Economie/Economische orde

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Benodigde voorkennis:

Economie

  1. Inleiding
  2. Geschiedenis van het economisch leven
  3. Economische orde
  4. Bedrijfseconomie
  5. Micro-economie
  6. Macro-economie
  7. Monetaire economie
  8. Geschiedenis van het economisch denken
  9. Toetsenbank
  10. Verklarende woordenlijst

Ook wel: economisch systeem.

In dit hoofdstuk gaat het over de manier waarop de economie van een maatschappij is geordend en ingericht, welke geschreven en ongeschreven regels er gelden bij de allocatie. Met vragen als: Hoe worden behoeften, beschikbare middelen, productie en consumptie op elkaar afgestemd? Hoe worden economische handelingen op elkaar afgestemd, hoe wordt economische wanorde voorkomen? Hoe is het verkeer tussen de verschillende huishoudingen, (productie- en consumptiehuishoudingen en de overheid, ook onderling) georganiseerd? Hoe wordt bepaald wat en hoeveel wordt geproduceerd (bepalen consumenten dat, of stuurt de overheid daarin; oftewel: in hoeverre is er Consumentensoevereiniteit), wie eigenaar van productiemiddelen is, wie beslist, wie profiteert, wie betaalt (niet alleen met geld, maar ook met tijd, inspanningen, inzet van productiefactoren)? Hoe worden de opbrengsten over de verschillende productiefactoren verdeeld, hoe wordt de inzet van productiefactoren beloond; wie krijgt welk deel van de koek en waarom?

Institutie
Een centraal begrip bij economische orde is 'institutie': een formele of informele regel die het gedrag en de interactie binnen een groep beperkt. Instituties kunnen onzekerheid in een maatschappij verminderen. Het kan bijvoorbeeld gaan om religieuze en culturele waarden en normen, wetten en rechtspraak, registers (zoals het kadaster), contracten, Cao's, toezicht, spaarzin, betaalgewoonten, reguliere school- en kantoortijden. Welk gedrag van anderen kan ik verwachten? Hoe gaan we met afspraken om? Kan ik erop vertrouwen dat een verkoper, werkgever, werknemer, bank of accountant de boel niet belazert? Wie houdt daar toezicht op, waar kan ik met klachten terecht en worden klachten dan ook serieus genomen? In hoeverre zijn corruptie en maffiapraktijken geaccepteerd? Kan ik ervan uitgaan dat ik een faire prijs betaal en naar behoren betaald krijg voor mijn inzet en inspanningen? Geldt de regel: Voor wat, hoort wat? In hoeverre krijgt iedereen gelijke kansen? Bestaat er vertrouwen dat mijn moeizaam vergaarde rijkdom mij niet zomaar wordt afgepakt? Geldt de wet voor iedereen, ook voor grote multinationale ondernemingen?
Bij de beschrijvingen van economische orden hierna wordt het begrip institutie niet meer expliciet genoemd, maar wordt wel aandacht besteed aan waar het voor staat.

Beschrijving van enkele uiteenlopende economische orden
In het hoofdstuk over Geschiedenis van het economisch leven hebben we al vier verschillende economische orden gezien: die van Jagers/verzamelaars, Herders/veenomaden, Zelfvoorzienende landbouw en Stadseconomie. In dít hoofdstuk gaat het om de verschillende vormen van economische orden die bestaan (hebben) voor landen en staten. Dit gebeurt aan de hand van hetzelfde model als bij Geschiedenis van het economisch leven.

Mercantilisme[bewerken]

Mercantilisme is een economische politiek die erop gericht is om de rijkdom van het eigen land te vergroten door de import klein te houden en de export zo groot mogelijk te maken. De import is vooral gericht op ruwe en goedkope grondstoffen, terwijl de export bestaat uit hoogwaardige eindproducten die in eigen land zijn vervaardigd. Dit vereist een krachtige binnenlandse nijverheid die hoogwaardige eindproducten kan vervaardigen. Het hebben van koloniën is daarbij een pré, want die kunnen goedkope grondstoffen leveren èn als afzetgebied dienen. De concurrentie wordt buiten de deur gehouden door hoge invoerrechten op buitenlandse industriële goederen en, in het geval van Engeland in 1651, bovendien via de Act of Navigation, die letterlijk buitenlandse scheepvaart op afstand hield. De overheid speelt een actieve rol in dit geheel.
Consumentensoevereiniteit wordt beperkt: consumenten worden op allerlei manieren aangemoedigd om vooral binnenlandse producten te kopen, importgoederen zijn expres duurder.

