Sociale geschiedenis van Byzantium/Huizen en hun bewoners

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Klooster
  3. Kerk
  4. Huis en bewoners
  5. Huwelijk, verwanten, vrienden en slaven
  6. Documenten, brieven en literatuur
  7. Bronnen en links

4. Huis en bewoners

Aristocratie[bewerken]

Aristocratisch paleis, 11e eeuw

De huizen van de aristocratie stonden meestal in de hoofdstad Constantinopel. Het waren vrijstaande huizen en ze hadden (afhankelijk van de rijkdom van de bezitter) een binnenplaats met galerijen, terrassen, ramen met erkers, grote en kleine kamers en eventueel baden. Ze werden bewoond door de aristocraat met zijn verwanten, vrienden en bedienden. De bedienden hoorden min of meer bij de familie en het waren vaak slaven.

De aristocratie was politiek actief in het paleis van de keizer. Hun positie aan het hof was beter als ze rijk waren, als ze voordelige huwelijken hadden gesloten en als een verwante legeraanvoerder belangrijke overwinningen had behaald. Legeraanvoerders kwamen altijd uit aristocratische families. Maar als de aristocraten bij de keizer uit de gratie waren gevallen omdat ze bijvoorbeeld een (verijdelde) aanslag op hem hadden willen plegen, dan moesten ze zich in hun huizen of in een klooster verbergen.

Sommige aristocraten bewoonden een huis in de provincie. Mocht de keizer daar op bezoek komen, dan kon de aristocraat beter niet al teveel met zijn rijdom en macht opscheppen want daarmee kon hij de toorn van de keizer opwekken.

Militaire huizen[bewerken]

Er waren zogenaamde "militaire huizen" waarvan de bewoners belasting afdroegen door een jongeman van de familie met uitrusting en al aan het leger af te staan.

Huizen in de stad[bewerken]

De huizen in de steden waren soms ingewikkeld gebouwd. Aan elkaar verwante bewoners wilden graag dicht bij elkaar wonen, elk in hun eigen huis. Daartoe bouwden ze hun huizen aan dezelfde hof.

De huizen hadden vaak meerdere verdiepingen en vaak lag er op elke verdieping een appartement met een eigen ingang waar een huishouden in leefde. Op de begane grond lagen de woningen en werkplaatsen van de ambachtslieden. De kleine burgerij en het volk huurden hun huizen meestal.

Huizen op het platteland[bewerken]

  • De residentie van de magnaat was een soort paleis.
  • De huizen op het platteland waren meestal vrijstaand. De meeste boerderijen in de dorpen waren al naar verwantschap gegroepeerd in buurten, hetgeen tot saamhorigheid of tot onenigheid kon leiden. Aan de rand van elk dorp stonden meestal een paar geïsoleerde boerderijen.
  • De slaven en landarbeiders leefden in hutten op het land dat ze bewerkten.

Bewoners[bewerken]

Uit tellingen, testamenten en brieven blijkt dat in de meeste huizen families woonden van drie generaties: grootouders, ouders en jonge kinderen. Vaak leefden er ook nog schoonzonen die "ingetrouwd" waren. In Byzantium trok (anders dan in West-Europa) de echtgenoot vaak in het huis van zijn vrouw in.

Elk huis had een familiehoofd[1], vaak was dat de oudste man van de familie, soms was hij weduwnaar en een enkele keer kon zelfs een weduwe het familiehoofd zijn. Uit belastingaangiften van die tijd blijkt dat er boerenfamilies waren die zo groot waren dat ze in meerdere huizen woonden waarvan elk huis zijn eigen familiehoofd had. In de dorpen op het platteland lag de juridische en fiscale verantwoordelijkheid bij de vergadering van de familiehoofden.

Soms werd een huis alleen maar bewoond door een celibataire geestelijke.

Indeling[bewerken]

De huizen van de rijkeren waren comfortabel, ze hadden een bad en een toilet. De wanden waren bedekt met tegels van keramiek waar dieren of bloemboeketten op waren afgebeeld. De buitendeuren konden worden afgesloten met grendels en ingewikkelde hangsloten.

