Naar inhoud springen

LaTeX/Algoritmes en broncodes

Uit Wikibooks

LaTeX

  1. Inleiding
  2. Begin
  3. Een basisdocument maken
  4. Wetenschap
    1. Wiskundeomgeving
    2. Formules
    3. Chemie
  5. Tekstopmaak
  6. Paginaopmaak
  7. Tabellen
  8. Figuren
  9. Referenties
  10. Bibliografiemanagement
  11. TeX-figuren
  12. Hyperlinks
  13. Index aanmaken
  14. Presentaties
  15. Algoritmes en broncodes
  16. Brieven
  17. Testen en examens

Apendices

LaTeX kan goed overweg met het zetten van broncodes, er is zelfs automatische syntax-kleuring, automatische update naar nieuwe code, verwijzing naar regelnummers ... Dit houden we echter even voor later, we gaan eerst de tekstzetting van algoritmes (pseudocode) beschrijven, daarna komt er een korte sectie over letterlijke code zonder opmaak tonen en uiteindelijk de langverwachte sectie over uitgebreide codezetting.

Algoritmes

[bewerken]

Als je algoritmes met een mooie lay-out wilt zetten gebruik je best het algorithmic-pakket (let op de h). Met dit pakket kun je het algoritme op een logische manier opbouwen zoals je de code zou schrijven in een eenvoudige programmeertaal. Het pakket zal dan de code verwerken tot een mooi ogend algoritme.

\usepackage{algorithmic}

Een algoritme moet je maken binnen een algorithmic-omgeving. We geven een klein voorbeeld:

\begin{algorithmic}
\IF {$i\geq maxval$} 
        \STATE $i\gets 0$
\ELSE
        \IF {$i+k\leq maxval$}
                \STATE $i\gets i+k$
        \ENDIF
\ENDIF 
\end{algorithmic}


Programmeertaal

[bewerken]

Natuurlijk moet het algorithmic-pakket de code zelf ook interpreteren om een degelijke output te krijgen, daarom moet je de algoritmes ook in een gestandaardiseerde manier neerschrijven.

Gewone opdrachten

[bewerken]

Onder de gewone opdrachten valt alles wat op één regel komt. Dit zijn bijvoorbeeld oproepen van een andere functie of het toewijzen van een waarde aan een variabele. Een gewone opdracht moet altijd met het \STATE-commando beginnen (let op de hoofdletters). Na het state-commando volgt dan je opdracht. Het is aan te raden opdrachten altijd in wiskunde-modus te schrijven, dan kun je de uitgebreide verzameling aan wiskundige symbolen gebruiken. Een voorbeeld van een klein algoritme:

\begin{algorithmic}
 \STATE $i \gets 10$
 \STATE RoepFunctieOp($i$)
\end{algorithmic}

If-Else

[bewerken]

De volgende codes spreken voor zich:

\IF{<conditie>} <uit te voeren code> \ENDIF
\IF{<conditie>} <uit te voeren code> \ELSE <uit te voeren code> \ENDIF
\IF{<conditie>} <uit te voeren code> \ELSIF{<conditie>} <uit te voeren code> \ELSE <uit te voeren code> \ENDIF

Het doet er niet toe of je alles nu op een lijn zet of het splitst over verschillende lijnen, het algorithmic-pakket zorgt voor zijn eigen uitlijning.

Lussen

[bewerken]

\FOR{<conditie>} <te herhalen code> \ENDFOR
\FORALL{<conditie>} <te herhalen code> \ENDFOR
\WHILE{<conditie>} <te herhalen code> \ENDWHILE

Een lus die normaal niet in programmeertalen zit is de oneindige lus, te vergelijken met while(true). In het algorithmic-pakket krijgt deze lus een eigen naam.

\LOOP <te herhalen code> \ENDLOOP

Pre- en postcondities

[bewerken]

In het algorithmic-pakket kun je ook pre- en postcondities invoegen met de volgende commando's:

\REQUIRE <preconditie>
\ENSURE <postconditie>

Andere commando's

[bewerken]

De andere commando's spreken ook voor zich aangezien ze gebruikt worden in zowat alle programmeertalen.