Economische factoren
Productiefactoren

Natuur: Landbouwproducten zijn minder waardevol dan nijverheidsproducten; landbouwproducten kunnen dus tegen lage prijzen worden verkocht, zodat ook de lonen laag kunnen blijven.
Arbeid: Arbeiders hoeven niet méér te verdienen dan het bestaansminimum; goed betaalde arbeiders worden alleen maar lui.
Kapitaal/gereedschap, informatie en kennis komen in het verhaal niet voor.
Organisatie/ondernemingszin: de overheid organiseert de economie en werkt nauw samen met handelaren.

Productie-omvang: De productie is vooral gericht op een hoge export van hoogwaardige nijverheidsproducten.

Behoeftebevrediging en Welvaartsverschillen zijn afhankelijk van de positie in de maatschappij: de elite heeft het goed voor elkaar, boeren en arbeiders leven op het bestaansminimum.

Allocatie: De overheid stimuleert het vervaardigen van hoogwaardige nijverheidsproducten, goedkope landbouwproducten en lage lonen.

Mate van autarkie: Het land is afhankelijk van het buitenland voor ruwe grondstoffen, de binnenlandse productie is voor een deel gericht op zelfvoorzienendheid.
Arbeidsverdeling: naar sociale positie in de maatschappij.
Allocatiemiddelen: regels, wetten, uitgevaardigd door de vorst; daarnaast geld.
Mate van concurrentie: de binnenlandse productie wordt beschermd tegen concurrentie uit het buitenland.
Marktwerking wordt beperkt door hoge invoerrechten op eindproducten.

Risico's van de nijverheid worden beperkt door de invoer te beperken.

Voorbeelden:
De bloeitijd van het Mercantilisme was tussen 1600-1800, vooral in Frankrijk en Engeland. Maar ook in de 20e en 21e eeuw werd de politiek van kleine import en hoge export nog wel toegepast, bijvoorbeeld in Japan tussen 1970 en 1985[1] en de pogingen van de Amerikaanse president Trump in 2018 om de import van staal en andere metalen aan banden te leggen.

Kolonialisme[bewerken]

Economisch systeem waarbij de kolonie ten dienste staat aan het moederland. De kolonie leverde grondstoffen, landbouwproducten, edelmetalen, slaven en wat het moederland nog meer kon gebruiken. De inheemse bevolking had er weinig over te zeggen, moest vaak zware arbeid verrichten, zowel op het land als in de mijnen, en moest met lede ogen toezien hoe hun land werd leeggeroofd. De overheid van het moederland ondersteunde kolonisatie.

Economische factoren, bezien vanuit de kolonie:
Productiefactoren

Natuur staat ten dienste van de kolonisator, die bepaalt wat er wordt verbouwd. Meestal worden landbouwgronden omgevormd tot plantages met monoculturen.
Arbeid: De inheemse bevolking werd gedwongen voor de kolonisator te werken, hard te werken, lange dagen te maken, tegen een schamel loon, zonder ontsnappingsmogelijkheden.
Kapitaal/gereedschap: Aangezien arbeid vaak goedkoper was dan investeringen in dure machines, werd aan de arbeiders alleen het hoogstnoodzakelijke gereedschap ter beschikking gesteld.
Informatie en kennis: Onderwijs was afhankelijk van de kolonisator. In het algemeen werd de bevolking dom gehouden en leidden missionarissen lagere scholen.
Organisatie/ondernemingszin: alleen door de kolonisator. De Nederlandse VOC stamt uit de tijd van de kolonisatie. Kolonisatie zelf en daarna het vervoer van de producten uit de kolonie naar het moederland vergden een aanzienlijke kapitaal, dat niet door één persoon of familie was op te brengen. Daarom werd, voor de eerste keer ter wereld, een aandelenvennootschap opgericht in 1602: de Verenigde Oost-Indische Compagnie, VOC. Ruim een eeuw heeft dat de Hollanders geen windeieren gelegd.