Het interieur was in ruimtes onderverdeeld door middel van voorhangsels. Deze beschermden de bewoners tevens tegen de tocht: er waren nog geen glazen ramen[2]. Het is niet duidelijk of er permanente woonkamers in de huizen waren. Dat zou eventueel zijn af te leiden uit de huisraad maar ook daar weet men niet veel over want:

  • Er zijn maar weinig invetarisaties opgemaakt bij het overlijden van bewoners.
  • De meubels en gebruiksvoorwerpen werden niet goed beschreven in de huwelijkscontracten en testamenten. Men gaf bij giften aan de kerk weliswaar precies aan wat men gaf (iconen, heilige en profane (wereldlijke) boeken, voorwerpen van edele metalen, ivoren kistjes enzovoort), maar bij een testamentaire verdeling onder de getrouwde kinderen vond men meubilair en gebruiksvoorwerpen niet de moeite waard om precies te beschrijven. Dat wil niet zeggen dat ze niet bestonden.

Alleen van het keizerlijk paleis van de tiende eeuw is bekend dat het een vaste indeling had, zo blijkt uit de geschiedschrijving en vooral uit "het boek der ceremonieën" geschreven door Constantijn VII| (905-959). Daarin was sprake van audiëntievertrekken, bureaus, bibliotheken, schrijfateliers, eetzalen, een bidkapel, slaapkamers, een badkamer, een purperen kamer (waar de echtgenote van de keizer van haar kinderen beviel) en een vrouwenappartement dat streng privé was. Van de huizen van de aristocratie is het echter niet duidelijk of die ook dergelijke vertrekken hadden. Het is mogelijk dat het Byzantijnse huis doorgaans helemaal geen vaste indeling had.

Sint Lucas, tiende eeuw
Johannes de doper aan tafel
Johannes de doper aan tafel, ca. 1100
Huwelijk en familieleven in Constantinopel
Zittend bevallen, 1513

Lees- en schrijfvertrek[bewerken]

In de huizen van de rijken bevond zich vaak een lees- en schrijfvertrek, waarin, naar men aanneemt, een bureautje stond met schrijfspullen. Verder was er was een hanglamp en een open kast met boeken. Een en ander is althans te zien op de bekende afbeeldingen van de evangelisten, maar het is niet zeker of dit soort dingen bij anderen ook normaal was.

De rijken hadden vaak een bibliotheek in hun huis. In zo'n privébibliotheek konden heel verschillende boeken staan. De artistocratie en de stedelijke middenklasse lazen boeken, ook uit vrijetijdsbesteding en ook de vrouwen lazen boeken. Een secretaris verzamelde de boeken voor de bibilotheek van zijn meester, en zijn meester dicteerde hem ook zijn creatieve boeken.

De keizer, de zeer rijken en de kloosters hadden hun eigen ateliers waar kopiïsten boeken afschreven. En in die ateliers konden rijke burgers op bestelling boeken laten afschrijven. Vooral in de hoofdstad waren er boekhandels waar de rijken boeken konden kopen.

Kapel[bewerken]

De rijken hadden vaak een bidkapel in hun huizen.

Eigenkerk[bewerken]

Sinds de vierde eeuw stichtten grondbezitters vaak een eigen kerk op hun landgoederen[3]. Deze grondbezitters hadden hun kerken vaak ook nog boeken en kostbaarheden geschonken. De kerk bekeek deze eigenkerken met argwaan. Een kapelaan droeg de missen op in deze eigenkerken. Deze kapelaan was in dienst van de grondbezitter en daarvoor was de toestemming van de bisschop nodig.

Bed[bewerken]

Volgens het voornoemde "boek der ceremonieën" deelden de keizer en de keizerin dezelfde kamer en hetzelfde bed, hoewel de keizerin er doorgaans een minnaar op nahield en de keizer een maitresse. Omdat het kraambed onrein gevonden werd, was het een ander bed dan het echtelijke bed en stond het zelfs in een andere kamer: de "purperen kamer".

Er waren door de kerk voorgeschreven periodes van onthouding[4]: de vasten, de zaterdagen en de zondagen. Wie dit niet respecteerde, mocht niet deelnemen aan de eucharistie. Mogelijk mocht men ook geen seks hebben tijdens de menstruatie van de vrouw en na de bevalling totdat de vrouw de kerk weer voor de eerste keer bezocht had[5]. Of iedereen zich hier altijd aan hield, is onbekend.

