Naar inhoud springen

Spaans/Woordenboek Spaans-Nederlands

Uit Wikibooks

Werk in uitvoering.
Aan dit artikel wordt voorlopig nog gewerkt. Gelieve het niet te bewerken totdat dit sjabloon is weggehaald.

Nog lang niet alle woorden uit de lessen zijn in deze woordenlijst opgenomen. Dus werk in uitvoering.

Het onderstaande woordenboek is samengesteld uit de woordenlijsten uit de lessen. Ook is er het woordenboek Nederlands-Spaans.

  • Het geslacht van zelfstandige naamwoorden wordt alleen aangegeven als het niet aan de regels uit les 2 voldoet of als er twijfels zouden kunnen ontstaan.
A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z
agujero gat
agua v, [el, un] water
ahora nu
almohada ZSNW kussen
almorzar /ue/ lunchen
almuerzo lunch
amigo vriend (vriendschap)
aprender leren
arroz m rijst
aseo • w.c.; • hygiëne
caminar lopen
camión m vrachtwagen
canción lied
capital v hoofdstad
casa huis
casi bijna
cebolla ui
cicatriz lidteken
computadora computer
costumbre gewoonte
cuarto kwart
dejar ophouden
demasiado BIJWOORD te, te veel
desayunar ontbijten
desayuno ontbijt
desconectar uitschakelen
diccionario woordenboek
dinero geld
edificio gebouw
ejercicio oefening
emisión uitzending
equipaje bagage
error fout
esperar wachten
estudiar studeren
estupidez dwaasheid
explicación uitleg
fácil gemakkelijk
fiesta feest
física natuurkunde, fysica
foto v foto
garza reiger
ganar verdienen (van geld)
gramática grammatica
habitación • kamer; • woning
hacer doen
hija dochter
hijo zoon
hola hoi
hora uur
hoy vandaag
huevo ei
joven jong iemand
jugar spelen
juventud jeugd
llamar (a) (op)bellen/roepen
lección les
ley v wet; • dictar la ley a u.p. iemand de wet voorschrijven
libertad vrijheid
libro boek
limpiar schoonmaken
madre moeder
mañana • morgen (de volgende dag); • ochtend, morgen; • esta ~ vanochtend
mantequilla boter
mono aap
moto v motor
mucho veel
música muziek
niña meisje
niño • jongen; • kind
novia verloofde (vrouw)
novio verloofde (man)
nunca nooit
ordenador computer
padre • vader; • ouder
pan brood
parque m park
patata aardappel
pequeño klein
pero maar (voegwoord)
poco weinig
plato gerecht
primo neef (neefzegger)
problema probleem
pueblo dorp
queso kaas
recordar /ue/ herinneren
servicio • w.c. • dienst
siempre altijd
sobrino neef, neefje (oomzegger)
suerte v geluk, toeval
tarde laat
m thee
tienda • winkel; • tent (om te kamperen)
tomar • nemen; • drinken
trabajar werken
trabajo werk
uña nagel
uniforme uniform
verdad waarheid
vez keer
vida ZSNW leven
vista uitzicht
vivir WW leven
voz v stem
Spaans
Lessen: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20
Grammatica: Uitspraak | Lidwoorden | Voornaamwoorden | Werkwoorden
Woordenboeken: Spaans-Nederlands | Nederlands-Spaans
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.