Economie/Macro-economie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Benodigde voorkennis:

Economie

  1. Inleiding
  2. Geschiedenis van het economisch leven
  3. Economische orde
  4. Bedrijfseconomie
  5. Micro-economie
  6. Macro-economie
  7. Monetaire economie
  8. Geschiedenis van het economisch denken
  9. Toetsenbank
  10. Verklarende woordenlijst

Inleiding en economische kringloop[bewerken]

Bij macro-economie kijken we naar de economie op het niveau van landen. Hoe doen landen het economisch gezien? Landen maken daarvoor elk jaar een Verlies- & Winstrekening op met als uitkomst het nationale inkomen. Maar hier houdt de vergelijking met een jaarverslag op: er bestaat niet zoiets als een nationale balans, waarin alle bezittingen en schulden staan vermeld. Hooguit maken overheden een overzicht met de overheidsschulden, maar dan gaat het over de overheid, niet over een land als geheel. Wel zijn er enkele andere indicatoren waaruit je kunt opmaken wat de economische stand van het land is. Dit hoofdstuk gaat allereerst over het nationale inkomen en daarna komen enkele van die andere indicatoren aan bod.

Van het nationale inkomen wordt hieronder vermeld hoe het is opgebouwd, oftewel verdiend, hoe het wordt uitgegeven, hoe de onderdelen samenhangen en hoe het over de jaren heen schommelt. De samenhang wordt weergeven in de economische kringloop. Een vereenvoudigd model ziet er zo uit:

Eenvoudig kringloopmodel

Bedrijven leveren goederen en diensten aan huishoudens (bovenste pijl). In ruil daarvoor krijgen ze geld in de vorm van Consumentenuitgaven (tweede pijl). Producten worden geproduceerd met productiefactoren die huishoudens leveren: niet alleen arbeid, maar ook land, gebouwen en kapitaal (onderste pijl). De huishoudens worden daarvoor gecompenseerd met loon (voor arbeid), huur en pacht (voor vastgoed en land) en rente en dividend (voor kapitaal), zie derde pijl.

Nationale rekeningen[bewerken]

Maar dit is niet alles wat er in de economie gebeurt. Bedrijven leveren onderling, bijvoorbeeld kapitaalgoederen en grondstoffen. Ze handelen ook met het buitenland: ze kopen er producten (import) en ze verkopen hun eigen producten (export). Daarnaast speelt ook de overheid nog een rol: ook zij produceert producten (van wegen tot veiligheid en veel meer) en int belastingen. Tenslotte sparen consumptiehuishoudingen. Als dit allemaal in één schema zou staan, zou dat onoverzichtelijk worden. Daarom zijn de Nationale rekeningen bedacht: een samenhangend geheel van (grote) matrixen waarin het economisch proces van een land voor een bepaald jaar in cijfers wordt gevat, inclusief de handel met het buitenland. Eén matrix bevat het input-/output model waarin per bedrijfstak wordt aangegeven welke handel er onderling is geweest. Bekijk de meeste recente Nationale rekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek op zijn website https://www.cbs.nl/.

Nationaal inkomen (Y)[bewerken]

Het nationale inkomen geeft een beeld van wat er in een jaar verdiend is in een land. Het is de som van de primaire inkomens van de inwoners van een land [1]. Het gaat dan om lonen, winsten, pachten, huren, dividenden en de per saldo ontvangen renten. In het nationale inkomen zijn niet de uitkeringen, toeslagen en subsidies van de overheid opgenomen, zoals AOW, werkloosheidsuitkering, zorgtoeslag, kinderbijslag en huursubsidie. Daarbij gaat het om herverdeling van inkomen, niet om primair verdiend inkomen. Om een idee te geven: het Nederlandse nationale inkomen was in 2016 zo'n 702 miljard euro[2], ongeveer € 41.160 per hoofd van de bevolking [3].
Het nationaal inkomen kan bruto of netto worden bepaald, dat wil zeggen inclusief of exclusief de vervangingsinvesteringen of het verbruik van vaste activa (ook wel afschrijvingen genoemd; zie bij Verlies- & Winstrekening). Een vervangingsinvestering dient ter vervanging van verouderde of versleten kapitaalgoederen. NB in veel gevallen zal de scheidslijn tussen uitbreiding en vervanging vager zijn: een investering zal zelden alleen vervangingsinvestering zijn: zelfs als je het oude model nog kunt kopen, zul je toch liever een nieuw model hebben, met betere mogelijkheden.
De meest gebruikte grootheid, ook internationaal, is bruto binnenlands product, BBP. Dit is de som van alles wat in een land wordt geproduceerd, inclusief vervangingsinvesteringen en inclusief door de overheid opgelegde prijsverhogende en verlagende belastingen zoals BTW, accijnzen, importheffingen en subsidies. De veelgebruikte Engelse term is GDP, gross domestic product.
Het nationaal inkomen zoals in dit hoofdstuk verder wordt besproken, is dit bruto nationaal product.

Eenvoudig macro-economisch model[bewerken]

Om het nationaal inkomen te kunnen bestuderen zijn er macro-economische modellen opgezet en in de loop der jaren uitgebouwd en verfijnd. Hier wordt het basis-model besproken. Dat bestaat uit twee onderdelen: hoe het nationaal inkomen is opgebouwd en hoe het wordt uitgegeven.

Het nationale inkomen wordt aangeduid met de letter Y. Het is als volgt opgebouwd:

Y = C + I + O + E - M
C = Consumptiegoederen en -diensten
I = Investeringen
O = Overheid: productie van collectieve goederen en diensten (zie Micro). Internationaal: G van Government
E = Export = uitvoer van producten naar het buitenland
M = Import = invoer van producten uit het buitenland; óók bijvoorbeeld de uitgaven die toeristen in een vakantieland doen (kijk bij import en export naar hoe de geldstromen lopen: bij invoer lopen die naar het buitenland)

En zo wordt het door huishoudingen uitgegeven:

Y = C + S + T
C = Consumptiegoederen en -diensten
S = Besparingen, het deel van het beschikbare inko¬men dat niet is uitgegeven. Dat kan bijvoorbeeld bij een bank in be¬waring worden gegeven om tegen rente weer aan producenten te kunnen worden uitgeleend. Of worden geïnvesteerd in aandelen en andere beleggingsobjecten. Ook pensioenpremies worden als besparingen gezien.
T = Belastingen (in het Engels: T, van tax)

Nu worden deze componenten afzonderlijk besproken. Hoe zijn ze opgebouwd, waarvan zijn ze afhankelijk, hoe reageren ze op veranderingen? Hierbij is helaas een beetje kennis van wiskunde nodig.

