Spaans/Les 06

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Terug naar de vorige les


Grammatica[bewerken]

Het betrekkelijk voornaamwoord[bewerken]

Betrekkelijke voornaamwoorden verbinden hoofdzin en bijzin met elkaar en verwijzen naar een woord in de hoofdzin waarop de bijzin betrekking heeft, het zogenaamde antecedent. Dit antecedent hoeft niet altijd expliciet gezegd te worden (het is dan ingesloten).

  • Betrekkelijke bijzinnen die verklarend (geeft een eigenschap aan die voor de hele genoemde groep geldt) zijn, worden, net als in het Nederlands, tussen komma's geplaatst.
  • Betrekkelijke bijzinnen die beperkend (een eigenschap die slechts voor een deel van de groep geldt) zijn, worden, net als in het Nederlands, níét tussen komma's geplaatst.

Que[bewerken]

Que is het meest gebruikte betrekkelijke voornaamwoord. Het wordt gebruikt als het betrekkelijk voornaamwoord slaat op:

  • personen en zaken als onderwerp of als lijdend voorwerp.
    • El alud que sepultó a aquella gente vino muy rápido. (De lawine die die mensen begroef kwam erg snel)
    • El hombre que encontraste allí se llama José. (De man die je daar ontmoette heet José.)
  • zaken voorafgegaan door korte voorzetsels als a, con, de, en
    • La casa en que vivo es muy grande. (Het huis waarin ik woon is erg groot.)

Quien[bewerken]

  • Quien betekent wie en kan dus alleen betrekking hebben op personen. Quien kan ook vooraf worden gegaan door voorzetsels (kort en lang).
    • No sé con quien sales. (Ik weet niet met wie je uitgaat.)
    • ¿Conoces quien vive debajo de Paco? (Weet je wie beneden Paco woont?)
  • Als het het lijdend voorwerp is in de zin, wordt het voorafgegaan door het voorzetsel a:
    • Di un puntapié al hombre a quien me atropelló. (Ik heb de man die mij aanreed een schop gegeven.)
  • Als het antecedent ingesloten zit in quien, draagt het de betekenis "hij/zij, die". En kan dan door el que worden vervangen:
    • Quienes/Los que me atacaron son arrestados. (Zij, die mij hebben aangevallen zijn gearresteerd.)

Cuyo[bewerken]

  • Cuyo heeft de betekenis van de Nederlandse woorden wiens, wier en waarvan. Cuyo verbuigt zich niet naar de bezitter, maar naar het bezetene.
    • No compro este libro cuya información no es verdad. (Ik koop niet dit boek waarvan de informatie niet waar is.)
    • El edificio cuyo aire es sucio no puede ser utilizado. (Het gebouw waarvan de lucht vies is kan niet worden gebruikt.)

De bovenstaande twee zinnen zijn niet erg gebruikelijk, maar wel correct. Meestal wordt voor een andere formulering gekozen.

  • Cuyo kan niet vragend worden gebruikt. De quién (alleen personen!) wordt dan gebruikt, zoals wiens ook kan worden vervangen door van wie.
    • ¿De quién es este reloj? (Wiens klok is dit?/Van wie is deze klok?)

Het onzijdige lidwoord[bewerken]

Het (bepaalde) onzijdige lidwoord in het Spaans is lo. Er is geen onbepaald onzijdig lidwoord in het Spaans.

het Spaans gebruikt lo o.a. in:

  • In sommige gevallen wordt in het Nederlands een aanwijzend voornaamwoord gebruikt, ondanks dat eigenlijk niets wordt aangewezen, maar verwezen wordt naar iets dat bekend wordt verondersteld. In dit geval gebruikt het Spaans het onzijdige lidwoord:
    • Lo de mi amigo no es verdad. (Dat van mijn vriend is niet waar.)
  • Om een woord uit een andere categorie (bijvoeglijk naamwoord, bezittelijk voornaamwoord, voltooid deelwoord, ...) zelfstandig te maken:
    • Lo tuyo (het jouwe)
    • Lo dicho (het gezegde (dat wat gezegd is))
    • Lo negro (het zwarte)

Unos/unas[bewerken]

  • Vóór een telwoord betekent unos ongeveer:
    • Unos cincuenta metros (Ongeveer vijftig meter)
  • Als een zelfstandig naamwoord in het meervoud een beschrijvend bijvoeglijk naamwoord opneemt, krijgt het ook unos of unas mee (zonder een equivalente vertaling):
    • Hay unas cosas muy caras. (Er zijn heel dure dingen.)

