Sociale geschiedenis van Byzantium/Klooster

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Klooster
  3. Kerk
  4. Huis en bewoners
  5. Huwelijk, verwanten, vrienden en slaven
  6. Documenten, brieven en literatuur
  7. Bronnen en links

2. Klooster

Kluizenaars[bewerken]

Van de late derde tot de late vijfde eeuw hadden veel mensen zich teruggetrokken uit de wereld en waren kluizenaar geworden. Kluizenaars en kluizenaressen leefden helemaal alleen in verlaten oorden temidden van bossen en bergen. Zij voerden daar een spirituele strijd met de demonen, met eenzaamheid en met hun seksuele gevoelens. Zij aten gras en eikels en droegen vaak geen kleren.

In de vijfde en zesde eeuw werden er soms kloosters gesticht bij de plaatsen waar een kluizenaar woonde. De rol van deze kloosters in de "woestijn" was al snel groter dan die van de kerk in de steden.

In de negende en tiende eeuw begonnen de kerkelijk machthebbers de kluizenaars met argwaan te bekijken, want zij stonden los van hun regels en hiërarchie. De eenzame kluizenaar verdween daardoor langzaamaan en daarvoor in de plaats verschenen er kloosters waar monniken in gemeenschap leefden en waar kloosterlijke deugden, vooral gehoorzaamheid, op de voorgrond stonden. Deze kloosters werden steeds belangrijker in de samenleving.

Een van de vele kloosters op Athos
Klooster in Cappadocië
Dominicus met tonsuur, Fra Angelico

Kloosters[bewerken]

Kloosters werden bevokt door ongetrouwde mensen van hetzelfde geslacht. Het waren plaatsen van rust, men kon zich hier uit de wereld terugtrekken. De bewoners vormden een geestelijke familie, de broederschap der monniken, onder het gezag van een geestelijke vader-overste (pater) of moeder-overste die door de overige monniken of kloosterzusters werd gekozen. Een klooster werd soms door slechts drie kloosterlingen bewoond maar op de berg Athos, waar veel kloosters stonden, waren er met tot 700 kloosterlingen.

Velen voelden zich geroepen om monnik te worden. Degene die wilde toetreden werd eerst onderzocht en beoordeeld, daarna kreeg hij van de vader-overste een nieuwe naam om te laten zien dat hij aan een nieuw, geestelijk leven begon, de tonsuur om te laten zien dat hij volledig aan de seksualiteit verzaakte, en het habijt, een zwart kleed met een capuchon.

De monniken traden in theorie vrijwillig toe maar in de praktijk was hun intrede vaak gedwongen.
1. (Eerstgeboren) kinderen, jongens zowel als meisjes, werden vaak op zeer jonge leeftijd (soms al op hun zesde) aan het klooster geschonken. Als deze schenkelingen of oblaten meerderjarig waren geworden, konden ze kiezen of ze al dan niet een gelofte aflegden en monnik werden dan wel "in de wereld bleven". Blijkbaar hadden de ouders er weinig problemen mee hun kinderen in (vaak zeer strenge) kloosters te stoppen. En als men de kinderen zover kreeg dat ze elke vorm van vermaak afwezen, dan vond men dat niet erg voor het kind want daaruit bleek alleen maar dat het kind een heilige zou worden.
2. Echtgenotes die verstoten waren konden alleen in een klooster terecht.
3. Net zoals echtgenotes die wegliepen van een gewelddadige man.
4. En mannen die een politiek spel verloren hadden.

Kloosters konden eigendom zijn van de keizer, de patriarch, een lokale bisschop, een particulier persoon, een familie of een ander klooster. Ze konden ook zelfstandig zijn.

Het klooster was in de tiende en elfde eeuw van Byzantium nog geen besloten plaats met volledige zelfvoorziening[1]. De monniken en de lekenwereld stonden nog doorlopend met elkaar in contact.

Er zaten ook lekenscholieren op de kloosterschool die geen monnik zouden worden. Zij werden afgezonderd gehouden van het klooster.

Een begrafenis op het terrein van een klooster gold als een spiritueel voorrecht. Dat voorrecht kon je kopen voor jezelf of voor een van je beschermelingen. Een belangrijke geestelijke of een belangrijk persoon kreeg een begrafenis op een kloosterterrein vaak als een gift. Op een gegeven moment waren er zoveel lekengraven op kloosterterreinen dat een belangrijke kerkhervormer de meeste ervan liet verwijderen.

Na de negende traden sommige monniken-priesters op als een soort zieleherders die leken van buiten het klooster "adopteerden". Zij waren niet alleen maar een biechtvader maar ook een geestelijke vader. Zij werden gehoorzaamd en verheerlijkt. Elke misstap moest aan hen opgebiecht worden. Bij kloosterzusters speelden vergelijkbare zaken.

