Onderwijs in relatie tot P2P/Toetsing aan praktijk en theorie/Foucault: normalisering

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Michel Foucault en normalisering[bewerken]

Naar een microfysica van de macht[bewerken]

Michel Foucault publiceert in 1975 het boek “Straf, discipline en toezicht: de geboorte van de gevangenis”. Hoewel het boek vooral gaat over het ontstaan van de moderne gevangenis en moderne manieren van straffen, gaat het ook dieper in op wat in dezelfde periode gebeurt in fabrieken, medische instellingen, het leger, maar ook in het onderwijs. Wat Foucault wil begrijpen is de overgang van een regime van lijfstraffen naar een regime waarin we mensen opsluiten in afzonderlijke cellen en waar er zorg kan worden besteed aan ‘de ziel’ van de wetsovertreder. Vaak zien we deze overgang, aldus Foucault, als een proces van humanisering, van vooruitgang en van een groeiende mildheid in het omgaan met wetsovertreders. Alsof de mens in die periode eindelijk de ziel van de misdadiger ontdekt. Dat zal Foucault op zich niet ontkennen, maar hij vreest dat een dergelijke duiding en verklaring eigenlijk iets belangrijk aan het zicht onttrekt. Wat het aan het zicht onttrekt is dat er ook in de nieuwe, meer ‘humane’, vormen van straffen, en ook in die typische moderne instellingen zoals de fabriek en de school, vormen van macht en sturing aanwezig zijn. Meer nog: Foucault wil aantonen dat de ontdekking van (de ziel, identiteit of individualiteit van) ‘de misdadiger’ maar ook ‘de leerling’ niet kan losgekoppeld worden van die nieuwe vormen van macht. Pas door die mensen en kinderen op een bepaalde manier in een bepaalde ruimte te plaatsen kan er volgens Foucault zoiets als de ‘individualiteit’ van de misdadiger en de leerling ontstaan. Foucault wil precies daarom die nieuwe vormen van macht in samenhang met ‘de moderne ziel’ beschrijven. “Maar hoe moet deze geschiedenis van de moderne ziel voor het gerecht worden geschreven? Wie zich beperkt tot de ontwikkeling van de rechtsregels of de strafprocedures loopt het gevaar om veranderingen in de collectieve gevoeligheid, een voortschrijdende humanisering of de ontwikkeling van de menswetenschappen te laten gelden als compacte, zelfstandige, onveranderlijke en oorspronkelijke feiten. Wie enkel de algemene maatschappelijke fenomenen bestudeert, zoals Durkheim, loopt het gevaar processen van individualisering als oorzaak van de verzachting van het straffen aan te geven, terwijl deze veeleer een effect zijn van de nieuwe machtstechnieken, waaronder de nieuwe strafmechanismen.” (Foucault, 1975, p.36-37) Foucault pleit in deze context voor een microfysica van de macht. Hij neemt dus expliciet afstand van historici en sociologen die zich toespitsen op algemene, structurele transformaties om veranderingen in het sociale en individuele leven te verklaren. Foucault richt zich daarentegen naar hoe macht werkt in heel concrete settings zoals de gevangenis of de school, en heel specifieke situaties zoals klassikale interacties. Op die manier toont hij aan hoe die macht of sturing werkt, maar ook dat het allemaal vaak zo vanzelfsprekend is dat we het niet meer als dusdanig opmerken of zien.

Disciplinaire macht en normalisering[bewerken]