Consumptie (C)[bewerken]

De consumptiefunctie luidt: C = cY + Ca, waarbij c een getal tussen 0 en 1 is en Ca groter dan 0 is. Oftewel: de consumptie in een bepaald jaar is afhankelijk van de hoogte van het inkomen (cY), en zal altijd minimaal Ca zijn. cY wil zeggen dat de consumptie een c-gedeelte van Y zal zijn (als c = 0,3, en Y = 100, dan cY = 30). Hoe hoger het inkomen is, hoe meer er geconsumeerd wordt. Ca is een autonoom vastgesteld bedrag, onafhankelijk van het inkomen. Ook als er geen inkomen is, zal er nog Ca geconsumeerd worden. Deze Ca zal dan betaald worden uit eerdere een besparing (waarbij dan ontsparing optreedt) of uit nieuwe leningen. Iedereen wil immers eten en een dak boven zijn hoofd, óók als hij geen inkomen heeft.
In 2016 waren de totale consumptieve bestedingen in Nederland zo'n € 484 miljard, ruim 2/3 van het nationale inkomen. Deze consumptieve bestedingen omvatten zowel die door consumptiehuishoudens als die door de overheid en instellingen zonder winstoogmerk. De consumptie door alleen consumptiehuishoudens was in 2016 € 311 miljard in Nederland, zo'n 44% van het bruto nationale product.

Investeringen (I)[bewerken]

In de macro-economie worden investeringen als autonoom gezien; ze worden beschouwd als niet beïnvloedbaar door bijvoorbeeld het nationale inkomen of de vraag naar consumptiegoederen. Wel zijn ze afhankelijk van de rentestand: hoe hoger de rente, hoe minder investeringen er gedaan zullen worden. Rente is immers een kostenpost voor bedrijven. Voor investeringen zullen ze financiering moeten vinden. Of ze dat nu via een lening bij een bank doen, via de uitgifte van aandelen of op een andere manier, richtinggevend daarvoor is de rentestand. Hoe hoger de rente, hoe minder winst ze met een investering zullen maken en hoe minder rendabel een investering zal zijn. Alleen de investeringen met de hoogste netto-opbrengsten zullen dan overblijven. De formule voor I is:

I = Ia -ßi
Waarbij:
Ia = autonome investeringen, bedrag groter dan 0
ß = (hoog) getal
i = rentestand

-ßi betekent: er is een negatief verband tussen de hoogte van de investeringen in een bepaald jaar en de rentestand; hoe hoger de rente, hoe lager de investeringen, en omgekeerd.

Andersom is het toekomstig nationale inkomen wel afhankelijk van investeringen die nu worden gedaan. Meestal zal het immers zo zijn dat investeringen pas in latere jaren volop in productie zijn en ook dan pas geld opleveren. De grootheid Investeringsquote helpt daarbij. De investeringsquote is het quotiënt van de bruto-investeringen en het bruto nationaal inkomen, dus I/Y. Om een indruk te geven: in Nederland schommelt die rond de 20%. Dat wil zeggen dat ± 20% van het nationaal inkomen wordt uitgegeven aan (of opgebouwd door) investeringen. Als deze quote voor opeenvolgende jaren wordt berekend, zijn er trends te ontdekken. Als de investeringsquote over de jaren heen dalend is, is dat geen goed teken voor de economie. In de toekomst zal er dan waarschijnlijk minder geproduceerd en dus minder verdiend gaan worden. Andersom geeft een stijgende investeringsquote blijk van optimisme en kan er in de toekomst juist meer worden geproduceerd en verdiend.
In 2016 waren de bruto investeringen in vaste activa in Nederland zo'n € 140 miljard euro, door bedrijven, huishoudens en de overheid tezamen.

Export (E), Import (M) en de Betalingsbalans[bewerken]

De export (E) wordt als autonoom beschouwd, niet afhankelijk van een andere factor uit het model.

In 2016 was de export in Nederland ± € 579 miljard, zo'n 82% van het nationale inkomen, in België was dit 83% (€ 351 miljard export)[4]. Export is dus zeer belangrijk voor de Nederlandse en Belgische economie. Ter vergelijking: in de 28 landen van de EU is de export gemiddeld 44% van het nationale inkomen, in grotere landen als Duitsland en Amerika[5] 46% resp. 12%, wat ook logisch is omdat zij meer binnenlands "exporteren", naar andere Länder (deelstaten) resp. staten.

De export is van vele factoren afhankelijk: de factoren die in het algemeen bij verkoop al gelden, zoals voorkeuren, de prijs en kwaliteit van producten en de wereldwijde concurrentie, maar ook specifieke factoren die samenhangen met zaken doen in het buitenland, zoals wisselkoersen, importheffingen, douane-hindernissen, buitenlandse regelgeving (die strenger of anders kan zijn dan in eigen land) en culturele aspecten (van het belang van een uitgebreid zakelijk netwerk, ander tijdbesef en betalingsgewoontes tot religieuze gevoeligheden en corruptiepraktijken).

De totale bijdrage (toegevoegde waarde) van de export aan het nationale inkomen is veel minder dan de eerder vermelde 83% voor Nederland, namelijk zo'n 32%[6] in Nederland in 2016. Het verschil met die 83% bestaat uit doorvoerhandel (goederen die ingevoerd zijn en daarna weer uitgevoerd worden naar een ander land) en uit goederen die tijdelijk in het buitenland zijn om een behandeling te ondergaan en daarna weer terugkomen[7].

De import (M) houdt idealiter gelijke tred met de export. In Nederland (en Duitsland) is dat niet zo: de export is veel hoger dan de import. De Nederlandse import was in 2016 € 502 miljard, slechts 87% van de export, 72% van het nationale inkomen. België deed het altans in 2016 wat dat betreft beter met € 345 miljard (98% van de export).
In het macro-economische model is de Import afhankelijk van het nationale inkomen:

M = mY

waarbij m een getal is tussen 0 en 1 en de Importquote wordt genoemd. Oftewel: m = M/Y: de verhouding tussen import en nationaal inkomen. Dit getal geeft aan hoe belangrijk de handel met het buitenland is en hoe open de economie van een land is. Voor grote landen is deze quote in de regel lager dan voor kleine landen.