Productie-omvang: Gestreefd werd naar maximale opbrengst.
Behoeftebevrediging: De opbrengsten en de winsten waren voor de kolonisator, de inheemse bevolking leed een karig bestaan.
Allocatie: De productie werd volledig bepaald door de kolonisator, de opbrengsten werden naar het moederland verscheept. De inheemse bevolking kreeg net genoeg om van te leven.

Mate van autarkie: De kolonisator was afhankelijk van de producten van de kolonie. Als er in de kolonie een monocultuur was gevestigd, was de kolonie afhankelijk van importen voor de dagelijkse levensbehoeften, wat de inheemse bevolking zich vaak niet kon veroorloven.
Arbeidsverdeling: De kolonisator was de baas, de inheemse bevolking deed het zware werk.
Allocatiemiddelen: De kolonisator bepaalde wie er werkte, wanneer, hoe lang, wat er gedaan werd en hoe de opbrengst werd verdeeld.
Mate van concurrentie: Vanaf de 15e eeuw ondervonden kolonisators concurrentie van andere West-Europese landen. Elk land wilde een stuk van de wereld veroveren, het alleenrecht om kostbare goederen (zoals specerijen, goud, zilver, porselein) uit een bepaald gebied te verhandelen.
Markt: Voor de kolonisator was de thuismarkt in West-Europa het belangrijkste. Dáár verkocht hij zijn kostbare goederen uit de kolonie.
Welvaartsverschillen waren enorm: de rijke kolonisator versus de arme inheemse bevolking.

Risico's waren er vele, vooral de verliezen van schepen, hun bemanning en hun lading tikten steeds zwaar aan, maar ook de verovering van eigen koloniën door andere landen.

Voorbeelden
Kolonialisme kwam al voor bij de Feniciërs en de antieke Grieken. De Grieken stichtten vanaf de 8e eeuw v. Chr. kolonies[2] omdat ze zelf nauwelijks vruchtbaar land hadden; ze moesten daarom voedsel van elders halen.
Vanaf de 15e eeuw koloniseerden veel West-Europese landen, van Portugal tot Duitsland, gebieden in Amerika, Afrika, Azië en Oceanië, zie Europese kolonisatie.

Centraal geleide economie, planeconomie, communisme[bewerken]

De machthebbers hebben totale controle over de bevolking, meestal via geheime diensten, verklikkers, politie en het monopolie op communicatiemiddelen (krant, tv, radio, internet, telefoon). Zij leggen een officiële ideologie op die iedereen moet aanhangen en die al met de paplepel wordt ingegeven; ook het schoolsysteem is ervan doordrenkt. Wie tegenspartelt, krijgt strenge en barre straffen opgelegd. Er is een groot leger, militaire parades zijn geliefd bij de leider. Verkiezingen zijn een wassen neus. Gewoonlijk is er één massapartij die geleid wordt door één man die alles bepaalt. Het staatsapparaat is strikt hiërarchisch georganiseerd, vrijwel zonder inbreng van onderaf. Het is ja-knikken en gehoorzamen.

De economie wordt centraal bestuurd, op staatsniveau. Er worden aan bedrijven jaarlijkse hoge productieplannen opgelegd. De staat of de partij (wat in veel gevallen hetzelfde is) bepaalt wat en hoeveel er wordt geproduceerd. In het communisme was privébezit verboden en waren fabrieken, winkels, banken, spoorwegen, land, boerderijen en vee genationaliseerd.
Consumentensoevereiniteit staat op een zeer laag pitje. Consumenten kunnen alleen kopen wat in staatswinkels aanwezig is, wat vaak weinig is en van slechte kwaliteit. Hongersnood is niet uitgesloten, vooral op het platteland, bijvoorbeeld als de gehele oogst moet worden ingeleverd en de boerenbevolking zelf te weinig overhoudt om van te leven.

Economische factoren
Productiefactoren

Natuur is ondergeschikt aan de staatsideologie en dus aan de productieplannen; desnoods moeten schapen in de winter worden geschoren om aan de wolquota te voldoen, ook al vriezen die dan vervolgens dood.
Iedereen verricht arbeid, er is officieel geen werkloosheid.
In het communisme waren de productiemiddelen (kapitaal, gebouwen, gereedschap) officieel gemeenschappelijk eigendom, in feite besliste de staat over aanschaf en gebruik.
Informatie en kennis: bij voorkeur alleen wat voor de productie noodzakelijk is; het is gevaarlijk om meer te weten dan wie hoger in de hiërarchie staat. Transparantie is ver te zoeken, er wordt alleen informatie verspreid die de machthebbers welgevallig is.
Ondernemingszin is niet aan de orde.
De organisatie van de productie wordt voorgeschreven door ambtenaren en is daardoor niet altijd efficiënt. De opbrengst is voor de staat, elk krijgt vervolgens salaris of een uitkering.

