Heksenvervolging in Europa (1300-1720)/Waterproef, een Godsoordeel
Uit Wikibooks
7. Waterproef, een Godsoordeel
De waterproef was een Godsoordeel. Godsgerichten (tweegevecht, vuurproef, waterproef) waren overblijfselen van de Germaanse wetgeving. In 1215 werden ze door paus Innocentius III verboden, maar men ging gewoon door met de waterproef. Godsoordelen dienden als middel om de schuld van de aangeklaagde vast te stellen. God zou de onschuldige zeker komen redden. De beschuldigde werd met gebonden handen en voeten in het water gegooid en als ze bleef drijven, was het een heks en werd ze gemarteld of meteen geëxecuteerd. Als ze zonk was ze onschuldig. Ze werd dan met een touw naar boven getrokken en mocht naar huis. De waterproef werd in 1593 in Holland verboden en in 1595 in Brabant. Al in de Malleus (1486) was afgerekend met de vuurproef.
In kleine gemeenschappen, waarin iedereen vast geloofde in de werkzaamheid van deze middelen, waren ze mogelijk werkzaam. Mensen die zich schuldig voelden, "braken" al vóór de proef en bekenden. Of ze voelden zich zó zenuwachtig, dat ze de proef niet konden doorstaan. Het "ingrijpen" van God weerhield mogelijk veel mensen ervan om misdaden te begaan.