Export en import worden tegenover elkaar gezet in de betalingsbalans. Een betalingsbalans vermeldt de waarde van de uitvoer en invoer van een land in een bepaald jaar. We noemen het een (betalings)balans, maar eigenlijk is het een overzicht van uitgaven en inkomsten gedurende een bepaald jaar.

De betalingsbalans bestaat uit drie onderdelen:
1. Lopende rekening; deze heeft betrekking op inkomensvorming. Hij bestaat uit:

  1. Goederenbalans, met transacties die stoffelijke goederen betreffen
  2. Dienstenbalans, bijvoorbeeld: toerisme, scheepvaart, luchtvaart, auteursrecht
  3. Inkomensrekening (voorheen: kapitaalopbrengstenba¬lans); betreft beloningen voor het ter beschikking stellen van productiefactoren (zoals salarissen, dividenden, rente, winsten, pachten, huren) èn
  4. Inkomensoverdrachtenrekening: betaalde en ontvangen bedragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat ("om niet", zoals ontwikkelingshulp, uitkeringen en geld dat naar familieleden in het buitenland wordt gestuurd).
De eerste twee, de Goederen- en Dienstenbalans, vormen samen de Handelsbalans.
Het saldo op de lopende rekening is E - M. De lopende rekening heet "actief" als E > M.

E en M hebben uitsluitend betrekking op de goederen- en dienstenbalans, niet op de andere soorten balansen.

2. Kapitaalrekening (voorheen: kapitaalbalans) weerspiegelt de veranderingen in het vermogen van een land. Betreft Nederlandse (of Belgische) investeringen en beleggingen in het buitenland, resp. buitenlandse investeringen en beleggingen in Nederland (of België), daarnaast verleende en ontvangen kredieten en aflossingen, schenkingen, aan- en verkoop van effecten. In 2016 ontving Nederland € 847 miljard aan kapitaaloverdrachten en betaalde € 1889 miljard.

3. Goud- en deviezenbalans (salderingbalans; sluitpost; een boekhoudkundige noodzaak om de betalingsbalans altijd in evenwicht te krijgen). Als er meer is geïmporteerd dan geëxporteerd, zal een land deviezen (valuta) moeten betalen aan het buitenland. Andersom zal een land per saldo geld krijgen van het buitenland als de export hoger is dan de import. Goud wordt overigens niet meer gebruikt voor betalingen.

Voorbeeld van een betalingsbalans (met fictieve cijfers)
Debetposten: transacties die ertoeleiden dat een land van het buitenland betalingen ontvangt.
Creditposten: transacties die ertoe leiden dat een land aan het buitenland betalingen verricht.

Betalingsbalans


NB Een saldo lijkt altijd "aan de verkeerde kant" op een balans te staan! Dus in het voorbeeld staat het betaalde bedrag aan deviezen aan de debet-zijde, ook al zijn de andere posten aan de debet-kant ontvangen bedragen.

Zoals al even aangestipt, is het nastrevenswaardig om op de Lopende rekening een saldo van nul te hebben. Wat gebeurt er namelijk als er structureel een overschot (meer export dan import) of een tekort is?
­

  • Voortdurend tekort: het land moet steeds meer lenen in het buitenland om de rekeningen te kunnen betalen. Het land leeft boven zijn stand. Het bouwt dus torenhoge schulden op, die hij eens zal moeten terugbetalen. Gevolgen: een overschot aan diens munten op de wereldmarkt. De regel is: hoe meer aanbod, hoe lager de prijs, dat geldt ook voor valuta. Dus uiteindelijk zal de munt devalueren, minder waard worden ten opzichte van andere munten, waardoor producten voor het buitenland goedkoper worden. (Buitenlanders kunnen de betreffende valuta immers goedkoper aanschaffen. Hierdoor zullen ook automatisch diens producten goedkoper worden, wat in de regel leidt tot meer export. Import wordt juist duurder, want importeurs moeten meer betalen voor buitenlandse valuta, waardoor automatisch buitenlandse producten duurder worden). Voorbeeld: Verenigde Staten sinds jaar en dag[8].
  • Structureel overschot: het omgekeerde. Het land houdt buitenlandse valuta over. Diens munt zal uiteindelijk revalueren (duurder worden ten opzichte van andere munten), waardoor exportproducten duurder worden (en de export vermindert) en import goedkoper. Dat heeft negatieve gevolgen voor de binnenlandse werkgelegenheid. Voorbeeld van structureel overschot: Nederland en Duitsland. Alleen werkt het mechanisme van revaluatie en verminderde export niet meer omdat er in de eurozone ook landen met een structureel tekort zijn, waardoor de koers van de euro in evenwicht blijft.

Overheid (O of G)[bewerken]

Zoals bij Micro-economie is beschreven, produceert ook de overheid producten, vooral collectieve goederen voor algemeen gebruik, en verleent zij subsidies. De uitgaven voor deze overheidsproducten worden in het model opgenomen onder de letter O (of G in internationale modellen).

De financiële huishouding van de overheid staat bekend onder de term Openbare financiën. Het gaat daarbij niet alleen om overheidsinkomsten, overheidsuitgaven, budgetten en de financiering van de staatsschuld, maar ook om economisch beleid, de invloed die de overheid kan hebben op het economische leven: op de verdeling van een deel van het nationale inkomen (bijvoorbeeld met als uitgangspunten: de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten, financiële en andere ondersteuning bieden aan wie dat nodig heeft), het stimuleren en afremmen van bepaalde productie (minder vervuilend en juist meer innovatief en duurzaam) en consumptie.

De overheid kan haar uitgaven financieren via belastingen en andere inkomsten, maar zij kan ook lenen, meestal via staatsobligaties. De gulden financieringsregel luidt dat lopende uitgaven gedekt worden met lopende ontvangsten (zoals belastingen) en dat mag worden geleend voor investeringen waarvan de maatschappij langere tijd profiteert (zoals de aanleg van infrastructuur en gebouwen). Op deze manier betalen toekomstige generaties mee aan de investeringen waarvan ook zij profiteren en brengen huidige generaties de lopende bestedingen op.