Een bed was een raamwerk dat op poten stond en een rugleuning had. Op de miniaturen in de handschriften werden de bedden van de zieken, stervenden en barende vrouwen heel smal afgebeeld. De slaven en de armen sliepen op lichte, draagbare bedden.

Tafel[bewerken]

Er zijn miniaturen in handschriften gevonden waardoor we denken dat alle disgenoten uit dezelfde schotel aten. Vrouwen mochten alleen aan tafel komen als de maaltijd netjes verliep, zonder teveel alcohol en zonder platte taal. Als een vrouw toch aanwezig was bij een maaltijd met drank en platte taal, kon haar man haar verstoten. Als een man kwaad was op zijn vrouw, mocht ze niet aan tafel komen. Dan at hij alleen met zijn broers, zusters en andere familileden.

Geboorte, ziekte en dood[bewerken]

De rijke stedelingen en boeren werden thuis geboren, werden thuis verpleegd als ze ziek waren en gingen thuis dood. Ziekenhuizen waren alleen voor de armen bedoeld.

In sommige miniaturen uit die tijd zien we een verloskamer en een bevalling afgebeeld: vrouwen bevielen blijkbaar meestal zittend of staand.

In brieven werden medicijnen beschreven en werd melding gemaakt van vroedvrouwen.

Vrouwen[bewerken]

Aristocratische Byzantijnse vrouwen, en vooral de meisjes, werden zo veel mogelijk achter slot en grendel gehouden. Ze mochten hun huizen verlaten om naar de kerk of een heiligdom te gaan of om hun familie te bezoeken. Maar een rijke vrouw die op reis was, werd in een compleet afgesloten draagstoel door slaven rondgedragen[6].

Als er mannen in huis op bezoek kwamen, zelfs al waren het keizerlijke gezanten, dan hoorden ze de vrouwen van dat huis niet te benaderen. Dat gold als onfatsoenlijk. De vrouwen mochten ook niet aan dezelfde tafel eten en drinken als de mannelijke gasten. Men was bang dat de gasten deze vrouwen zouden verleiden en dan was hun echtgenoot onteerd. Een meisje moest zich voor alles eerzaam gedragen, anders maakte ze zichzelf, haar ouders en haar familie te schande.

Het keizerlijk paleis had (ook nog in de elfde eeuw) een vrouwenappartement. Of wat lagere aristocraten die ook in hun huizen hadden, is niet bekend. En in de praktijk werd er nogal eens de hand gelicht met die strenge maatregelen, zeker bij de lagere klassen. Volksvrouwen moesten buitenshuis werken en inkopen doen.

Armen[bewerken]

In de (grote) steden waren liefdadigheidsinstellingen voor de armen en verschoppelingen. Die waren al tussen 300 en 600 gesticht ofwel door de keizer ofwel door een rijke particulier en ze werden vaak beheerd door een klooster. In de eeuwen daarna hadden ze een sluimerend bestaan geleid tot ze in de elfde en vooral in de twaalfde eeuw weer opbloeiden toen ook de Byzantijnse steden een periode van bloei doormaakten.

In die periode werden het hospitaal "Christus de Almachtige" en verschillenden gasthuizen (ziekenhuizen voor de armen) gesticht.

Noten[bewerken]

  1. Vergelijk de Romeinse "Pater familias".
  2. Ramen en tocht in Toscane, 1300-1500.
  3. Eigenkerk in de vroege Middeleeuwen van West-Europa.
  4. De christenen tilden zwaar aan overtreding van het gebod op seksuele onthouding: 3 dagen voor en tijdens de zondagen, de feestdagen, de vasten etc. In totaal mocht men circa 165 dagen per jaar geen seksueel verkeer hebben in de vroege Middeleeuwen van West-Europa.
  5. Zie ook: Keith Thomas, Religion and the decline of magic. Dit was de gewoonte in Engeland.
  6. Zelfs als de vrouw op pelgrimstocht ging, moest ze de hele weg in haar draagstoel blijven zitten die met gordijnen van de buitenwereld afgesloten was. Hoge Middeleeuwen, West-Europa.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.