\RETURN <te returnen waarde>
\PRINT <een variabele of een vaste tekst>
\COMMENT <commentaar>

Merk op dat het commentaar bij een \COMMENT-commando altijd op dezelfde regel als het vorige commando verschijnt. Het is dan ook niet toegestaan om het \COMMENT-commando te gebruiken na een commando zoals \IF.

Regelnummering

[bewerken]

Er is eenvoudig regelnummering toe te voegen aan een algoritme, als je bijvoorbeeld iedere vijf regels een nummer wil plaatsen, dan gebruik je de volgende omgeving:

\begin{algorithmic}[5]
%algoritme code
\end{algorithmic}

Een drijvende omgeving

[bewerken]

Net zoals er voor figuren en tabellen een drijvende omgeving bestaat is er ook zo'n omgeving voor algoritmes. Deze omgeving heeft de naam algorithm gekregen en werkt volledig gelijkaardig aan de figure-omgeving.

Als je nog meer informatie wilt, kun je nog eens de originele handleiding bekijken ook.

De verbatim-omgeving

[bewerken]

Om de verbatim-omgeving te gebruiken moet je eerst het verbatim-pakket laden.

\usepackage{verbatim}

De verbatim-omgeving zelf werkt zeer eenvoudig. Alles wat je in die omgeving zet wordt rechtstreeks weergegeven, zonder enige opmaak. Je gebruikt de omgeving dus als volgt:

\begin{verbatim}
Hier komt de code die je wil laten zien.
\end{verbatim}

Je kan ook het \verb-commando gebruiken om iets (b.v. de naam van een veriabele) letterlijk weer te geven binnen een regel. Na het \verb-commando moet je eerst een teken gebruiken dat nergens in je code vooromt, b.v. een ":" of een "=", daarna typ je de code die je wil weergeven en je sluit weer af met hetzelfde teken als je eerst gebruikt hebt. We geven een voorbeeldje:

In deze tekst vertel ik over de variabele \verb=$var=, deze variabele ...

Het listings-pakket

[bewerken]

Het listings-pakket is veel geavanceerder dan het verbatim-pakket. Om listings te gebruiken moet je eerst het listings-pakket laden:

\usepackage{listings}

Merk even op dat alle commando's van het listings-pakket beginnen met lst, dit is om zeker in orde te zijn met de lppl-licentie.

De code zelf zet je in een lstlisting-omgeving, net zoals bij de verbatim-omgeving, om inline code te zetten gebruik je het \lstinline-commando op dezelfde manier als het \verb-commando. Je kunt ook code van een extern document laden met het commando \lstinputlisting{padNaarHetBestand} waarbij padNaarHetBestand de (relatieve) locatie van het bronbestand is. Als je code van een bronbestand laadt, ben je zeker dat de code in je LaTeX-document altijd actueel is en zo hou je je LaTeX-document ook meer overzichtelijk. Als de broncode niet dicht bij je LaTeX-document staat (dus niet in dezelfde map of een submap) of je begint te werken met absolute paden, dan zorg je er wel voor dat je LaTeX-document niet op andere computers gecompileerd kan worden. Alle opties in het listings-pakket hebben eenzelfde structuur: iedere optie kan bepaald worden door een sleutel sleutel=waarde-structuur. De taal waarin je code geschreven is, is ook zo'n optie en wordt dus ook op een dergelijke manier bepaald.

De programmeertaal definiëren

[bewerken]

Meestal gebruik je voor het volledige document eenzelfde programmeertaal, dan kun je deze taal in de hoofding definiëren. De taal pascal voor je volledig document definiëren doe je als volgt:

\lstset{language=Pascal}

De sleutel is hier dus language en de waarde die je aan de sleutel geeft is Pascal.