Belastingen (T)[bewerken]

Om haar uitgaven te kunnen bekostigen, int de overheid belastingen, sociale-verzekeringspremies en heffingen en leent zij, meestal via staatsobligaties. De leningen blijven in dit model buiten beschouwing. Hier gaat het alleen om de belastingen en andere heffingen. Deze belastingen zijn idealiter gelijk aan de overheidsuitgaven.

In het eenvoudige model wordt uitgegaan van vlaktax (d.w.z.: voor iedereen geldt hetzelfde belastingarief) en worden belastingschijven en mensen die minder dan de belastingvrije som verdienen genegeerd. De wiskundig functie voor belastingen is dan:

T = t(Y -Ta)
t = een getal tussen 0 en 1
Ta = de belastingvrije som.

Het belastingtarief (t) geldt dus over het inkomen maar niet over belastingvrije som (Ta).

Besparingen (S)[bewerken]

Uit de definitie van S, dat deel van het inkomen dat niet is/wordt besteed aan C en T, volgt dat:

S = Y - C - T; oftewel:
S = Y - (cY + Ca)) - t(Y -Ta))
S = (1-c)Y - Ca) - tY + tTa)
S = (1-c-t)Y - Ca) + tTa)

S bestaat dus uit een gedeelte van Y waarvan de vaste consumptie-component nog wordt afgetrokken en een gedeelte van de belastingvrije som wordt bijgeteld. In de praktijk zou het van behoorlijk bestuur kunnen getuigen om Ca en Ta ongeveer gelijk te laten zijn (zodat iedereen aan de basisbehoefte kan voldoen).

De spaarquote is het deel van het inkomen dat wordt gespaard; in het macro-economisch model: S/Y, eventueel vermenigvuldigd met 100% om procenten te krijgen. Een negatieve spaarquote geeft aan dat er ontspaard is, dat gespaard geld is opgenomen.
Enkele cijfers [9] om een indruk te geven:

Land Laagste spaarquote Hoogste spaarquote Gemiddeld 2010-2016
België 13,1% (2011 en 2016) 19,4% (1995) 12,7%
Nederland 10,0% (2007) 17,5% (1995) 13,5%
EU (28) gemiddeld 11,0% (2007) 13,1% (2009) 11,2%

Tabel: Spaarquotes in België, Nederland en de EU

De besparingen zijn niet alleen afhankelijk van het inkomen, maar ook van de rente: hoe hoger de rente, hoe meer mensen willen sparen, terwijl ze bij een lage rente meer zullen uitgeven aan consumptie. De rente is niet in dit model verwerkt.

IS-curve[bewerken]

Besparingen (S) en Investeringen (I) hangen in de macro-economie nauw samen. Met spaargeld kunnen investeringen worden gefinancierd. Banken kunnen spaargeld uitlenen aan bedrijven voor investeringen. Zowel S als I zijn afhankelijk van de rentestand en het nationale inkomen of de productie (Y). Hoe hoger Y is, hoe meer consumenten willen sparen en hoe lager de rentestand daardoor wordt. Hoe lager de rentestand is, hoe meer producenten willen investeren en hoe hoger daardoor Y wordt. In een grafiek ziet dat er zo uit:

IS-curve

Dit is een bijzondere grafiek, anders dan we gewend zijn: het is in feite een combinatie van twee grafieken in één. De groene IS-curve geeft de combinaties van Y en i weer waarbij er evenwicht bestaat in de reële economie. Het is een dalende lijn. Als Y stijgt, zullen de besparingen stijgen (hoe hoger iemands inkomen, hoe meer hij/zij kan sparen) en dan zal de rente dalen omdat er aanvankelijk immers meer spaargeld is dan er vraag is naar leningen voor investeringen. De rente daalt net zolang totdat hij zo laag is, dat de investeringen en besparingen weer gelijk zijn. Immers: hoe lager de rente, hoe meer investeringsvoorstellen een positieve uitkomst zullen laten zien.

Conjunctuur: goede en slechte tijden[bewerken]

In de economie zijn perioden te onderscheiden waarin het goed gaat en waarin het minder goed gaat. Deze golfbeweging wordt conjunctuur genoemd. Officieel is het: de op- en neergaande beweging van de economie binnen een periode van vijf tot tien jaar.[10] Oftewel: de golfbeweging in de hoogte van het nationaal inkomen.

Conjunctuurcyclus


Er zijn vier fasen te onderscheiden:

  1. Opleving/expansie (Expansion in het Engels): er is een opgaande lijn waar te nemen: de productie en investeringen nemen toe, bankleningen zijn gemakkelijk verkrijgbaar, de werkloosheid neemt af, er is een sfeer van algemeen optimisme.
  2. Hoogcunjunctuur (Boom in het Engels), ook wel hausse: het blijft maar goed gaan totdat de top wordt bereikt. Er heerst overoptimisme en massale euforie (o.a. de verwachting dat de huizen- en aandelenprijzen altijd blijven stijgen), er ontstaan bubbels (of zeepbellen) op de woningmarkt en de effectenbeurzen en overproductie in de reële economie. Men gaat onverantwoorde risico's nemen, zoals aandelen kopen met geleend geld, iedereen wordt aangespoord mee te doen. Hoe langer het goed gaat met de economie, hoe meer risico's consumenten en bedrijven nemen met geleend geld, en hoe minder buffers aangehouden worden.
  3. Recessie (Recession in het Engels): de bubbel barst, vaak met een beurscrach, plotseling is het vertrouwen in de economie weg. Er is economische crisis: banken verstrekken nauwelijks nog nieuwe kredieten, de verkopen dalen, economische krimp, er ontstaan liquiditeitsmoeilijkheden. De broekriem moet worden aangehaald, zowel bij consumenten en bedrijven als bij de overheid. Er wordt op grote schaal gesaneerd, er vallen veel ontslagen, de werkloosheid en het aantal faillissementen stijgen. Pessimisme.
  4. Depressie of laagconjunctuur (Depression in het Engels): het gaat steeds slechter, totdat het dieptepunt in de conjunctuurgolf is bereikt. Er is hoge werkloosheid, relatief lage productie en zowel consumenten als overheid houden de hand op de knip.