Kloosterregels[bewerken]

Al in de vierde eeuw verschenen in Byzantium de eerste kloosterregels van Basilius de Grote, daarna kwamen er nog vele. Veel regels golden voor alle kloosters zoals de regel dat de monnik geen eigen bezit mocht hebben (de gelofte van armoede), maar elk klooster had daarenboven nog eigen regels omtrent het beheer van de kloostergoederen, de gebeden en de goede doelen. Deze speciale kloosterregels werden bepaald door de vader-overste samen met (de nakomelingen van) de stichter van het klooster.

Monniken mochten niet zonder toestemming het klooster verlaten. Ze mochten beslist niet rondtrekken. Ze mochten zich ook niet met zaken als magie en waarzeggerij bezighouden. Zo veroorzaakte ooit een als monnik verkleedde rondreizende zieneres het nodige schandaal.

Monniken mochten niet met elkaar praten (de zwijgplicht), ze mochten niet samen hun werk doen en ze mochten geen vrijetijdsbesteding hebben.

De gelofte van armoede[bewerken]

De Byzantijnse bevolking zag de activiteiten van een klooster als nuttig voor de samenleving en daarom kregen kloosters veel schenkingen van de bevolking, hoefden ze geen of minder belasting te betalen en genoten haar landgoederen immuniteit. Sommige rijken vermaakten bij hun dood al hun geld en goederen aan een klooster of aan hun geestelijke vader als zij geen andere erfgenamen hadden.

Een monnik die tot een klooster was toegetreden moest daar voorgoed blijven. Vaak moest hij, voordat hij toetrad, zijn testament opmaken en daarin zijn bezittingen aan het klooster vermaken. Daarna kreeg hij onderdak en eten van het klooster dat dit in theorie betaalde van de arbeid die de monniken voor het klooster deden.

Als een rijke toetrad tot een klooster, gaf hij dat klooster geld en goederen en kreeg in ruil daarvoor een contract[2]. Daar stond bijvoorbeeld in dat hij de rest van zijn leven eten en onderdak van het klooster zou krijgen. Als de rijke echter heel veel geld aan het klooster had geschonken, kon er in dat contract ook nog zijn opgenomen dat hij bijvoorbeeld een paar bedienden mocht houden (die ook eten en onderdak van het klooster kregen), dat hij de rest van zijn leven een paard tot zijn beschikking had, en zelfs wel eens dat het klooster zijn schip zou onderhouden. Zijn verwanten zouden na zijn dood de inboedel van zijn cel erven. Een voorbeeld: een admiraal trok zich uit de wereld in een klooster terug nadat de keizer hem voor zijn diensten had beloond met een grote schenking. Hij sloot een contract met een klooster, waarin stond dat hij drie jongens (bedienden) mee mocht nemen. Alle vier werden ze monnik, ze kregen de tonsuur en een nieuwe naam. Ook een rijke weduwe gaf bij haar intrede een deel van haar bezit aan het klooster. Kloosters met een paar van deze rijke monniken (of nonnen) waren meestal erg rijk.

De monniken mochten geen bloedbroederschappen sluiten en ze mochten geen peetvader worden. Een klooster mocht geen slaven bezitten maar vrije bedienden waren toegestaan.

Er was een regel uit het begin van de negende eeuw die stelde dat een klooster volledig zelfvoorzienend moest zijn[3], maar in het Byzantijnse rijk waren sommige kloosters tussen de negende en de elfde eeuw door schenkingen dermate rijk geworden dat de monniken konden leven van de rente die de kloosterbezittingen opbrachten. Andere kloosters werden rijk door handel te drijven, ook middels scheepvaart. Uit de twaalfde eeuw zijn satirische gedichten uit Constantinopel bekend waarin de spot werd gedreven met vader-oversten die in weelde baadden, die elke week in bad gingen en voor elke kwaal een medicijn hadden, terwijl hun monniken in verplichte armoede moesten leven.

Omgang met het andere geslacht[bewerken]

Mannenkloosters waren strikt verboden voor vrouwen. Sommige kloosters waren zelfs verboden voor vrouwtjesdieren en baardlozen, dus ook jongens werden niet toegelaten.

Het kloosterwezen voor vrouwen begon eigenlijk pas na circa 1100. Vrouwenkloosters waren in principe verboden voor mannen, maar dat lag in de praktijk wat lastiger. Zo waren veel vrouwenkloosters door mannen gesticht en de stichter van het klooster had natuurlijk toegang. Verder mochten vrouwen geen priester zijn en daardoor konden ze ook niet de biecht afnemen. Hoewel de kloosterzusters een bekentenisplicht hadden tegenover hun moeder-overste, moesten ze een man tot het klooster toelaten als ze wilden biechten.

In de boeteboeken werden heel wat overtredingen (met hun straffen) beschreven tegen de scheiding van mannen en vrouwen en tegen de scheiding van geestelijken en wereldlijken. Dit soort overtredingen kwam dus kennelijk regelmatig voor.

Eunuchen (gescastreerde mannen) konden toetreden tot speciaal voor hen bestemde kloosters.