Reflexieve werkwoorden[bewerken]

Veel Spaanse werkwoorden zijn reflexief, d.w.z. het lijdend voorwerp is hetzelfde als het onderwerp. Deze werkwoorden staan in de woordenlijsten in de infinitiefvorm: op -arse, -erse, -irse. Het se waarop deze werkwoorden eindigen is een partikel dat te vergelijken is met het Nederlandse zich. Soms hebben reflexieve werkwoorden ook een eigen betekenis. Alleen dan wordt zo'n werkwoord expliciet in de woordenlijsten gezet. Anders is de reflexieve vorm af te leiden door bijplaatsing van het reflexieve voornaamwoord.

Als voorbeeld van de vervoeging wordt llamarse (heten) gebruikt. Merk op dat de vervoeging exact hetzelfde is als die van de niet-reflexieve werkwoorden, afgezien van het reflexieve voornaamwoord.


llamarse
me llamo
te llamas
se llama
nos llamamos
os llamáis
se llaman
  • Merk ook de overeenkomst van de reflexieve voornaamwoorden 1e en 2e persoon met de lijdende persoonlijke voornaamwoorden op.
  • Verwar het reflexieve se niet met het onbepaalde se (men).

Men[bewerken]

  • Het vertalen van men met een reflexief werkwoord door se kan niet. In dit geval wordt het onpersoonlijke se vervangen door uno of una. Dit wordt verbogen naar geslacht; eventuele andere, afhankelijke woorden in de zin worden meeverbogen.
  • Als de spreker zichzelf meerekent (meestal in de constructie "je ..."), wordt men ook vertaald met uno (mannelijke spreker) en una (vrouwelijke spreker).
    • Una nunca sabe como acaba. (Je weet nooit hoe het afloopt.)
  • Als de spreker zichzelf helemaal niet meerekent en er eigenlijk net zo goed (of beter) de constructie ze (mv.) ... had kunnen staan, wordt dit men niet vertaald en gebruikt het Spaans een 3e persoon meervoud.
    • Esperan que todo se resuelva rápidamente. (Men hoopt dat alles zich snel oplost./Ze hopen dat alles zich snel oplost.)

(Merk het reflexieve se bij resuelva op.)

De vervoeging van de toekomende tijd[bewerken]

De vervoeging van de regelmatige futuro is voor alle werkwoorden gelijk. Deze wordt gevormd door de uitgangen achter de infinitiefvorm te plaatsen:

recordar pensar vivir
recordar-é pensar-é vivir-é
recordar-ás pensar-ás vivir-ás
recordar-á pensar-á vivir-á
recordar-emos pensar-emos vivir-emos
recordar-éis pensar-éis vivir-éis
recordar-án pensar-án vivir-án


De futuro, "ir a" of de presente voor een toekomstige gebeurtenis?[bewerken]

De futuro wordt gebruikt als:

  • Als het besluit om de handeling uit te voeren (nog) niet genomen is of op het moment van spreken valt.
  • Om een voorspellende ondertoon aan te geven.
  • Een belofte gedaan op het moment van spreken aan te geven.
  • Een vermoeden/onzekerheid aan te geven (let op: Nederlands vaak zou!)
  • Een afhankelijkheid van een toekomstig feit van een voorwaarde aan te geven.

Ir a + infinitivo wordt gebruikt als:

  • Als het besluit om de handeling uit te voeren al genomen is of op het moment van spreken wordt genomen.
  • Een afhankelijkheid van een toekomstig feit van een voorwaarde aan te geven.

De presente wordt gebruikt als:

  • Als de toekomstige gebeurtenis in de onmiddelijke toekomst ligt.
  • Om raad te vragen (let op: Nederlands zal!)