Hierna begint de cyclus weer opnieuw, als eerste met een voorzichtige groei.
Overigens zijn de perioden niet zo gelijkmatig verdeeld als de grafiek doet voorkomen: er kunnen langere perioden van groei en kortere van neergang zijn of juist omgekeerd.
O ja: als iemand tijdens een hoogcunjunctuur weer eens beweert dat er nooit meer een recessie komt omdat er nu toch immers ... (elke keer worden andere argumenten gebruikt): geloof hem niet! Deze cyclus bestaat al eeuwen en zal niet zomaar veranderen in een constant stijgende lijn.[11]

Hoe kunnen overheden het beste reageren op de conjunctuur? Daar zijn economen het niet over eens. Grofweg zijn er twee kampen:

  • John Maynard Keynes (1883-1946; belangrijk Engels econoom ten tijde van de grote depressie in de jaren '30 van de 20e eeuw) en zijn volgelingen, die anticyclusbeleid voorstaan:
    • in goede tijden: voorkómen van overhitting van de economie en als overheid zuinig aan doen, d.w.z.: zorgen voor een begrotingsoverschot (bijvoorbeeld door tijdelijke belastingverhoging en minder overheidsuitgaven), aflossing van de staatsschuld en voorzieningen opbouwen (zoals een AOW-potje);
    • in slechte tijden: stimuleren van de economie, d.w.z. als overheid meer uitgeven dan er binnenkomt en zo de bestedingen op peil houden (bijvoorbeeld met grote infrastructurele werken of door de belastingen tijdelijk te verlagen waardoor de koopkracht van consumenten wordt vergroot).
In de praktijk blijkt dit beleid lastig uit te voeren omdat overheidsbegrotingen en belastinghervormingen in het parlement niet zo snel zijn door te voeren als economisch gewenst is. Ook is het lastig om omslagpunten in de economie te constateren. Als de overheid dat moment verkeerd inschat, ontstaat juist het gevaar van procyclisch beleid, dus stimuleren in goede tijden en bezuinigen in slechte tijden.

Kortom: er is geen eenduidig advies voor overheden. Als overheden het laten afweten of er ondanks overheidsingrijpen geen verbetering van de economie optreedt, dan kunnen centrale banken hun trucendoos nog opentrekken, zie hiervoor het hoofdstuk Monetaire economie, onderdeel Instrumenten van de centrale bank.


Ondanks deze schommelingen is er, in ieder geval in de Westerse wereld, op de langere termijn een situatie van economische groei.

Economische groei[bewerken]

Economische groei is de toename van economische activiteit vergeleken met een eerder meetpunt. De meest gebruikte indicator is de toename van het bruto binnenlands product (BBP) per hoofd van de bevolking (per capita) over een bepaalde periode, gecorrigeerd voor inflatie.

Een belangrijke motor voor economische groei is innovatie. Innovatie is een vernieuwing die succesvol wordt toegepast. Innovatie kan op vele manieren tot stand komen: een nieuwe technologie waarmee nieuwe producten worden gemaakt, verbetering van bestaande producten, efficiënter productieproces, efficiënter logistiek proces (bijvoorbeeld: in plaats van wekelijkse bevoorrading overgaan naar dagelijkse bevoorrading; er hoeven dan niet of nauwelijks meer voorraden te worden aanhouden, bijna alle producten gaan direct naar de winkel; hierdoor is er minder magazijnruimte nodig en ook is het risico op producten met verlopen datums kleiner), nieuwe marketingtechnieken of -kanalen en efficiëntere en effectievere administraties door automatisering.

Innovatie kan een keten van creatieve destructie in gang zetten. Creatieve destructie werkt als volgt: Het eerste bedrijf dat met een nieuwe toepassing op de markt komt, is vaak spekkoper als die innovatie aanslaat. Hij geniet dan tijdelijk van marktmacht, kan hoge prijzen vragen en geniet zo van hoge winsten (zie Monopolie). Andere bedrijven gaan daarna vaak proberen om ook een stuk van deze taart te bemachtigen. De achterblijvers die niet de bakens verzetten, leggen normaliter het loodje (denk aan Kodak, ooit marktleider met fotorolletjes, die de digitale fotografie nota bene uitvond, maar deze niet verder ontwikkelde en uiteindelijk bijna het loodje legde omdat de concurrentie de oude methode uit de markt drukte met de nieuwe technologie). Voorbeelden van creatieve destructie:
1) grammofoonplaten → CompactDisks → streaming;
2) vaste telefoontoestellen → mobiele telefoons → smartphones.
Creatieve destructie geldt niet alleen voor een bepaald product, maar ook voor voor toeleveranciers voor het maken van dat product, leveranciers van complementaire producten en detailhandel. Voorbeeld: Met de opkomst van streaming en de verplaatsing van de verkoop van CD's naar online-verkooppunten, verdwenen ook de CD-winkels uit het straatbeeld en werd de productie van CD-spelers en het aantal verkooppunten daarvan drastisch verlaagd.

Weer terug naar het meten van economische groei. Het vergelijken van twee opeenvolgende BBP's per capita toont alleen de groei van het nationale inkomen dat officieel gemeten is. Alle andere productie is niet in het nationale inkomen (Y) opgenomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om:

  • onbetaald werk, zoals mantelzorg, vrijwilligerswerk, verzorgen en opvoeden van (eigen) kinderen en het eigen huishouden runnen;
  • betaalde productie buiten de statistieken om, zoals informele handel (via ruilnetwerken en websites als Marktplaats) en zwarte circuits (zoals drugshandel, afpersing en contant betaalde arbeid zonder facturen om belasting te ontwijken - denk aan de werkster en aan bouwvakkers die op zaterdag bijklussen).

Ook geeft een inkomen niet aan, wat er voor opgeofferd moet worden dat niet in geld is uit te drukken, zoals:

  • het aantal gewerkte uren
  • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de inzet van dieren, de uitputting van zee, grond en mijnen, vervuiling van het milieu, e.d.
  • de verdeling van het nationale inkomen over de bevolking.

Het kan dus een vertekend beeld geven om van slechts één indicator uit te gaan. Daarom zijn er andere indicators bedacht. Het in stand houden van de productiefactor natuur komt er in de economische wetenschap helaas bekaaid af. De hieronder besproken indicators gaan dan ook over twee andere productiefactoren: arbeid en kapitaal. Aan bod komen arbeidsproductiviteit, werkloosheid en de verdeling van het nationaal inkomen.

