Transfusiegeneeskunde/Foetale & Neonatale Alloimmuuntrombocytopenie (FNAIT)

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Transfusiegeneeskunde

  1. Over het boek
  2. Inleiding
  3. Bloedtransfusie in prematuren en neonaten
    1. Anemie in prematuren
    2. Anemie in neonaten
    3. Trombocytopenie
    4. Foetale & Neonatale Alloimmuuntrombocytopenie (FNAIT)
    5. Plasmatransfusie
    6. Wisseltransfusie
    7. Massale transfusie

Incidentie: 1 op 1100 zwangerschappen (2% van de Caucasiërs zijn negatief voor HPA-1a)

Behandeling:

Postnataal: HPA-compatibel trombocytenconcentraat (HPA-1a negatief op voorraad bij Sanquin). In afwachting van HPA-compatibel concentraat kan alvast random trombocytenconcentraat gegeven worden
Prenataal: intraveneus immuungolbuline (IVIG) aan moeder (1 mg/kg per week) electieve sectio 34-37e week met HPA-compatibele trombocyten op voorraad

Inleiding[bewerken]

Foetale/neonatale alloimmuntrombocytopenie (FNAIT) is een trombopenie bij de foetus of neonaat als gevolg van maternale IgG allo-antistoffen gericht tegen een van de vader afkomstig en bij de foetus/neonaat aanwezig trombocyt-specifiek antigeen: human platelet antigen (HPA). De meeste gevallen van FNAIT bij Caucasiërs wordt veroorzaakt door achtereenvolgens anti-HPA-1a (78%), anti-HPA-5b (19%) en anti-HPA-3a. Caucasiërs zijn in 2% van de gevallen negatief voor HPA-1a; FNAIT treedt op in circa 1 op 1100 zwangerschappen.

Human Platelet Antigens Antigen Glycoprotein/CD Frequentie fenotype
HPA-1 HPA1a GPIIIa/CD61 72% a/a; 26% a/b; 2% b/b
HPA-1b
HPA-3 HPA-3a GPIIb/CD41 37% a/a; 48% a/b; 15% b/b
HPA-3b
HPA-5 HPA-5a GPIa/CD49b 80% a/a; 19% a/b;1% b/b
HPA-5b

Kliniek FNAIT[bewerken]

Het gevaar van FNAIT is het ontstaan van intracraniële bloedingen (ICH= intracranial hemorrhage) bij de foetus of neonaat. De frequentie van ICH is ongeveer 10-15%. ICH kan al in utero optreden, met name in het 3e trimester. De meeste pasgeborenen met FNAIT vertonen geen afwijkingen, alleen puntbloedinkjes of bloedingen van punctieplaatsen. Bij FNAIT is in 50% van de gevallen het eerste kind aangedaan en wordt meestal pas na de geboorte gediagnosticeerd. In een volgende zwangerschap van een HPA-1a positief kind is de trombocytopenie idem of erger. Er zijn aanwijzingen dat na de geboorte van een kind met ICH, de kans op ICH in een volgend HPA-1a positief kind ongeveer 80% is. Indien een vorig kind wel trombocytopenie had, maar geen ICH is die kans bij een volgend kind 7-13%. Het trombocytenaantal herstelt gewoonlijk 1-2 weken na de partus.

Diagnose[bewerken]

De diagnose kan gesteld worden door middel van het aantonen van maternale antistoffen tegen HPA (MAIPA) of HPA genotypering van ouders en de pasgeborene.

Behandeling[bewerken]

Bij de behandeling dient onderscheid te worden gemaakt tussen een neonaat met onverwachte trombocytopenie (postnataal) of een zwangerschap waarbij sprake is van een HPA-incompabiliteit na een voorafgaand kind met FNAIT (prenataal).

Postnataal[bewerken]

Bij een voldragen pasgeborene met een trombopenie < 50 x 109/L met uitsluiting van andere oorzaken (congenitale afwijkingen, ITP bij de moeder, infecties) dient diagnostiek voor FNAIT te worden ingezet. Bij bloedingneiging van de neonaat dient conform de aanbevelingen richtlijn bloedtransfusie 2011 te worden getransfundeerd met trombocytenconcentraat. HPA gematchte trombocytenconcentraten geven de beste opbrengst; daartoe heeft Stichting Sanquin Bloedvoorziening altijd een HPA-1a negatief trombocytenproduct op voorraad. Echter, er is aangetoond dat random trombocytentransfusies bij neonaten met FNAIT een zeer redelijke opbrengst kunnen geven in afwachting van HPA-compatibele trombocytenconcentraten. Andere behandelingsopties hebben geen direct resultaat (corticosteroiden, IVIG).

Prenataal[bewerken]

Als een eerder kind bekend is met vastgestelde FNAIT wordt de moeder tijdens de zwangerschap behandeld met intraveneus immuunglobuline (IVIG, 1 mg/kg per week). Deze behandeling wordt gecoordineerd door het landelijk expertisecentrum in het LUMCwww.lumc.nl/verloskunde. Van IVIG is beschreven dat het trombocytenaantal van de foetus wordt verhoogd en de kans op ICH wordt verkleind. Er is geen bewijs dat een sectio veiliger is dan een vaginale partus bij FNAIT. Het beleid rondom de geboorte wordt individueel vastgesteld. Bij de meeste zwangerschappen met FNAIT en behandeling met IVIG wordt de baring ingeleid rond 37 weken, in een perinatologisch centrum, met HPA-compatibele trombocyten op voorraad.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.