoorbeeld laat de belangrijkste delen van een echte auto zien, maar niet elk klein detail. Toch is die modelauto handig om uit te leggen wat een echte auto is, als je geen echte auto hebt. In de economie bestaan modellen uit variabelen. Een variabele is bijvoorbeeld inkomen of rentepercentage. Er zijn twee soorten variabelen: exogene variabelen komen van buiten het model en endogene variabelen zijn de variabelen die het model wil uitleggen. Als voorbeeld nemen we een simpel model dat uitlegt hoeveel geld iemand uitgeeft aan kleren als hij een bepaald inkomen heeft. Dit model heeft twee variabelen, namelijk 'uitgave aan kleding' en 'inkomen'. De endogene variabele (degene die we uit willen leggen) is in het voorbeeld 'uitgave aan kleding'. Dit willen we uitleggen voor elk gegeven niveau van 'inkomen', de exogene variabele.

Aannames[bewerken]

Een model geeft niet de hele werkelijkheid weer. Dit betekent dat sommige aspecten niet zijn opgenomen in het model, en andere voor waar worden aangenomen. De uitspraak 'Een model is zo goed als zijn aannames' geeft aan dat dit een belangrijk onderwerp is. Een zeer belangrijke veronderstelling in de economie is bijvoorbeeld, dat mensen rationeel handelen, d.w.z. met hun verstand handelen. Hoewel dit lang niet altijd opgaat (anders zou men geen impulsaankopen doen, zou marketing veel minder effect hebben e.d.), helpt dit ons wel om veel dingen te verklaren.
In modellen komt ook vaak de aanname ceteris paribus voor. Dit betekent letterlijk 'de overige omstandigheden gelijkblijvend'. Deze aanname wordt gebruikt om de invloed van één exogene variabele op één endogene variabele uit te leggen.
(De begrippen "aanname", "veronderstelling", en "vooronderstelling" worden in de tekst door elkaar gebruikt en hebben dezelfde betekenis.)

Waarde[bewerken]

Zoals we hierboven kunnen lezen, heeft praktisch alles (een bepaalde) waarde. Maar wat is waarde precies? En welke waarde kennen we toe aan een product? We beginnen met de vraag: Wat is iets waard?
Het antwoord is vrij simpel: Iets is zo veel waard als je denkt dat het waard is. Als een jas €100 kost, maar je wilt er niet zo veel voor betalen (bijvoorbeeld omdat je al een jas hebt), is die jas voor jou niet zo veel waard. Voor iemand die dat wel wilt betalen (die geen jas meer heeft), is de jas wel €100 waard. Beide mensen hebben een ander nut van die jas. De economische waarde wordt bepaald door hoe groot de stijging in het nut van de consument is. De stijging in nut wordt marginaal nut genoemd.
Nut is in de economie een abstract begrip om het begrip waarde uit te leggen. De hoeveelheid nut is niet telbaar, men kan niet zeggen: die auto heeft 150 nut voor mij. Maar nut kan wel op een andere manier gebruikt worden: Voor iemand die in een huis met elektriciteit woont heeft een computer meer nut dan voor iemand zonder elektriciteit.
Marginaal nut betekent hoeveel extra nut je krijgt van een extra product. Marginaal nut neemt in de regel af, de eerste jas die iemand koopt is heel nuttig, maar het extra nut van de derde jas is al een stuk kleiner.

Voor de verkoper ligt het net iets anders, nut is voor hem een bron van inkomen. De afweging die hij moet maken is: Als ik meer tijd in dit product stop, stijgt de prijs die ik ervoor kan krijgen dan evenredig?

Producenten, tussenhandelaren, verkopers en kopers kunnen allemaal een andere waarde aan een product hechten. Deze waardes zijn allemaal subjectief (uitgaande van persoonlijke smaak en voorkeur). Hoe komt de uiteindelijke verkoopwaarde tot stand? Dat gebeurt op de markt.

Markten[bewerken]

Deze paragraaf is verplaatst naar het hoofdstuk Micro-economie.

Geld[bewerken]

Geld is een zeer belangrijk en ingewikkeld begrip in de economie. Het wordt uitgebreid behandeld in het hoofdstuk Monetaire Economie.
[De tekst die hier eerder stond is in dat hoofdstuk geïntegreerd.]

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.