Transfusiegeneeskunde/Trombocytopenie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Transfusiegeneeskunde

  1. Over het boek
  2. Inleiding
  3. Bloedtransfusie in prematuren en neonaten
    1. Anemie in prematuren
    2. Anemie in neonaten
    3. Trombocytopenie
    4. Foetale & Neonatale Alloimmuuntrombocytopenie (FNAIT)
    5. Plasmatransfusie
    6. Wisseltransfusie
    7. Massale transfusie


Incidentie: Trombocytopenie (< 150 x 109/L trombocyten) komt voor bij 1% van de neonaten (ong. 2000 per jaar)

Behandeling:

Allereerst vaststelling van oorzaak van trombocytopenie
Therapeutisch: Aferesetrombocyten (van één donor; in plasma, PAS II of geconcentreerd): 10-20 ml x 109/ kg

Inleiding[bewerken]

Een normaal trombocytenaantal is al vroeg in de ontwikkeling van de foetus aanwezig; de zwangerschapsduur is hierin niet bepalend. Lage trombocytenaantallen bij de prematuur of neonaat duiden op een onderliggend probleem; de incidentie is het hoogst bij ernstig zieke en/of premature neonaten (20-30%). Bij prematuren is trombocytopenie door verbruik het meest voorkomend, voornamelijk door infecties. Naast trombocytopenie spelen ook vasculaire fragiliteit en cardiovasculaire instabiliteit een rol bij het ontstaan van bloedingen bij voeggeborenen. Bij prematuren met een geboortegewicht < 1500 gram en trombocytenaantal < 100 x 109/L is er een toegenomen kans op intracraniële bloedingen. De oorzaak van persisterende trombocytopenie bij voldragen neonaten is vaker het gevolg van immunologische of genetische factoren.

Indeling van meest voorkomende oorzaken van foetale en noenatale trombocytopenie. Adaptatie van Alberts et al. 2008 [1]
Foetaal Allo-immuun
Congenitale infectie
Chromosomale afwijkingen
Vroeg neonataal (<72 uur) Chronische foetale hypoxie
Perinatale asfyxie
Perinatale infectie
Laat neonataal (>72 uur) Late-onset sepsis
Necrotiserende enterocolitis



Trombocytentransfusies bij prematuren en neonaten zijn enerzijds gericht op behandeling van bloedingen of preventief bij invasieve procedures; anderzijds kan er ook sprake zijn van profylactische trombocytentransfusies.

Trombocytentransfusiebeleid bij foetale/neonatale alloimmuuntrombocytopenie (FNAIT) en bij neonaten waarvan de moeder een idiopatische autoimmuuntrombocytopenie (ITP) heeft worden apart behandeld.

Triggers trombocytentransfusie[bewerken]

Er is geen evidence-based richtlijn voor de toediening van trombocyten bij prematuren en neonaten. De meeste richtlijnen adviseren een trombocytenaantal van > 50 x 109/L als transfusietrigger te hanteren bij neonaten met een manifeste (intracraniële) bloeding. Er is één gerandomiseerde studie bij premature neonaten waarbij een transfusietrigger van < 150 x 109/L niet de incidentie van intracraniële bloedingen verminderde ten opzichte van een trigger van < 50 x 109/L. De richtlijn bloedtransfusie 2011.geeft de huidige aanbevelingen aan op basis van patiëntengroepen en indicaties.

Behandelingskeuze trombocytenconcentraat[bewerken]

Trombocytenconcentraat: pediatrische eenheden[bewerken]

Er is geen gerandomiseerd klinisch onderzoek verricht naar de optimale dosering van trombocytentransfusies en naar effecten van verschillende trombocytenproducten bij neonaten. Aanwijzigingen variëren van 10 tot 20 ml x 109/kg. Een toediening van 10 x 109 trombocyten/kg geeft een stijging van ongeveer 50 x 109/L.

Voor prematuren en neonaten zijn er in Nederland aferesetrombocyten beschikbaar, leukocyten verwijdert, afkomstig van één mannelijke donor. Deze aferesetrombocyten worden gesplitst voor gebruik in eenheden met minimaal 50 x 109 trombocyten in een volume van 40-70 ml. In geval van incompatibel plasma, dient de titer anti-A en/of anti-B < 1:64 te zijn (dit wordt al standaard aangegeven op de pediatrische eenheden trombocyten). Daarnaast zijn er geconcentreerde trombocyten bestemd voor neonaten. Deze worden geleverd in een spuit of zakje van 8-10 ml met 60-85 x 109 trombocyten. De houdbaarheid van spuit en zakje zijn respectievelijk 3 en 6 uur! Indicaties voor geconcentreerde trombocyten zijn: overvulling, allergische reacties en beperking van blootstelling aan anti-A/anti-B antistoffen.

Bestralen, CMV- en Parvoveilig[bewerken]

Voor prematuren met een geboortegewicht van < 1500 gram worden bestraalde trombocyten aanbevolen te voorkoming van transfusie-geassocieerde Graft-versus-Host-Disease (TA-GVHD). Sinds de invoering van de algehele leukocytendepletie wordt ervan uitgegaan dat de te transfunderende bloedproducten CMV veilig zijn. Voor prematuren (< 32 weken en/of < 1500 gram) is het advies om Parvoveilig te transfunderen. Voor prematuren na intra-uteriene transfusie geldt dit tot 9 maanden na de bevalling.

Alternatieve behandelingen[bewerken]

Er zijn geen alternatieven voor trombocytentransfusies bij prematuren en neonaten. In geval van een trombocytopathie kan recombinant FVIIa een optie zijn.

Referenties[bewerken]

  1. Roberts I, Stanworth S, Murray NA. (2008) Thrombocytopenia in the Neonate Blood Reviews 22(4):173-186 PMID=18433954
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.