Alles wat je als opties binnen het lstset-commando zet kun je ook per lstlisting-omgeving apart definiëren als optie. Dit doe je zoals het voorbeeld hier onder:

\begin{lstlisting}[language=pascal]
for i:=maxint to 0 do
begin
   { do nothing }
end;

Write(’Case insensitive ’);
WritE(’Pascal keywords.’);
\end{lstlisting}

Ook met het commando \lstinputlisting kun je dezelfde opties gebruiken:

\lstinputlisting[language=pascal]{padVanHetBestand}

Van sommige talen zijn er ook dialecten, deze kun je opvragen als language=[XSC]Pascal

Voorgedefinieerde talen

[bewerken]

Hieronder staat een tabel met voorgedefinieerde talen, tussen haakjes zijn mogelijke dialecten aangegeven en de standaard dialecten zijn onderlijnd.

ABAP (R/2 4.3, R/2 5.0, R/3 3.1, R/3 4.6C, R/3 6.10) ACSL Ada (2005, 83, 95) Algol (60, 68) Ant
Assembly (Motorola68k, x86masm) Awk (gnu, POSIX) bash Basic (Visual) C (ANSI, Handel, Objective, Sharp)
C++ (ANSI, GNU, ISO, Visual) Caml (light, Objective) CIL Clean Cobol (1974, 1985, ibm)
COMAL-80 command.com (WinXP) COMSOL csh Delphi
Eiffel Elan erlang Euphoria Fortran (77, 90, 95)
GCL Gnuplot Haskell HTML IDL (empty, CORBA)
inform Java (empty, AspectJ) JVMIS ksh Lingo
Lisp (empty, Auto) Logo make (empty, gnu) Mathematica (1.0, 3.0, 5.2) Matlab
Mercury MetaPost Miranda Mizar ML
Modula-2 MuPAD NASTRAN Oberon-2 OCL (decorative, OMG)
Octave Oz Pascal (Borland6, Standard, XSC) Perl PHP
PL/I Plasm PostScript POV Prolog
Promela PSTricks Python R Reduce
Rexx RSL Ruby S (empty, PLUS) SAS
Scilab sh SHELXL Simula (67, CII, DEC, IBM) SPARQL
SQL tcl (empty, tk) XML XSLT TeX (AlLaTeX, common, LaTeX, plain, primitive)
VRML (97) VBScript Verilog VHDL (empty, AMS)

Regelnummering

[bewerken]

In verband met regelnummering zijn er ook heel wat opties in het listings-pakket. De opties zijn hieronder opgesomd en moeten gebruikt worden zoals je de taal bepaalt.

sleutel omschrijving
firstline=<Getal> De eerste regel die wordt weergegeven (kun je gebruiken als je enkel een deel code vanuit een extern bestand wilt weergeven)
lastline=<Getal> De laatste regel die wordt weergegeven (zie firstline)
linerange=<begin1>-<einde1>,<begin2>-<einde2>... De vorige twee commando's in één met de mogelijkheid om meer blokken samen te nemen. <begin1>,<einde1> ... zijn allemaal regelnummers.
numbers=<none/left/right> De plaats waar de regelnummers geplaatst worden.
numberstyle=<Opmaakstijl> De opmaak voor de regelnummers, je kunt mogelijk \tiny of \color{blue} gebruiken.
numbersep=<Afstand> De afstand van de linkerkant van de regelnummers tot de linkermarge van de broncode.
stepnumber=<Getal> Per hoeveel nummers geteld wordt.
firstnumber=<auto/last/<getal>> Bij welk nummer je begint te tellen, auto begint bij 1 voor een nieuwe listing en bij het overeenkomstige regelnummer als je een extern bestand opvraagt. last begint waar de vorige listing gestopt is en je kunt natuurlijk ook een exact getal ingeven.

Escapen naar LaTeX en referenties

[bewerken]

Escapen kun je vertalen door ontsnappen. We gaan hier dus in onze broncode ontsnappen naar LaTeX. Je kunt dit gebruiken om dynamisch naar regels te verwijzen, om over iets commentaar te geven in wiskunde-modus en om willekeurige, eenmalige opmaak te geven aan je code-documenten.

De eerste optie die je kunt gebruiken is de \texcl=true|flase-optie. Met deze optie zorg je er voor dat alle commentaar als LaTeX geïnterpreteerd wordt.