Productie-omvang is in de regel afhankelijk van de inzet van de productiefactoren; in centraal geleide economieën is hij echter afhankelijk van het jaarplan: van hogerhand wordt voorgeschreven wat wordt geproduceerd.
Behoeftebevrediging is afhankelijk van de beschikbaarheid van consumptiegoederen. Aangezien die door het jaarplan wordt voorgeschreven, kan er mismatch zijn, zowel qua hoeveelheden, als qua soorten producten. Consumptiegoederen die niet in de ideologie passen, worden niet aangeboden, ook al zou de bevolking die toch graag willen hebben, denk bijvoorbeeld aan modieuze spijkerbroeken (Amerikaans!) in de communistische tijd.
Allocatie wordt vrijwel volledig bepaald door de staat of de partij: investeringsbeslissingen, wat geproduceerd wordt en in welke hoeveelheden, prijzen. Machthebbers belang hebben bij lage lonen en dus zijn de prijzen laag. Lage prijzen leiden in de regel tot veel vraag; hierdoor kunnen er lange rijen ontstaan voor de meest elementaire goederen. Luxe goederen liggen meestal buiten bereik van gewone mensen en zijn alleen voor de geprivilegieerden.

Vaak streeft een centraal geleid land naar autarkie, zodat het onafhankelijk is van het buitenland. Even zo vaak lukt dat niet en worden jaarplannen afgestemd op export, opgebracht door de bevolking, voor bijvoorbeeld import van luxe goederen voor de geprivilegieerden.
Beroepskeuze en arbeidsverdeling worden van hogerhand voorgeschreven. Er is in beperkte mate ruimte voor een beroep dat bij iemands capaciteiten past. Intellectuelen zijn vaak niet gewenst en worden gerust als fabrieksarbeider of landarbeider ingezet.
Allocatiemiddelen bestaan vooral uit veel regels en toewijzingen (bijvoorbeeld van schaarse huizen); geld dient vooral als betaalmiddel, het salaris gaat op aan primaire levensbehoeften.
Concurrentie wordt tegengegaan: voor elke productsoort is er één merk: het staatsmerk. Er is maar één keuze: ja of nee. Concurrentie gaat vooral om goederen, ervoor zorgen dat je op tijd in de juiste rij staat of op de juiste (toewijzings)lijsten komt; en het gaat om de minder vervelende banen die ook weer door toewijzing worden verdeeld.
Markten bestaan officieel niet, hooguit een plaatselijke markt met kramen, waar per product de prijzen zijn vastgesteld die gelden voor elke kraam die dat product verkoopt. Prijzen, hoeveelheden en kwaliteiten worden door jaarplannen vastgesteld, niet op markten zoals die worden besproken in het hoofdstuk Micro-economie. Wel is er levendige zwarte handel.
Welvaartsverschillen: er is meestal een kleine groep bevoorrechten, de rest van de bevolking zouden we als arm bestempelen, de welvaartsverschillen tussen hen onderling zijn klein.

Risico's worden zo veel mogelijk uitgesloten. Wel bestaat het risico van grote tekorten op allerlei gebied, maar die worden van hogerhand ontkend.

Voorbeelden
Voormalige Sovjet-Unie, Noord-Korea, China onder Mao Zedong.
Meer informatie: Wikipedia-lemma Totalitarisme

Kapitalisme[bewerken]

Ook wel: markteconomie, vrijemarkteconomie.
Iedereen is verantwoordelijk voor het eigen huishouden, gezin en levensonderhoud. Alle volwassenen zorgen in principe voor zichzelf en hun eigen jonge en studerende kinderen. In sommige landen, zoals in Duitsland, hebben kinderen ook nog zorgplicht voor hun bejaarde ouders. In veel andere landen zorgt de staat voor bejaarden en arbeidsgehandicapten, al of niet met hulp van de eigen kinderen of andere mantelzorgers. De beroepsbevolking bestaat uit alle volwassenen vanaf het moment dat zij hun opleiding hebben afgerond tot aan hun pensionering.

