Transfusiegeneeskunde/Massale transfusie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Transfusiegeneeskunde

  1. Over het boek
  2. Inleiding
  3. Bloedtransfusie in prematuren en neonaten
    1. Anemie in prematuren
    2. Anemie in neonaten
    3. Trombocytopenie
    4. Foetale & Neonatale Alloimmuuntrombocytopenie (FNAIT)
    5. Plasmatransfusie
    6. Wisseltransfusie
    7. Massale transfusie

Incidentie: Meestal door wisseltransfusie, extracorporele membraan oxygenatie of chirurgie congenitale corvitia

Behandeling: Substitutie erytrocyten, trombocyten, stollingsfactoren, cave hyperkaliëmie

Inleiding[bewerken]

Van massale transfusie bij neonaten wordt gesproken bij transfusies van > 80ml/kg binnen 24 uur of bij een transfusiesnelheid van > 5 ml/kg/uur. Een massale transfusie wordt gegeven bij wisseltransfusie, priming van extracorporele membraanoxygenatie (ECMO) en bij hartchirurgie ter correctie van congenitale corvitia. Door de snelle of veelvuldige toediening van (bloed)producten bestaat er kans op hyperkaliëmie. Een kaliumconcentratie > 8 mmol/L veroorzaakt ritmestoornissen en een kaliumconcentratie > 10 mmol/L is dodelijk. Omwille van de kaliumconcentratie en de lage 2,3-DPG concentratie in bewaard bloed, wordt geadviseerd om erytrocyten met een maximale bewaarduur van 5 dagen te gebruiken.

Wisseltransfusie[bewerken]

Meer informatie over wisseltransfusies is te vinden op de pagina wisseltransfusie van dit boek.

Extracorporele Membraan Oxygenatie[bewerken]

Extracorporele membraan oxygenatie (ECMO) wordt toegepast bij prematuren en neonaten met levensbedreigend maar potentieel reversibel respiratoir en/of cardiaal falen, zodat toch weefseloxygenatie kan plaatsvinden. Met name bij jonge kinderen is er een duidelijke overlevingswinst door gebruik van ECMO.

Voor het primen van de ECMO wordt relatief veel erytrocytenconcentraat gegeven. Daarnaast is er veelal sprake van hemolyse gedurende het verblijf aan de ECMO als ook trombocytendestructie. Verder is bij ECMO het gebruik van heparine als antistollingsmiddel noodzakelijk. Bloeding en trombose zijn de meest frequente complicaties. Derhalve is frequente monitoring zowel klinisch als door laboratoriumonderzoek essentieel voor een goede balans tussen hemostase en trombose. De trombocytendrempelwaarde tijdens ECMO is 100 x 109/L. Vaak worden profylactisch trombocytenconcentraten toegediend. Ter correctie van de stolling kunnen ook FFP’s toegediend worden.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.