Je kunt ook de optie \mathescape=true|false gebruiken om naar wiskunde-modus over te schakelen tussen twee $-tekens. Zorg wel dat er dan geen $-tekens gebruikt worden in je code.

Uiteindelijk heb je nog vier commando's om volledig zelf te bepalen wanneer je naar LaTeX modus overschakelt:

\escapechar=<karakter> tussen twee karakters die opgegeven zijn zal er overgegaan worden op LaTeX-modus. Let wel op, als het karakter dat je wilt opgeven een speciale betekenis heeft in LaTeX (zoals het %-teken), dan moet je er een backslash voor zetten (\%).
escapeinside=<karakter1><karakter2> Hetzelfde zoals hierboven maar voor verschillende begin- en eindkarakters
escapebegin=<karakters> Hetzelfde als hierboven maar voor de duidelijkheid kun je het over twee commando's splitsen.
escapeend=<karakters> Hetzelfde als hierboven maar voor de duidelijkheid kun je het over twee commando's splitsen.

om de kracht van het escapen naar LaTeX te zien kun je eens onderstaande code uitproberen. Als je pdfLaTeX gebruik kun je ook het pakket pdfpages toevoegen om een hyperlink naar de juiste regel te krijgen.

\documentclass{article}

\usepackage{listings}
\usepackage{color}
\usepackage[dutch]{babel}

\lstset{language=Java,
%alles tussen "//(*" en "*)" wordt als TeX code verwerkt
	escapeinside={//(*}{*)}}

\begin{document}

\begin{lstlisting}
public class HelloWorld{
  public static void main(String[] args){
      System.out.println("Hello world!");//(*\label{re:printCommando}*)
      int a = 5/3;//(*{\color{blue}\ \ \ \ \ $a=\frac{5}{3}$}*)
  }
}
\end{lstlisting}

In regel \ref{re:printCommando} tonen we ``Hello world!''.
\end{document}

Let er op dat de code blijft werken want in Java staat commentaar na een "//" en dit is een deel van het escape begin.

Ik hoop dat de syntax-kleuring van jouw editor iets beter is dan de wiki syntax-kleuring want binnen een listings-omgeving wordt code normaal niet uitgevoerd en moet ze dus ook niet gekleurd worden in verschillende kleuren.

Dynamische regels

[bewerken]

Je kunt ook een dergelijke structuur gebruiken om een dynamisch deel van je tekst te selecteren. In de vorige subsectie heb je gezien dat je delen van je code kunt selecteren om in te voegen in je document. Bij dat selecteren moest je echter vaste regelnummers kiezen. Dit is niet aan te raden als de code nog in ontwikkeling is en er dus nog regels kunnen bij komen. De makers van het listings-pakket waarschuwen wel dat het nog om een experimentele optie gaat, het zou dus kunnen dat in latere versies de syntax of de uitvoer licht gewijzigd wordt en je document niet meer 100% compatibel is.

In de uitleg zullen we ook het woord label gebuiken, merk op dat het hier niet gaat om een LaTeX-label maar een label dat enkel binnen het listings-pakket kan gebruikt worden.

De twee commando's die je nodig hebt zijn:

rangeprefix=<karakters> De karakters die gebruikt worden om het begin van een label aan te geven.
rangesuffix=<karakters> De karakters die gebruikt worden om het einde van een label aan te geven.
includerangemarker=true/false Toon of verberg de regels waar het label staat.

We geven een voorbeeld:

\documentclass{article}

\usepackage{listings}
\usepackage{color}
\usepackage[dutch]{babel}

\lstset{language=Java,
	escapeinside={//(*}{*)},
%een listings label komt tussen "//{" en "}"
	rangeprefix=//\{,
	rangesuffix=\},
	includerangemarker=false}

\begin{document}

\begin{lstlisting}[linerange=mainBegin-mainEnd]
public class HelloWorld{
//{mainBegin}
  public static void main(String[] args){
      System.out.println("Hello world!");//(*\label{ru:printCommando}*)
      int a = 5/3;//(*{\color{blue}\ \ \ \ \ $a=\frac{5}{3}$}*)
  }
//{mainEnd}
}
\end{lstlisting}

In regel \ref{ru:printCommando} tonen we ``Hello world!''.