Arbeidsproductiviteit[bewerken]

In de regel geldt: hoe meer uren iemand werkt, hoe hoger de productie is (tot een bepaald optimum, waarna de marginale opbrengst daalt). De arbeidsproductiviteit is een maatstaf om aan te geven hoeveel er per gewerkt uur wordt geproduceerd. Vaak wordt die uitgedrukt in de toegevoegde waarde per uur.
De arbeidsproductiviteit kan worden verhoogd door:

  • Scholing: hoe hoger en beter opgeleid de bevolking is, hoe moeilijker de taken kunnen zijn die zij uitvoeren en hoe complexer en hoogwaardiger de producten. In het algemeen is het zo dat complexere producten een hogere toegevoegde waarde hebben dan eenvoudige. Een pc of laptop levert bijvoorbeeld veel meer toegevoegde waarde op dan een eenvoudige rekenmachine.
  • Specialisatie: wie één taak uitvoert of één (soort) product maakt en daarin bedreven is, kan meer produceren, dan wie elke keer moet omschakelen naar een volgende fase in het productieproces of zijn/haar aandacht moet verdelen over meerdere taken en producten.
  • Meer of beter gereedschap, machines en software te gebruiken, kortom de inzet van kapitaalgoederen. Bedenk bijvoorbeeld hoezeer de arbeidsproductiviteit van boeren verhoogd werd na de aanschaf van landbouwmachines (ten opzichte van handmatig graan oogsten of koeien melken) en van schrijvers en secretaresse na de invoering van tekstverwerkers.

Enkele cijfers[12] om een indicatie te geven: Als de arbeidsproductiviteit in de hele Europese Unie (28 landen) op 100 (index) wordt gesteld, dan geldt over de periode 2008-2016:

  • Luxemburg heeft de hoogste arbeidsproductiviteit met een gemiddelde van 179,2
  • België en Nederland komen op de 3e resp. 5e plaats met gemiddeld 137,7 resp. 130,9
  • Bulgarije is de hekkensluiter: gemiddeld 42,4.

Dit betekent dat dezelfde toegevoegde waarde in Luxemburg ruim vier keer zo snel wordt bereikt als in Bulgarije: in één uur produceert een Luxemburger 4,2 maal zoveel toegevoegde waarde als een Bulgaar (elk in hun eigen land).

De arbeidsproductiviteit gaat alleen over gewerkte uren. Wie werkloos is of anderszins inactief (zoals bejaarden, arbeidsongeschikten en renteniers) wordt niet opgenomen in deze statistieken. Het kan dus zijn, dat een land een hoge arbeidsproductiviteit heeft, maar ook veel inactieven.

Werkloosheid[bewerken]

Werkloosheid is een situatie waarin iemand zonder betaald werk is, maar daar wel naar op zoek is en daarvoor ook beschikbaar is. Werkloosheid wordt uitgedrukt in absolute aantallen en in een percentage van de totale beroepsbevolking. Om een indruk te geven: enkele werkloosheidspercentages van de Europese Unie[13]:

Land Laagste werkloosheids% Hoogste werkloosheids%
België 7,0% (2008) 8,5% (2014)
Nederland 3,7% (2008) 7,4% (2014)
EU (28 landen) gemiddeld 2.9% (2017) 7,3% (2010)
Tsjechië 2.9% (2017) 7,3% (2010)
Griekenland 7,8% (2008) 27,5% (2013)

Tabel: Werkloosheidspercentages 2006-2017 in de EU (selectie)

In Nederland schommelde de werkloosheid tussen 2003 en 2017 tussen 318.000 (2008) en 660.000 (2014) werklozen[14].

Werkloosheid kan verschillende vormen aannemen:

  • Frictiewerkloosheid bestaat altijd wel op een arbeidsmarkt, ook in een hoogconjunctuur: het duurt immers enige tijd voordat een werkloze een baan heeft gevonden die past bij zijn/haar capaciteiten en het duurt ook enige tijd voordat een vacature is vervuld.
  • Seizoenswerkloosheid is een periodiek terugkerende werkloosheid die seizoensgebonden is, bijvoorbeeld in de agrarische sector (oogsttijd) en de toeristenbranche.
  • Conjuncturele werkloosheid ontstaat in tijden van laagconjunctuur. Als het weer beter met de economie gaat, verdwijnt dit soort werkloosheid.
  • Structurele werkloosheid is ernstiger. Deze ontstaat als vraag en aanbod op de arbeidsmarkt structureel niet op elkaar aansluiten. Dit kan gebeuren als de werkloze beroepsbevolking niet (meer) is gekwalificeerd voor de banen die werkgevers aanbieden, of als er structureel te weinig bedrijvigheid is om de beroepsbevolking van banen te voorzien. Structurele werkloosheid kan bijvoorbeeld ontstaan door mechanisatie, automatisering en het verplaatsen van productie naar elders, maar ook als de beroepsbevolking onvoldoende is opgeleid of er te weinig ondernemingszin bestaat, waardoor het starten en uitbreiden van ondernemingen achterblijft bij wat wenselijk is.

Verdeling van inkomens over de bevolking[bewerken]

Een hoog nationaal inkomen, hoge productiviteit en lage werkloosheid zijn mooi, maar als slechts een kleine bovenlaag profiteert van het verdiende inkomen, wordt de rest van de bevolking daar niet gelukkig van. Daarom tot slot nog twee invalshoeken voor de verdeling van het nationale inkomen binnen landen. Als eerste: twee indicatoren voor de spreiding over lage en hoge inkomens: zit daar extreem veel verschil tussen of valt het wel mee? En als tweede een indicator voor de verdeling van het inkomen over de productiefactoren arbeid en kapitaal.

1. Mate van inkomensongelijkheid[bewerken]

Hoe zijn de inkomens verdeeld over de bevolking, ongeacht om welk soort inkomen (lonen, winsten, pachten, huren, rente) het gaat? Wat verdient de 10% met de laagste inkomens en hoeveel die met de hoogste 10% in een land? Voor de inkomensverdeling in een land zijn twee indicators ontwikkeld: de Lorenz-curve en de Gini-coëfficiënt.

