Sociale geschiedenis van de late oudheid/Christendom

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Filosofie
  3. Eenvoud des harten
  4. Restauratie
  5. Christendom
  6. De kerk
  7. Kloosters
  8. Seksualiteit
  9. Bronnen en links

5. Christendom

Maagd en kind, Romeinse catacomben, vroege 4e eeuw
De hemel. Gravure van Gustave Doré, illustratie bij Dante's Goddelijke komedie
De hel. Herrad von Landsberg, ca. 1180
Mensen op de ladder naar de hemel. 12de eeuw

Overgang[bewerken]

Men vraagt zich wel eens af waarom de Romeinen, die toch ontwikkeld en machtig waren, zijn overgegaan tot het christendom. Een mogelijk antwoord zou kunnen zijn dat er in hun ontwikkeling al een aantal raakpunten met deze godsdienst waren ontstaan:

1) Monotheïsme. De ontwikkelde Romeinen waren na de eerste eeuw al steeds meer geïnteresseerd geraakt in een vorm van monotheïsme.
2) Filosofie. De Romeinse moraalfilosofen van de tweede en derde eeuw waren al opgenomen in het christendom.
3) Eenvoud des harten. De Joodse eis tot 'eenvoud des harten' en solidariteit aan elkaar en aan de religieuze wet, was in het christendom opgenomen. Dit idee sprak veel Romeinen aan, voornamelijk armen en slaven. De eis tot 'eenvoud des harten' kwam echter al snel onder druk te staan, omdat de kerk beschermheren met invloed en geld nodig had.
4) Verinnerlijking. Tot 100 na Chr. hielden de Romeinen zich niet zo bezig met zwaarwichtige onderwerpen als eenzaamheid. Zij stelden zich niet zoveel innerlijke vragen als "wie ben ik? Waarom besta ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen?" [1]. Pas in de tweede eeuw raakten de Romeinen meer op het innerlijke gericht. Men werd zwaarmoediger en sentimenteler. Men kon geobsedeerd raken door het eigen lijden, het eigen onvermogen en de diepte van de ziel. Het christendom zou deze verinnerlijking overnemen en verder verdiepen. De mens zou daardoor minder voornaam en hooghartig worden. De christenen zouden meer dan de Romeinen oog hebben voor de zwakkeren in de samenleving.

Autoritaire gezagsuitoefening[bewerken]

De christenen zouden niet alleen meer begrip voor de armen krijgen dan de Romeinen, maar ook een meer autoritaire vorm van leidinggeven aannemen. Vijftien eeuwen lang zou de kerk op een autoritaire wijze haar gelovigen leiden en haar gezag zou zich zelfs over de ziel uitstrekken. Daardoor zou de kerk veel begeerten onderdrukken en veel opstandigheid veroorzaken.

Monotheïsme[bewerken]

De monotheïstische God van de christenen was een wezen dat oneindig superieur was aan de mens en dat de wereld geschapen had. De christenen veranderden de relatie die de mens had met zijn God naar die van een kind met zijn vader. Daardoor werd het een godsdienst van gehoorzaamheid (van de gelovige) en liefde (van God). Maar die vader kon ook een verontrustende en almachtige willekeur tentoon spreiden.

Bekeringsdrift[bewerken]

De christenen geloofden dat op een dag de hele wereld hun gelijk zou aanvaarden. De Griekse en Romeinse filosofische sekten waren er van uitgegaan dat ze maar een beperkt aantal mensen zouden kunnen overtuigen en daar hadden ze vrede mee. Deze sekten probeerden mensen alleen op een rationele manier van hun gelijk te overtuigen. De christenen zouden gaan proberen om iedereen van hun gelijk te overtuigen. Eerst door hun heiligen als almachtige tovenaars voor te stellen[2] en later ook nog door het zwaard te hanteren. Door hun bekeringsdrift zouden de christenen meer mensen doden dan de klassenstrijd en mogelijk zelfs meer dan het patriottisme.