\end{document}

Let wel even op het regelnummer in je document. Het listings-pakket begint standaard te tellen bij 1 aan het begin van de code, maar nu geef je die code niet meer weer. Je kunt mogelijk het pakket instellen om regelnummers weer te geven of je kunt instellen om te beginnen tellen bij de eerste regen van de weergegeven code, dit is al behandeld in een vroegere subsectie.

Kaders en lijnen rond je code

[bewerken]

Het eenvoudigste om een kader rond je code te zetten is met de optie frame=type waarbij het type een van de volgende tabel is:

none Geen lijnen.
leftline Een enkele lijn langs de linkerkant.
topline Een enkele lijn langs de bovenkant.
bottomline Een enkele lijn langs de onderkant.
lines Twee enkele lijnen langs de boven en onderkant.
single Een enkel kader.
shadowbox Een schaduw aan je kader geven.

Het is ook mogelijk zelf te bepalen welke lijnen je toont i.p.v. een van de vorige keuzes te nemen. Dit is mogelijk door als argument aan de frame-optie enkele van de letters tbrlTBRL te geven. De hoofdletters stellen dubbele lijnen voor en de kleine letters enkele lijnen. De karakters zelf staan voor waar welke lijn moet getekend worden:

t,T boven (top)
b,B onder (bottom)
r,R rechts
l,L links

Zo zal de code

\begin{lstlisting}[frame=BTrl]
public class HelloWorld{
  public static void main(String[] args){
      System.out.println("Hello world!");
      int a = 5/3;
  }
}
\end{lstlisting}

een kader rond de java code weergeven met onder en boven een dubbele lijn. Het is het best deze optie met het \lstset-commando te definiëren omdat dan voor alle omgevingen hetzelfde kader gebruikt wordt.

Ronde hoeken

[bewerken]

Het is ook mogelijk om ronde hoeken aan je kaders te geven. Dit wordt met de optie frameround gegeven. Als argument bij deze optie horen vier letters. De eerste letter stelt de ronding van de rechter bovenhoek voor, de tweede de rechter benedenhoek, de derde de linker benedenhoek en de vierde en laatste de linker bovenhoek. Ze beginnen dus te tellen bij de rechter bovenhoek en gaan verder in wijzerzin. De letters die je kunt gebruiken zijn t en f. t stelt een afgeronde hoek voor en f een vierkante hoek. De opties frame=RBtl,frameround=ftft stellen dus een kader voor met de onderste en de rechtse lijn dubbel, de andere lijnen enkel en met de linker bovenhoek en de rechter benedenhoek afgerond.

Let er wel op dat een viewer zoals adobe wat meer moeite heeft met ronde dan met rechte hoeken. Kijk dus goed of alles correct wordt weergegeven.

Kaders en regelnummering

[bewerken]

Standaard staat de regelnummering links van de code. Als er dus een kader getekend wordt, dan valt die nummering buiten het kader. Dit kan de bedoeling zijn maar meestal is het niet zo mooi. Je kunt dit oplossen door het kader iets groter te maken met de framexleftmargin optie. Waarschijnlijk zal 5mm groot genoeg zijn, gebruik daarvoor de optie framexleftmargin=5mm.

Achtergrondkleur

[bewerken]

Het kan duidelijk zijn als je je code in een achtergrondkleur zet. Dit kan eenvoudig gebeuren met de optie backgroundcolor. Als argument moet je een kleur meegeven zoals uitgelegd in de sectie over kleuren. Als je bijvoorbeeld een grijze achtergrond wilt, kun je de optie backgroundcolor=\color{gray} gebruiken.

Het is wel aan te raden je eigen grijs te definiëren (zoals onder in de sectie over kleuren uitgelegd) en als je met kleuren werkt, dan werk je beter met eenvoudige of zelfs zonder kaders.

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.