Het volgende tekstfragment van Foucault – waarin hij gebruik maakt van tekstfragmenten uit die periode – maakt de inzet van zijn analyse duidelijk: “Het klaslokaal zou dan onder de zorgvuldig 'classificerende' blik van de meester één grote tabel vormen met velerlei ingangen. ‘In alle lokalen krijgt iedere leerling voor iedere les een vaste plaats toegewezen, zodat de leerlingen die een bepaalde les volgen altijd bij elkaar zitten. De leerlingen van de hoogste klas krijgen een bank dicht hij de muur, en de anderen zitten afhankelijk van hun vorderingen verder naar het midden van het lokaal. Iedere leerling krijgt een vaste plaats en verlaat of verruilt deze niet dan in opdracht of met toestemming van de schoolinspecteur.’ Er wordt voor gezorgd dat ‘degenen die door hun ouders worden verwaarloosd en ongedierte hebben, gescheiden worden van degenen die proper zijn en vrij van ongedierte; dat een ongedurige en onbezonnen leerling wordt geplaatst tussen twee rustige en verstandige leerlingen, en een losbandige apart of tussen twee die godvruchtig zijn’. (Foucault, 1975, p. 205) Het gaat hier om wat Foucault disciplinaire macht noemt. Die vorm van macht is erop gericht om mensen op zo’n manier te sturen dat de bekwaamheden van die mensen op een maximale manier kunnen worden gebruikt. Onderdeel van die disciplinaire macht is een specifieke taal en instructie: “Zelfs de afzonderlijke elementen van mondelinge orders fungeren als signalen: -Neem plaats in de banken. Bij de woorden Neem plaats leggen de kinderen met een klap de rechterhand op de tafel en tegelijkertijd stappen ze met één been in de bank; bij de woorden in de banken stappen ze met het andere been in de bank en gaan ze voor hun leien zitten. Neem de leien. Bij het woord Neem brengen de kinderen de rechterhand naar het touwtje waarmee de lei aan de spijker is opgehangen, en met de linkerhand pakken ze de lei vast; bij de woorden de leien haken ze deze los en leggen haar op de tafel .” (Foucault, 1975, p. 233). Hier zien we duidelijk hoe Foucault de microfysica van de macht in kaart wil brengen.

Eigen aan die disciplinair vorm van macht – die hij ziet ontstaan in de gevangenis, de fabriek en ook in de school - is volgens hem de ‘normaliserende sanctie’. Foucault ziet in die instellingen talrijke interne strafmechanismen ontstaan, dit wil zeggen vormen van straffen (en belonen) die deel uitmaken van het aansturen van mensen (kinderen, arbeiders, zieken, …) in die instellingen. Het doel van die sancties is om te corrigeren en dus om afwijkingen heel snel bij te sturen. Foucault spreekt hier van een systeem van dressuur aan de hand van specifieke sancties en beloningen dat de bedoeling heeft om voortdurend verbeteringen aan de brengen. Van belang in deze context is niet zozeer een geheel van wetten en het straffen van wie de wet overtreedt, maar een systeem van normen en pogingen om personen die handelingen stellen die afwijken te normaliseren. Het gaat dus niet om de vraag of iets legaal is dan wel illegaal, maar om gradaties vast te stellen in normaliteit. Leerlingen worden in een rangordening geplaatst, vergeleken om hun verschillen en identiteiten vast te stellen, en dus wordt het ook mogelijk om iets te zeggen over de normaliteit van de leerling (bijvoorbeeld, is de ontwikkeling of groei van iemand normaal of abnormaal, en zijn er sancties nodig?). Foucault wil beklemtonen dat door deze vorm van macht het mogelijk wordt te spreken over de individualiteit (identiteit, groei, ontwikkeling, normaliteit, …) van iemand. Vandaar dat hij beklemtoont dat deze vorm van macht (in scholen, fabrieken, ziekenhuizen, …) kennis (over het individu) mogelijk maakt. Onze (moderne) individualiteit en ‘ziel’ is volgens Foucault dus een uitvinding van de macht.

Het examen als kernelement van een disciplinaire samenleving[bewerken]