Inrichting[bewerken]

We weten het een en ander van de inrichting van kloosters door de boeken over het leven van heiligen en de kloosterreglementen uit de tiende en elfde eeuw.

  • Het kloostercomplex bestond uit meerdere gebouwen en was van de openbare weg afgescheiden door een omheind erf.
  • De monnik woonde er alleen in zijn cel, ook als hij een bediende had. Daar moest hij in zijn eentje zijn werk doen en bidden. De cellen lagen meestal in een gebouw van het kloostercomplex, maar op de berg Athos lagen ook wel kloosters met cellen buiten het kloostercomplex, die lagen dan meestal in groepjes bij elkaar in de buurt van het klooster.
  • Er was een gemeenschappelijke eetzaal (refter).
  • Er was een gemeenschappelijke kapel of kerk. Als het klooster in een stad lag, mochten ook leken de kerk of kapel bezoeken.
  • Een bibliotheek.
  • een schrijfatelier waar de kopiïsten de handschriften afschreven.
  • Een schatkamer.
  • Een archief met een conservator.
  • Een badkamer.
  • Een ziekenverblijf.
  • Een keuken.
  • Een afdeling voor de bedeling van de armen.

De vrouwenkloosters zagen er meestal hetzelfde uit.

Privékloosters[bewerken]

Een privéklooster kon op verschillende manieren ontstaan:

  • De keizer of een rijke leek stichtten ofwel in de hoofdstad ofwel in de provincie wel eens privékloosters op hun eigen land. Dit konden mannen- of vrouwenkloosters zijn. Een groot privéklooster had tevens een kerk en wijngaarden en voor elke monnik een eigen cel.
  • De keizer kon het vruchtgebruik van een gebouw met landerijen aan een leek geven met de bedoeling dat het gebouw als klooster zou dienen en de leek hierin als monnik zou toetreden.
  • Zelfs minder rijke bewoners van plattelandsgemeenten bouwden rond 1000 wel eens een privékerk met daarnaast een heel bescheiden klooster voor bijvoorbeeld henzelf en twee of drie anderen.
  • Een leek kon zijn huis, of een bijgebouw van zijn huis, tot klooster omdopen. Vaak traden dan tevens enkele van zijn broers, ooms en neven toe.
  • Nogal wat particuliere huizen werden tot klooster omgedoopt, want daardoor hoefde de eigenaar minder belasting te betalen, kreeg hij schenkingen van de bevolking en van eventueel intredende rijken en genoten zijn landgoederen immuniteit. De leek nam dan een nieuwe naam aan en de tonsuur om te laten zien dat hij zijn dagelijkse pleziertjes had afgezworen en hij werd monnik in zijn eigen privéklooster. Soms ging het alleen maar om het financiële gewin. En hoewel verschillende concilies deze vorm van misbruik probeerden tegen te gaan, bleven dit soort schijnvertoningen doorgaan.

Vaak werd een privéklooster echter met eerlijke bedoelingen gesticht. Een vroom man die bij de zeestrijdkrachten had gediend, wilde, toen zijn dienst er op zat, in een klooster gaan. Maar zijn vrouw had nog jonge kinderen en was bang door de buurt lastig gevallen te worden als zij zonder haar man verder moest leven. De man bouwde toen tijdelijk, totdat de kinderen groot waren, een privékloostercel bij zijn eigen huis.

Soms bleef een privéklooster generaties lang in het bezit van de stichter en zijn afstammelingen. En als er geen mannen meer waren in die familie, dan kreeg een vrouw het klooster in bezit. Ook werd een klooster wel eens door heel rijke mensen gesticht, die dan beweerden dat het geen privéklooster was maar een onafhankelijk klooster. Toch kregen dan vaak de stichters, hun familie en soms zelfs hun streekgenoten voorrang om te mogen intreden.

Privékloosters waren belangrijk in de Byzantijnse samenleving. Ze verzorgden tegen betaling de begrafenissen en de herdenkingen van de doden. Ze baden voor hun opdrachtgever, voor diens ouders en vrouw, en ze baden voor de keizer.

Noten[bewerken]

  1. Het klooster werd in de vroege Middeleeuwen in West-Europa een besloten plek met een deurbewaarder ervoor. Het had alles wat het nodig had: water, een molen, een tuin en er werden vele ambachten in uitgeoefend, zodat de monniken niet naar buiten hoefden, want dat zou hen (geestelijke) schade kunnen berokkenen.
  2. Een oudere kon een schenking doen aan een klooster in ruil voor verzorging. Er werd dan een contract opgemaakt dat nauwkeurig beschreef hoeveel brood, wijn, bier en kleding hij of zij zou ontvangen, vroege Middeleeuwen, West-Europa.
  3. Het klooster werd in de vroege Middeleeuwen in West-Europa een besloten plek met een deurbewaarder ervoor. Het had alles wat het nodig had: water, een molen, een tuin en er werden vele ambachten in uitgeoefend, zodat de monniken niet naar buiten hoefden, want dat zou hen (geestelijke) schade kunnen berokkenen.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.