Men is vrij in het produceren van producten, mits aan wettelijke voorschriften wordt voldaan (zoals arbo- en milieunormen en etiketteringvoorschriften). Ondernemers willen het hoogste rendement uit geïnvesteerd kapitaal halen (vandaar de naam Kapitalisme). Dit betekent dat zij producten vervaardigen die door afnemers zijn gewild, en dat zij die tegen een optimaal hoge prijs verkopen, om de winst zo hoog mogelijk te maken en daarmee het rendement op geïnvesteerd kapitaal. Normaliter resulteert dit in een groot en divers aanbod van goederen en diensten.
Consumentensoevereiniteit is de norm, ieder is vrij in het bestellen en kopen van producten naar eigen keuze en inzichten. Wie daarvoor geld heeft, kan producten op maat laten maken. Vraag- en aanbodmechanismen zorgen voor de onderlinge afstemming van de economische beslissingen (zie voor een toelichting: de paragraaf Markten in het hoofdstuk Micro-economie). Dit betekent dat uiteindelijk consumenten gezamenlijk de productie bepalen.

De overheid verzorgt de productie van zaken die "de markt" laat liggen of waarvan het onwenselijk is om door de markt te laten regelen, zoals politie, leger en buitenlandse betrekkingen. Essentieel voor het kapitalisme is bovendien een goed functionerend rechtssysteem, georganiseerd door een onafhankelijke partij: de overheid. Waarin o.a. zijn geregeld: eigendom, contractrecht (zodat afspraken nagekomen worden) en octrooirecht (zodat een bedrijf zijn investeringen in onderzoek en ontwikkeling kan terugverdienen). De overheid heft belastingen om haar taken te financieren. Inkomstenbelasting is in de regel progressief: wie meer verdient, betaalt procentueel méér belasting. Ook kan de staat bijdragen leveren in de vorm van kinderbijslag, studiefinanciering, pensioenen (in Nederland: AOW) en toeslagen voor huisvesting en zorg. Ook houdt de overheid toezicht op markten, zodat er eerlijke concurrentie is, en werknemers, consumenten en de natuur worden beschermd.

Economische factoren[bewerken]

Productiefactoren

De natuur staat ten dienste van de economie. Onderhoud van deze productiefactor heeft een lage prioriteit.
Arbeid: Iedereen van de beroepsbevolking heeft een baan of is ondernemer om geld te verdienen voor het eigen levensonderhoud en dat van het eigen gezin. Uitzonderingen zijn arbeidsgehandicapten en werklozen, die onder voorwaarden een uitkering van de staat ontvangen.
Kapitaal/gereedschap: de productiemiddelen zijn in handen van particulieren, meestal ondernemingen. Goed gereedschap is van vitaal belang voor ondernemingen. Dit stimuleert verbeteringen en vernieuwing van kapitaalgoederen.
Ook informatie en kennis zijn van vitaal belang, zowel voor individuen (hoe beter opgeleid en hoe meer ervaring, hoe beter de kansen op de arbeidsmarkt zijn) als voor ondernemingen (hoe beter de producten aansluiten bij de behoeften van afnemers, hoe beter de afzetkansen zijn).
Ondernemingszin is de sleutelfactor in het kapitalisme. Wie de beste kansen ziet en die aangrijpt om iets nieuws èn gewilds te produceren, kan hoge winsten maken.
Organisatie van de productie is gericht op effectief en efficiënt produceren.

Productie-omvang is maximaal en mede afhankelijk van de conjunctuur, de stand van de economie op een gegeven moment.
Behoeftebevrediging is afhankelijk van inkomsten en vermogen. Wie de meeste middelen heeft, kan de hoogste prijzen betalen en/of de meeste producten kopen en zo de meeste materiële behoeften bevredigen.
Allocatie: De individuele economische subjecten bepalen voor een groot deel de allocatie. Prijzen komen tot stand via het marktmechanisme. De opbrengsten van de productie, de winsten, worden verdeeld over de eigenaren en andere geldschieters. De overheid is vooral een scheidsrechter op afstand die de contouren schetst en waarborgt waarbinnen ondernemers kunnen opereren. Toezichthouders op allerlei gebied zien er op toe dat bedrijven eerlijk concurreren en de belangen van consumenten waarborgen. Er is enige mate van herverdeling via belastingen en uitkeringen voor de zwakkeren in de samenleving.