Huwelijk[bewerken]

De christenen vonden (net als de Romeinen na de eerste eeuw) dat het huwelijk gebaseerd moest zijn op wederzijdse vriendschap. Monogamie in het huwelijk zou verplicht worden. De christenen zouden zelfs gaan proberen om weduwen te verbieden om te hertrouwen.

Slavernij[bewerken]

De christenen piekerden er tot in de vierde eeuw niet over om de slavernij af te schaffen. Augustinus van Hippo rechtvaardigde aanvankelijk zelfs de slavernij. De vroege christenen hadden, als zij welgesteld waren, zelf ook slaven. Of zij hun slaven minder wreed straften, hen beter te eten gaven en tegen hen minder tyranniek waren dan de andere notabelen, is niet erg waarschijnlijk. Het concilie van Elvira veroordeelde christenvrouwen die hun dienstmeisjes dermate mishandelden dat ze er binnen vier dagen aan stierven.

Baden[bewerken]

Filosofen en christenen gingen maar een of twee keer per maand naar het badhuis. Dit deed men in verband met de soberheid die ze wilden uitstralen.

Spelen[bewerken]

Atleten, acteurs, wagenmenners en gladiatoren werden door het Romeinse volk verafgood. De christenen keurden dit alles af (evenals de meeste Romeinse filosofen). Ze vonden de theaters te wellustig, het circus te spannend en de arena te wreed. Gladiatoren bestempelden zij als vrijwillige moordenaars en zelfmoordenaars. Dat waren ze ook enigszins, anders zou hun schouwspel niet om aan te zien zijn geweest. De Romeinen genoten van het moment dat een van de gladiatoren hulpeloos op de grond lag en om genade vroeg. De mecenas en het publiek beschikten dan over zijn leven of dood. De christenen zouden later weliswaar dit genot afkeuren, maar niet de gruwelijkheid van de gevechten zelf.

Vervolgingen[bewerken]

De vroege christenen werden verschillende keren vervolgd. Veel van de slaven van de fiscus, door het gerecht veroordeeld tot dwangarbeid (en zweepslagen) op een van de keizerlijke domeinen, waren christenen. Notabelen die tot het christendom waren overgegaan, moesten soms vervolging ontvluchten door zich op hun landgoederen terug te trekken. Ook minder hooggeplaatste christenen verborgen zich daar tijdens vervolgingen.

Latere leerstellingen[bewerken]

Later zijn aan het christendom nog toegevoegd:
1) Leefregels. Er kwamen leefregels voor de christenen[3]. Diegenen die ze navolgden, zouden na hun dood naar de hemel (een prettig hiernamaals) gaan, diegenen die dat niet deden naar de hel (een zeer onprettig hiernamaals).
2) Zonde. Er werd een besef van 'zonde' geïntroduceerd. Seksualiteit (zelfs de gedachte eraan) werd aan zonde gekoppeld. Daardoor werd vrijwel iedereen een zondaar.
3) Satan. Het begrip 'duivel' werd geïntroduceerd. De splitsing tussen God en de duivel heeft uiteindelijk geleid tot een vorm van dualisme in het christendom. Vreemd genoeg werd deze vorm van dualisme pas gerealiseerd na de vernietiging van de (dualistische) Katharen in de vroege dertiende eeuw.[4]
4) Celibaat. Er kwam een verplicht celibaat voor de geestelijke leiders.

Overleven[bewerken]

De christenen bouwden kloosters en kerken waarvan vele de volksverhuizing hebben doorstaan zodat het christendom daarna weer kon opbloeien.

Noten[bewerken]

  1. Dit soort vragen stelde men zich pas later en ze zijn voornamelijk uit het christendom voortgekomen.
  2. Religion and the decline of magic, Keith Thomas, Penguin books, 1991, ISBN 978-0-14-013744-6
  3. De Romeinen moesten voor leefregels niet bij hun godsdienst zijn maar bij de filosofische sekten. Als men deze filosofische leefregels (vrijwillig) naleefde, zou men gemoedsrust kunnen verwerven (zich gelukkig voelen).
  4. Religion and the decline of magic, Keith Thomas, 1991, Penguin books, ISBN 978-0-14-013744-6
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.