De vervoeging van poner (aanzetten, inschakelen), salir (uitgaan, vertrekken), traer (brengen, bezorgen, aandragen) en venir /ie/ (komen) in de t.t.[bewerken]

poner salir traer venir
pongo salgo traigo vengo
pones sales traes vienes
pone sale trae viene
ponemos salimos traemos venimos
ponéis salís traéis venís
ponen salen traen vienen

Rangtelwoorden[bewerken]

  • 1e primero
  • 2e segundo
  • 3e tercero
  • 4e cuarto
  • 5e quinto
  • 6e sexto
  • 7e séptimo
  • 8e octavo
  • 9e noveno
  • 10e décimo
  • 11e undécimo
  • 12e duodécimo


  • Rangtelwoorden boven de twaalf woorden erg zelden gebruikt in het Spaans en vervangen door een hoofdtelwoord:
    • El año veinte de esta organización causó muchos problemas. (Het twintigste jaar/jaar twintig van deze organisatie veroorzaakte veel problemen.)
  • Rangtelwoorden staan gewoonlijk vóór het bijbehorende zelfstandig naamwoord en verbuigen zich daarnaar in geslacht en getal:
    • En la segunda semana vino el problema. (In de tweede week kwam het probleem.)
  • Primero en tercero verliezen hun -o direct vóór een enkelvoudig mannelijk zelfstandig naamwoord:
    • El primer día. (De eerste dag)
    • El tercer siglo. (De derde eeuw)
    • La tercera semana. (De derde week)
    • Es el primero buen día del año. (Het is de eerste goede dag van het jaar.)
  • Ná namen van koningen, pausen, e.d. worden de rangtelwoorden tot 10e gebruikt, anders een hoofdtelwoord. Meestal wordt dit geschreven met Romeinse letters:
    • Carlos Quinto: Carlos V (Karel de Vijfde)
    • Juan Veintitrés: Juan XXIII (Johannes de Drieëntwintigste)

Kunnen[bewerken]

Kunnen heeft de volgende betekenissen met hun Spaanse equivalent:

  • In staat zijn:
    • Poder of ser capaz de
    • Vaak onvertaald bij zinnen van waarneming:
      • No veo nada desde allí. (Ik kan van daaruit niets zien.)
      • Se come bien en aquella restaurante. (In dat restaurant kun je goed eten.)
  • Mogelijk zijn en mogen/geoorloofd zijn:
    • Poder:
      • Puede (ser) que abran las tiendas por allí. (Het kan (zijn) dat ze winkels daar openen/dat de winkels daar open zijn.)
      • No se puede conducir aquí. (Men kan/mag hier niet rijden.)
  • Geleerd hebben
    • Saber

Let op het verschil:

  • No sé conducir. (Ik kan niet autorijden (omdat ik het niet geleerd heb).)
  • No puedo conducir. (Ik kan niet autorijden (omdat ik bijv. ziek ben).)


Woordenlijst[bewerken]

estilo = stijl
norte m = noorden
ibérico = Iberisch
asado = gebraden vlees, gebraad
horno de leña = houtoven
horno = oven
artesano = ambachtelijk;
especial = speciaal
selecto = select, uitgelezen
precio medio = gemiddelde prijs
cerveza = bier
pedir /i/ = bestellen
de primero = als voorgerecht
de segundo = als hoofdgerecht
suposición = veronderstelling
correcto = juist, correct
adjudicación = toewijzing
vegetariano = vegetarisch
exótico = exotisch
sencillo = eenvoudig
elegante = elegant, chic
pueblo = dorp; volk
cercano = dichtbij, nabij, naburig
Me da igual = Het kan mij niet schelen.
banquete = banket, feestaal, diner
vida = leven
estupendo = prachtig, geweldig
magnífico = prachtig, schitterend
verano = zomer
cerrar = sluiten
divertido = leuk
local = lokaal; zaal, ruimte; pand
centro histórico = historisch centrum
poseer = bezitten
patio = binnenplaats
espacioso = ruim
imitar = imiteren, namaken
interior = interieur, binnenkant
barco = schip
bien elaborado = goed uitgewerkt; hier: goed verzorgd
elaborar = uitwerken, bereiden
alrededor de = ongeveer, circa
carretera = (hoofd)weg
capital v = hoofdstad
verdura = groente
No cierra ningún día. = Geen sluitingsdag.
popular = populair, volks
asador = grillrestaurant; grill
cuidar = verzorgen
servicio = service; wc
festivo = feest- feestelijk
agosto = augustus



Uitdrukkingen[bewerken]

  • Iemand een schop geven = Dar un puntapié a u.p.
  • Opgestaan, plaats vergaan. = Quien se fue a Sevilla, perdió su silla. (Lett.: "Wie naar Sevilla is gegaan, is zijn stoel kwijt.")

Oefeningen[bewerken]

Door naar les 7

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.