Naar inhoud springen

Italiaanse renaissance/Beeldende kunsten

Uit Wikibooks

Italiaanse renaissance

Beeldende kunsten

[bewerken]
'La Primavera' van Sandro Botticelli, ca. 1478, Uffizi-museum Florence
Leon Battista Alberti

In de middeleeuwen werd kunst als een ambacht beschouwd, een ars mechanica die niet omwille van zichzelf werd beoefend maar gewoon met het doel iets te verfraaien of uit te beelden. Het praktische doel overheerste hierbij. Kerkgebouwen hadden in dat opzicht ook een soort functie, namelijk de mens dichter tot God te brengen en hem te sterken in wat hij geloofde, en hem waarschijnlijk ook ontzag in te boezemen. Dit werd vooral duidelijk in de gotische bouwstijl die gekenmerkt wordt door indrukwekkende, naar de hemel gerichte constructies. De bouwer en kunstenaar werd hierbij gewoon als een handwerksman gezien, niet als intellectueel.

Dit alles veranderde in de renaissance. Wat in de middeleeuwen al als artes liberales (vrije kunsten) bekend was, werd stilaan steeds belangrijker en begon deel uit te maken van een meer intellectuele visie op de beeldende kunsten. Kunst had nu een veel individueler doel en werd een intellectueel procedé, waarbij zij voor de eerste keer in de kunstgeschiedenis werd geassocieerd met de theorie van het schone. Die relatie tussen intellect en kunst vonden de humanisten ook terug in de geschriften van Plato en Aristoteles. Deze Griekse denkers zouden een grote impact hebben op de kunsttheorie van de renaissance. Uiteindelijk zou Aristoteles een grotere invloed uitoefenen en werd het verwezenlijken van schoonheid vooral door toepassing van een aantal vaste regels bepaald en niet, platonisch geïnterpreteerd, als een nabootsing van een ideaal dat eigenlijk niet te verwezenlijken was.

De traktaten van Alberti

Degene die de kunsttheorie een theoretische basis gaf, was [Leon Battista Alberti. Hij schreef drie traktaten over kunst:

  1. De pictura over de schilderkunst (1435)
  2. De statua over de beeldhouwkunst (ca. 1464)
  3. De re aedificatoria over de architectuur (ca. 1452)

Deze traktaten zetten de toon voor een meer empirische (aristotelische) benadering van de beeldende kunsten. Alberti's opvatting van kunst zou heel invloedrijk blijken en zijn ideeën over disegno, imitatio en harmonie (als herschepping van de natuur) vonden bij kunstenaars en humanisten snel ingang.

Iemand die met zijn opvattingen tegen Alberti's nadruk op de juiste proportie en toepassing van regels inging, was de filosoof Marsilio Ficino. Hij benadrukte eerder het metafysische en het onzichtbare, iets dat niet in de materiële wereld kon worden gevonden door nabootsing van de natuur. Bij hem ging het eigenlijk meer om de inspiratie, de intuïtie en het creatieve idee, dan om de kunde van de maker. Hij volgde hierin dus meer Plato dan Aristoteles.

Door welke kunstenaars deze beide opvattingen dan wel werden nagevolgd is natuurlijk niet zo eenduidig vast te stellen. Zo schrijft Rafaël in een brief aan zijn vriend Baldassare Castiglione dat hij om een mooie vrouw te kunnen schilderen allerlei mooie onderdelen van vrouwen moet kunnen tekenen. Maar in diezelfde brief zegt hij dan weer dat hij - als die 'onderdelen' niet beschikbaar zijn... een beroep doet op een 'certa idea' en dat klinkt dan weer erg platonisch.

Michelangelo kan dan weer gelden als voorbeeld van een kunstenaar die zijn onderwerp meer vanuit een metafysisch perspectief benadert. Van hem is de uitspraak bekend dat hij met het onbewerkt blok marmer voor zich, het beeld er al in ziet zitten en het er gewoon moet 'uithalen'. Hij zag het kunstenaarschap eerder als een individueel talent, niet als de toepassing van vaststaande regels. Een kunstenaar moest beschikken over het 'kunstenaarsoog' (giudizio dell' occhio).

Schilderij van Paris Bordone met sterke perspectiefwerking: Overhandiging van de Ring aan de Doge van Venetië, 1534
De Roeping van Sint Mattheus, toepassing van chiaroscuro door Caravaggio, omstreeks 1600
Invloed van Alberti's 'Della Pintura'

De invloed van Alberti's 'Della Pintura' (Latijn: de Pictura) was aanzienlijk. Centraal in dit werk staan een aantal begrippen die ieder renaissancekunstenaar geacht werd te kennen. Twee van de belangrijkste waren:

  • historia (geschiedenis of vertelling): de voorstelling moest een verheffend verhaal vertellen. Dit werd bereikt door de personages in handeling te tonen, door hun expressie in gelaat en gebaren.
  • Compositio: De handeling moest zich binnen een perspectivische ruimte afspelen. Door houdingen en gebaren werd de compositie samengesteld. Voor de interpretatie van die houdingen moest de toeschouwer kennis hebben van het werk van klassieke auteurs zoals Cicero en Quintilianus.

Het doel van de historia was een heldere, geordende voorstelling, die de toeschouwer kon ontroeren, instrueren en verbazen.

Onderscheid met middeleeuwse kunst

Wat de renaissancekunst van middeleeuwse kunst onderscheidde was dus onder meer het volgende:

  • behalve voor Bijbelse thema's werd nu ook voor seculiere thema's gekozen, doordat niet alleen de kerk, maar ook rijke kooplieden en podesta's opdracht gaven tot het maken van schilderijen en sculpturen.
  • de visie op de kunstenaar als uomo di ingegno (genie) - vooral vanaf de hoogrenaissance - waardoor het onderscheid tussen kunstenaar en intellectueel werd verkleind.
  • de invloed van het humanistisch gedachtegoed op de praktijk van het kunstenaarschap.
  • het streven naar een groter realisme; in de schilderkunst werd dit bereikt door:
    • de doorgedreven toepassing van perspectief,' met als pioniers Brunelleschi en Masaccio.[1] De driedimensionale afbeelding op een plat vlak verhoogde het realisme aanzienlijk.
    • toepassing van 'het verkort': een effect waarbij de schilder door kortere lijnen de illusie van diepte creëert, bijvoorbeeld door een arm korter te tekenen die naar de toeschouwer gericht is.
    • sfumato (van het Latijn fumare, rook/roken) - de term werd aangebracht door Leonardo da Vinci en verwijst naar een schildertechniek waarbij scherpe contouren worden verzacht door subtiel mengen van kleuren in de overgangen. Een andere techniek die werd toegepast om meer diepte aan de kleur te geven was glaceren: het schilderen van verschillende transparante kleuren over elkaar heen. Vaak werd een schilderij zes maanden of langer weggezet in het atelier voor een volgende laag werd opgebracht.
    • chiaroscuro - (van het Italiaans chiaro, licht en scuro, donker) een techniek waarbij hoogbelichte en donkere partijen naast elkaar worden gezet. Het daardoor ontstane contrast geeft een illusie van diepte en driedimensionaliteit. Sfumato is het tegengestelde van chiaroscuro.
Santa Maria Novella in Florence, ontworpen door Leon Battista Alberti
Tempietto di San Pietro in Montorio van Bramante



voetnoten

[bewerken]
  1. Filippo Brunelleschi was Masaccio's vriend, en men veronderstelt dat hij hem bijvoorbeeld met het schilderij De heilige drie-eenheid uit 1425 heeft geholpen bij de perspectiefconstructie.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.