De Lorenz-curve

Lorenz-curve

De Lorenz-curve is een grafiek waarmee de mate van inkomensongelijkheid wordt weergegeven. In de grafiek wort met cumulatieve percentages gewerkt, zowel op de x-as (de inkomenstrekkers) als op de y-as (het inkomen). Hij geeft aan hoeveel procent van het inkomen wordt verdiend door een bepaald percentage van de bevolking. Hieruit kan bijvoorbeeld worden afleid: dat de 10% mensen met de laagste inkomens 2% van het nationale inkomen verdienen. Of: de 5% mensen met de hoogste inkomens verdienen 20% van het nationale inkomen.

Hoe krommer de rose curve, hoe ongelijker het nationale inkomen over de bevolking is verspreid.

Om een idee te geven, staat hieronder een tabel met percentages verdeeld over steeds 20%-groepen, maar dan niet-cumulatief[15]. Dus de 20% inkomenstrekkers met de laagste inkomens (1e kwintiel) ontvingen in België in 2016 9,1% van het nationaal inkomen; de volgende 20%-groep (2e kwintiel) 13,9% en zo verder.

2016 1e kwintiel 2e kwintiel 3e kwintiel 4e kwintiel 5e kwintiel
België 9,1 13,9 18,4 23,5 35,1
Nederland 9,2 14,1 17,9 22,6 36,1
EU (28) 7,7 13,2 17,6 22,9 38,5
Laagste 5th qintiel (minst ongelijk): Slowakije 9,3 15,2 18,8 23,0 33,7
Hoogste 5th qintile (meest ongelijk): Bulgarije 5,6 11,4 16,2 22,6 44,2

Tabel: Inkomensverdeling in enkele EU-landen

Om deze cijfers cumulatief te maken en in een Lorenz-curve te laten passen, moeten ze nog horizontaal worden opgeteld. Bijvoorbeeld voor België: de 40% mensen met de laagste inkomens (de 1e en 2e kwintielen) verdienen samen 9,1% + 13,9% = 23% van het nationale inkomen. En de 80% mensen met de laagste inkomens (1e t/m 4e kwantielen) verdienen samen 9,1% + 13,9% + 18,4% + 23,5% = 65,9%.

De Gini-coëfficiënt vat de Lorenz-curve van een land samen in één getal tussen 0 en 1 (of tussen 0 en 100, dan als percentage). Hoe dichter bij 1 (of 100 bij een percentage), hoe ongelijker de verdeling. (Zie Gini-coëfficiënt in Wikipedia voor de wiskundige formule). Zie Table 3: Inequality-adjusted Human Development Index (laatste kolom) op http://data.un.org/DocumentData.aspx?id=379 voor een wereldranglijst. Nederland staat er op nummer 14 met een Gini-coëfficiënt (Gc) van 0,289 (gemiddelde over 2005-2013). België heeft een gemiddelde Gc van 0,331. Op de eerste plaats staat Oekraïne met een Gc van 0,248, de hoogste Gc is 0,658 van de Seychellen-eilanden.

Ongelijkheid van inkomensverdelingen wereldwijd in 2014, uitgedrukt in de Gini-coëfficiënt per land.
Groen = gelijkmatige verdeling, rood = ongelijke verdeling.
Bron: Table "Distribution of income or consumption" in tables World Development Indicators The World Bank (2014).


2. Verdeling inkomens tussen arbeid en kapitaal: de arbeidsinkomensquote[bewerken]

De arbeidsinkomensquote (aiq) laat de verhouding zien tussen:

  • de beloning van arbeid (o.a. bruto-lonen, incl. beloning van zzp'ers en top-inkomens uit arbeid) en
  • de beloning van kapitaal (winsten, dividenden, rente, pachten, huren) binnen het nationaal inkomen.

Het is een cijfer tussen 0 en 1.
In Nederland schommelt de aiq tussen 0,79 (2002) en 0,73 (2007)[16] . Bij een aiq van 0,80 gaat 80% van het nationale inkomen naar de beloning van arbeid en 20% naar de beloning van kapitaal. Zie dit CBS-bericht voor de ontwikkelingen in Nederland tussen 1995 en 2016. Voor de OESO-landen: zie Productivity - Unit Labour Costs - Annual Indicators : Labour Income Share Ratios op Eurostat-website. NB Deze twee tabellen zijn onderling niet vergelijkbaar door verschillende definities.

Tot slot de vraag: Is het macro-economisch verstandig om lonen gelijk op te laten lopen met de arbeidsproductiviteit?

  1. Als ze sneller stijgen, gaan de winsten van bedrijven omlaag en zullen die uiteindelijk failliet gaan. Ook bestaat het gevaar van extra inflatie als de hogere kosten in de prijzen worden doorberekend; vervolgens zullen werknemers weer meer loon eisen om de inflatie bij te benen. Dus het is in ieder geval niet verstandig om langere tijd achter elkaar de lonen sneller te laten stijgen dan de arbeidsproductiviteit, anders dan vanwege een inhaalslag.
  2. Als de lonen echter langzamer stijgen dan de arbeidsproductiviteit, bestaan er andere risico's:
    1. Onderbesteding. Consumenten kunnen minder producten kopen dan er geproduceerd worden. Producenten blijven met voorraden zitten of kunnen hun productiecapaciteit niet geheel benutten, wat verlies aan omzet en winst betekent. Maar in deze geglobaliseerde wereld zullen overtollige producten al snel hun weg naar een buitenland met een koopkrachtiger vraag vinden, die juist profiteert van de lage prijzen door deze lage loonkosten. Daar zitten producenten dus inmiddels niet meer zo mee.
    2. De stijgende winsten komen vooral terecht bij mensen die er geen producten mee kopen, maar vastgoed en financiële waardepapieren. Dit drijft de prijzen van vastgoed op en creëert bubbels op effectenbeurzen. Hierdoor zullen zowel woonhuizen als bedrijfspanden duurder worden, zonder dat er toegevoegd waarde tegenover staat. Dit heeft ook een opwaartse druk op de huren tot gevolg, waardoor het midden- en kleinbedrijf getroffen wordt, vooral winkeliers en horeca. Huurwoningen in Nederland zijn hiervan voor een groot deel uitgezonderd omdat het overgrote deel ervan gereguleerd is via sociale huur.
    3. Minder investeringen: als de lonen laag zijn, maakt dat ondernemers lui[17]. Zij zullen minder investeren in arbeidsbesparende maatregelen. Bovendien: bij de vraag of een oude machine nog een keer opgeknapt kan worden of er een nieuwe wordt aangeschaft die veel effeciënter werkt, zal de keuze relatief vaker voor de oude machine uitvallen (zie hoofdstuk Bedrijfseconomie/Investeringsbeslissingen vraagstuk 3: Repareren of vervangen?). Ook hierdoor zal de arbeidsproductiviteit minder stijgen dan met nieuwe machines.
    4. Zombie-bedrijven[18]: bedrijven die blijven bestaan, hoewel ze onvoldoende waarde toevoegen en beslag leggen op schaarse productiefactoren. Ondanks jarenlange verliezen blijven ze doormodderen. Ze richten zich alleen nog op overleven, niet meer op ondernemen. Ze investeren niet of nauwelijks meer, laat staan dat ze innoveren. Ze verkopen hun producten tegen een te lage prijs (de enige mogelijkheid nog om te concurreren), waardoor starters en andere concurrenten minder kansen krijgen. Op korte termijn lijkt dit goed voor de werkgelegenheid, maar op langere termijn is het slecht voor de economie. Innovatie is immers juist een belangrijke bron van economische groei (zie § Economische groei). Zombiebedrijven worden overeind gehouden met subsidies: soms rechtstreeks van de overheid (uit oogpunt van werkgelegenheid op korte termijn), in andere tijden met lage lonen en een (kunstmatig) lage rentestand waardoor ze goedkoop kunnen lenen. Bij hogere lonen en rente waren ze al lang ten onder gegaan en hadden zo meegedaan aan het proces van creatieve destructie.