Mate van autarkie: laag. Het systeem stimuleert het kopen van goedkope buitenlandse producten meer dan het kopen van dezelfde, maar duurdere, producten uit de eigen regio. Bovendien produceren landen dat wat ze relatief goedkoop kunnen doen ten opzicht van andere landen (een Mediterraan land kan goedkoper wijn en olijfolie produceren dan één in een gematigd klimaat), waardoor er ook tussen landen een zekere mate van specialisatie ontstaat, wat export en import extra bevordert.
Arbeidsverdeling: Men is vrij in de keuze van beroep en onderneming. Maar ook daar gelden de wetten van vraag en aanbod: wie beter toegerust is voor een beroep, in termen van opleiding, ervaring, vaardigheden en persoonlijkheid, zal beter slagen in het vinden van een goede baan of als ondernemer. Men is vrij in het wisselen van baan en beroep en tussen dienstverbanden en eigen onderneming. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden zijn een kwestie van vraag en aanbod, Cao's en onderhandelingen. Adagium: het beste uit jezelf halen.
Allocatiemiddelen bestaan vooral uit geld: wie het meeste geld heeft, kan het meeste aanschaffen en zo bepalen wat er geproduceerd wordt. Daarnaast zijn er regels en andere instituties, waaronder handelsrecht, vakbonden, productschappen en consumentenbonden, die de allocatie in goede banen leiden. Tot slot is er de overheid die zorgt voor uitkeringen voor wie die nodig heeft.
Mate van concurrentie: hoog. Concurrentie wordt gestimuleerd om de beste producten tegen de laagste prijzen voort te brengen.
Markt: Vraag en aanbod ontmoeten elkaar op de markt. Daar komen prijzen tot stand en daar worden producten verkocht. Behoeften, beschikbare middelen, productie en consumptie ontmoeten elkaar dus op de markt, waar de allocatie plaats vindt.
Welvaartsverschillen kunnen zeer groot zijn, maar zijn mede afhankelijk van de vorm van kapitalisme in een land.

Risico's: Een ondernemer heeft een eigen bedrijf dat producten vervaardigt en verkoopt voor eigen risico. Het risico van overproductie en onverkoopbare producten is voor de onderneming.

Prototypen van het kapitalisme[bewerken]

Het kapitalisme kent verschillende vormen, van snoeihard tot sociaal gericht. Hier behandelen we de twee voornaamste: het Angelsaksische model en het Rijnlandse model.

1. Het Angelsaksische model
Het Angelsaksische model komt onder andere voor in de Angelsaksische landen de Verenigde Staten van Amerika en het Verenigd Koninkrijk. Het centrale uitgangspunt is, dat de overheid zo min mogelijk ingrijpt in de economie en dat ondernemingen zoveel mogelijk hun gang kunnen gaan. De verwachte uitkomst bestaat uit zo goedkoop mogelijke producten en welvaart voor allen. Langzamerhand daagt echter het besef dat dit model vooral rijkdom voor de happy few betekent en armoede voor vele anderen.

2. Het Rijnlandse model
Het Rijnlandse model komt voor in veel West- en Midden-Europese landen, waaronder de Benelux-landen. Het kapitalisme kan er zijn heilzame werk doen, maar de scherpe kantjes worden er afgehaald, waardoor het geaccepteerd blijft. De werking van de markt wordt ingeperkt en verzacht door de overheid, bedrijven worden gedwongen om verder dan het hier en nu te kijken. Dit alles in de vorm van regelgeving, toezicht en een stelsel van sociale uitkeringen waardoor in principe niemand onder het bestaansminimum komt. Overheid, bedrijfsleven en werknemers werken bovendien relatief harmonieus samen (in Nederland bijvoorbeeld in de Sociaal-Economische Raad, de SER). Vakbonden bieden tegenwicht tegen uitbuiting door werkgevers, consumentenorganisaties stellen publiekelijk slechte producten aan de kaak, klachteninstituten fungeren als laatste vangnet voor wie bot vangt bij bedrijven. Een risico is overregulering, wat innovatie kan tegenhouden.
De uitkomsten zijn in vergelijking met het Angelsaksische model: minder grote welvaartsverschillen, minder schrijnende armoede, een praktisch voor iedereen betaalbaar zorgstelsel, grotere zorg voor het milieu en navenant grotere overheidsuitgaven.