Voor Foucault speelt ‘het examen’ een bijzonder belangrijke rol in de nieuwe vormen van macht die hij ziet ontstaan in achttiende en negentiende eeuw. Het examen is een vorm van ‘onderzoek’, en wordt gebruikt in het onderwijs maar vaak ook in de gevangenis of de fabriek. In het examen komen ‘macht(suitoefening)’ en ‘kennis(vorming)’ samen aangezien het een techniek is die wordt toepast op een individu en eigenlijk probeert kennis te onttrekken aan dat individu. Neem het schoolexamen. Het schoolexamen evalueert natuurlijk de prestaties van een leerling, maar het examen (eventueel door het opstellen van ‘het gemiddelde’) doet tegelijkertijd een uitspraak over de mate van normaliteit van die leerling. Door het examen wordt iedereen ‘een geval’ of ‘een case’, en beschikt de school en de leerkracht over kennis die kan helpen om de betreffende leerling verder te sanctioneren, bij te sturen etc. Het examen laat met andere woorden een 'normaliserend oordeel' toe. Een examenoordeel, zo suggereert Foucault, is nooit enkel een oordeel in termen van ‘jij ben juist of fout’ of ‘goede of slechte prestaties’, maar ook altijd een uitspraak over de mate normaliteit van wat iemand doet en presteert en uiteindelijk over de normaliteit van iemand zijn of haar individualiteit en persoon. Foucault zal nog een stap verder gaan. Hij zal zeggen dat de techniek van het examen (en dus de informatieverzameling die het examen mogelijk maakt) aan de basis ligt van het ontstaan van de menswetenschappen. Maar dat betekent ook dat de menswetenschappen (van criminologie en psychologie tot pedagogische wetenschappen) van bij hun ontstaan een normaliserende werking hebben. Deze wetenschappen, zo stelt Foucault, bevrijden de mensen niet (door eindelijk de ware kennis te verzamelen), maar oefenen meteen ook macht op hen uit door hen te normaliseren. Meer algemeen zal Foucault spreken over de moderne samenleving als een disciplinaire samenleving, dit wil zeggen een samenleving waar op de meest uiteenlopende plaatsen een microfysica van de macht aanwezig is die mensen dresseert en hen vervolgens ook nuttig maakt voor bijvoorbeeld het onderwijsproces, het productieproces, het genezingsproces, etc. Foucault stelt daarom ook: “(…) is het verwonderlijk dat de gevangenis lijkt op de fabriek, de school, de kazerne, het hospitaal – en dat deze op hun beurt allemaal lijken op de gevangenis?” (Foucault, 1975, p.313). Foucault beweert niet dat deze instellingen allemaal hetzelfde zijn en hetzelfde nastreven, maar wel dat de machtsuitoefening gelijkaardig is. En dat je dat ook aan hun architectuur ziet. Foucault argumenteert bovendien ook dat de experten in de menswetenschappen, die werken in deze instellingen, de handlangers zijn van deze disciplinaire macht.

Reflecties over normalisering[bewerken]

De kernproblematiek die Michel Foucault aansnijdt is die van de micro-sturing. Er zijn subtiele manieren van straffen en belonen, en er is disciplinering in functie van normalisering. Foucault maakt op die manier duidelijk waar onze genormaliseerde, competitieve individualiteit (die we vaak als vanzelfsprekend zien) eigenlijk vandaan komt. Dat we gevoelig zijn voor beloningen (en er ons door laten leiden) en dat we ons voortdurend vergelijken met anderen (en dus competitief aangelegd zijn) is niet iets dat er van nature is. Dit soort van eigenschappen en dit type van individualiteit is volgens Foucault historisch tot stand gekomen. Nog breder geformuleerd: Foucault laat zien dat aspecten zoals straffen en belonen (om te leren), individualiteit, normaliteit en motivatie (en eventueel het gebrek daaraan) geen natuurlijke gegevenheden zijn. Zijn genealogische benadering laat dus de herkomst of ontstaansgeschiedenis zien van wat we vandaag als natuurlijk of als een gegevenheid beschouwen (en dus opvatten als iets dat geen herkomst of ontstaan heeft, maar er altijd al geweest zou zijn en zal blijven zijn). Belangrijk in deze genealogische benadering is dat men niet uitgaat van een noodzakelijke koppeling tussen educatie en kapitalisme. In conflict benaderingen zoals bij Bourdieu of Apple is dat wel het geval – de logica van het kapitaal verklaart volgens hen heel vaak wat er in scholen gebeurt. Voor Foucault is er hoogstens een soort van ‘tactische alliantie’ tussen de microfysica van de macht (in bijvoorbeeld scholen) en eventuele macrofysische fenomenen (zoals het kapitalisme). Zijn standpunt is dat als jij enkel kijkt naar het macrofysische (zoals het kapitalistisch systeem), je dan belangrijke microfysische machtsfenomenen uit het oog verliest.

Referenties[bewerken]

Foucault, M. (1975/1985). Straf, discipline, toezicht. De geboorte van de gevangenis. Boom: Meppel.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.