Conclusie: ja, het is macro-economisch gezien verstandig om lonen gelijk op te laten lopen met de arbeidsproductiviteit.

Van harte aanbevolen[bewerken]


Macro-economie - een inleiding:


Over de Economische kringloop:


Over conjunctuur in Nederland:

  • Het laatste Centraal Economisch Plan (CEP, verschijnt in het voorjaar) en/of de laatste Macro economische verkenning (MEV, verschijnt op Prinsjesdag) op https://www.cpb.nl. De publicaties bieden voor Nederland een overzicht van de stand van zaken van de conjunctuur en een economische vooruitblik op het komende jaar.


Over conjunctuur in het algemeen en in het bijzonder de kredietcrisis van 2008-2015:


Over inkomensongelijkheid:



Bronnen, noten en/of referenties
  1. Inwoners wil zeggen: inclusief mensen die in het buitenland werken maar in Nederland wonen, ook als zij buitenlander zijn, en exclusief mensen die in Nederland werken maar elders wonen, ook als zij de Nederlandse nationaliteit hebben.
  2. Alle cijfers over Nederland uit dit hoofdstuk zijn ontleend aan de tabel op https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82601NED/table?ts=1517506017563, tenzij anders vermeld
  3. Ontleend aan Het Blauwe Boekje / Ministerie van Financiën, 2017, te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/overheidsfinancien/documenten/kamerstukken/2017/11/29/het-blauwe-boekje
  4. Cijfers over andere EU-landen dan Nederland zijn afkomstig van: http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&plugin=1&pcode=tet00003&language=en
  5. Het Amerikaans BBP was $ 77.547,20 miljard in 2017 en de export $ 9.375,60 miljard; bron: tabellen die vermeld zijn op https://www.bea.gov/iTable/iTable.cfm?reqid=19&step=2#reqid=19&step=2&isuri=1&1921=survey
  6. Het Blauwe Boekje / Ministerie van Financiën, 2017, p. 4; zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/overheidsfinancien/documenten/kamerstukken/2017/11/29/het-blauwe-boekje
  7. Ontleend aan het Begrip Uitvoerwaarde goederen (handel) op https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/begrippen?tab=u#id=uitvoerwaarde-goederen--handel--
  8. Zie tabellen en grafieken op https://www.bea.gov/newsreleases/glance.htm onder het kopje International Economic Accounts
  9. Deze cijfers zijn ontleend aan Eurostat, tabel Household saving rate (tsdec240) op http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/refreshTableAction.do?tab=table&plugin=1&pcode=tsdec240&language=en
  10. Definitie van het CBS, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/begrippen?tab=c#id=conjunctuur
  11. Zie bijvoorbeeld een overzicht met Nederlandse beurscraches op Beurskrach en een overzicht van recessies in USA op https://en.wikipedia.org/wiki/List_of_recessions_in_the_United_States
  12. Ontleend aan de EU-statistieken over Labour productivity; deze zijn opgenomen in Annual national accounts/Auxiliary indicators, zie http://ec.europa.eu/eurostat/data/statistics-a-z/klmn; voor een vergelijking tussen EU-landen: daarvan is Nominal labour productivity per hour worked gebruikt.
  13. Ontleend aan de EU-statieken over Employment and unemployment (LFS) met cijfers van 2006-2017, zie http://ec.europa.eu/eurostat/web/lfs/data/main-tables
  14. Bron: CBS, tabel Werkloze beroepsbevolking, zie https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83460NED/table?ts=1520069761193
  15. Ontleend aan: Eurostat - Distribution of income by quantiles - EU-SILC survey [ilc_di01], zie http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/submitViewTableAction.do
  16. volgens het CBS, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/25/aandeel-arbeid-in-de-economie-daalt-derde-jaar-op-rij zie onderaan de link naar het Excel-doc Maatwerk - Herziening methode arbeidsinkomensquote
  17. Deze stelling is in Nederland verbonden met professor Alfred Kleinknecht, o.a. verwoord in zijn oratie: Heeft Nederland een loongolf nodig? : Een neo-Schumpeteriaans verhaal over bedrijfswinsten, werkgelegenheid en export. - In: Tijdschrijft Politieke Economie, jg 17 (1994), nr. 2, p. 5-24. Zie: https://www.tpedigitaal.nl/artikel/heeft-nederland-een-loongolf-nodig. Hierover voeren economen sindsdien een discussie, o.a. het in economenblad Economisch Statistische Berichten. Die lijkt te worden beslecht in het voordeel van Kleinknecht, zie o.a. "Nederlandse economie middenmoter in het eurotijdperk" / Peter Keus en Johan Verbruggen. - ESB-blog, 8-2-2018 op https://esb.nu/blog/20037396/nederlandse-economie-middenmoter-in-het-eurotijdperk.
  18. Geraadpleegde bronnen:
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.