Tot slot[bewerken]

Conclusie[3]
Een land is geen onderneming. De economie van een land is niet zomaar in één of twee getallen samen te vatten en te rangschikken tegenover andere landen. Landen hebben uiteenlopende ideeën over de inrichting van hun samenleving en economie. Dat kan resulteren in een collectivistisch systeem met hoge belastingen en veel sociale voorzieningen of in een op-eigen-krachtsysteem met lage belastingen en amper vangnetten. De economische keuzes van de overheid zijn een direct uitvloeisel van deze opvattingen. Eén aspect, bijvoorbeeld belastingdruk, innovatiekracht, of R&D-investeringen, eruit lichten en die met andere landen vergelijken, zegt dus weinig.

Economische wetenschap en economische orde
Nu volgen vier hoofdstukken, die de kernvakken van de economische wetenschap vormen: Bedrijfseconomie, Macro-, Micro- en Monetaire economie. Hier ligt de focus vrijwel uitsluitend op het Kapitalistische systeem. Er wordt bijna zonder uitzondering impliciet van deze economische orde uitgegaan.
Met de focus op het kapitalisme verschuift ook de gebruikte vakterminologie. Het gaat minder over behoeften, opoffering van middelen en allocatie en meer over winst, winstmaximalisatie, rentabiliteit, kosten, kostensoorten èn geld. Alles wat in afwegingen meegenomen wordt, moet in geld worden uitgedrukt, anders telt het niet of minder mee.

Van harte aanbevolen[bewerken]

  • Economic Systems and Macroeconomics: Crash Course Economics #3, zie https://www.youtube.com/watch?v=B43YEW2FvDs&index=3&list=PL8dPuuaLjXtPNZwz5_o_5uirJ8gQXnhEO [Korte inleiding in economische systemen. Met Nederlandse ondertiteling; duur: ± 10 minuten.]
  • Ontstaan & groei van de economische systemen van het neolithicum tot de eindtijd / Joh. de Vries. - Amsterdam: Boom, 2011. - ISBN: 9789461054708 [Algemene inleiding, chronologische geschiedenis van de economische systemen]
  • Where to invade next / Michael Moore. - 2015. [Documentaire film over verschillen tussen het kapitalisme in de USA en enkele Europese landen. De film duurt ± 2 uur, ga ervoor zitten en geniet! De DVD is onder andere te leen via een openbare bibliotheek in Nederland.]
  • Kapitalisme, Socialisme en Democratie / Joseph A. Schumpeter. Haarlem: De Haan, 1979 (3e dr) [Vert. van: Capitalism, Socialism and Democracy]. Leesniveau: gevorderde studenten economie.


Over kolonialisme:

  • Max Havelaar, of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij / Multatuli [pseud. voor Eduard Douwes Dekker]. - Amsterdam: De Ruyter, 1860. [Politieke roman over een Nederlandse bestuurder in Nederlands-Indië, die het onrecht tegen de Javanen aan de kaak stelt. Leesniveau: hoogste klassen VWO.]


Geraadpleegde bronnen[bewerken]

  • [voor de paragraaf over het communisme:] Nomaden in Centraal-Azië / Ruben Smit [samenst.]. - Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen, 1994. ISBN: 9068322532
  • Ontstaan & groei van de economische systemen van het neolithicum tot de eindtijd / Joh. de Vries. - Amsterdam: Boom, 2011. - ISBN: 9789461054708.
  • Overzicht van de Nieuwe Geschiedenis : de algemene geschiedenis van het einde der middeleeuwen tot 1870 / D.J. Roorda.- Groningen: Wolters-Noordhoff, 1983. - ISBN: 9001762131.
  • Diverse Wikipedia-websites, waaronder:



Bronnen, noten en/of referenties
  1. Ontleend aan het Wikipedia-lemma Japan
  2. Ontleend aan: Ontstaan & groei van de economische systemen van het neolithicum tot de eindtijd / Joh. de Vries. - Amsterdam: Boom, 2011. - ISBN: 9789461054708. p. 40
  3. Ontleend aan: Ranglijstjes slaan nergens op / Merijn Rengers en Sheila Sitalsing. In: de Volkskrant d.d. 31 mei 2003
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.