Onderwijs in relatie tot P2P/Toetsing aan praktijk en theorie/Bourdieu: reproductie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pierre Bourdieu: onderwijs en reproductie[bewerken]

Hoeveelheid én samenstelling van kapitaal[bewerken]

In La distinction (1979) gaat Bourdieu in op de sociale dimensie van smaakverschillen, en meer bepaald hoe verschillen in smaak in sociaal opzicht onderscheidend werkt. Hiervoor gaat zijn aandacht niet enkel uit naar de totale hoeveelheid kapitaal dat aanwezig is, maar ook de samenstelling van dat economische en culturele kapitaal. Het economische kapitaal verwijst in eerste instantie naar financiële middelen en onroerend goed, terwijl het culturele kapitaal verwijst naar kennis en opleidingen (Bourdieu, 1986). Dit uitzettend op twee assen resulteert in vier kwadranten waarbinnen verschillen tussen groepen en hun uitdrukkingen van levensstijl en culturele smaak te situeren zijn (aangepaste figuur door Largot (2006), op basis van originele figuur in La distinction (1979)).

Espace social de Bourdieu.svg

Belangrijk is dat er ook een dynamiek in klassenstructuur terug te vinden, en met name de beweging om aspecten van de levensstijl van een hogere klasse toe te eigenen waardoor men zich ‘onderscheidt’ van een lagere klasse, en waardoor die hoger klasse natuurlijk op zoek moet naar andere statussymbolen.

Onderwijs en ongelijkheid[bewerken]

De cultuursocioloog Pierre Bourdieu heeft samen met Passeron belangrijk onderzoek verricht naar de wijze waarop het onderwijs, ondanks haar onafhankelijkheid en objectiviteit, sociale ongelijkheid reproduceert. Bourdieu bestudeert de relatie tussen onderwijs en de samenleving met name vanuit de manier waarop onderwijs sociale ongelijkheid in die samenleving niet wegwerkt – zoals zo vaak geclaimd – maar in tegendeel reproduceert. Volgens Bourdieu is de verwijzing naar onafhankelijkheid en objectiviteit – bijvoorbeeld in het examen – een manier om die reproductie van sociale ongelijkheid aan het zicht te onttrekken. Waar het Bourdieu (1970) precies om te doen is, komt heel duidelijk tot uitdrukking in dit lange citaat: “Om de aan de taak van het onderwijssysteem verbonden kenmerken van het functioneren te begrijpen, moet men erkennen dat dat onderwijssysteem de zelfstandigheid bezit die het opeist en die het blijft handhaven ondanks druk van buitenaf. Met het letterlijk opvatten van deze onafhankelijkheidsverklaringen zou men echter het gevaar lopen voorbij te gaan aan de externe functies en in het bijzonder de sociale functies die onder meer zorgen voor selectie en hiërarchisering in het onderwijs, zelfs al lijken zij uitsluitend aan de logica dan wel de pathologie die het onderwijssysteem eigen is, te gehoorzamen. Zo draagt de ogenschijnlijk louter schoolse hiërarchieëncultus bijvoorbeeld steeds bij tot de verdediging en de legitimering van sociale hiërarchieën, tenminste voor zover de hiërarchieën in het onderwijs - of het nu gaat om de hiërarchie van graden of titels of om de hiërarchie van instellingen en vakken - iets te danken hebben aan de sociale hiërarchieën die zij willen reproduceren (in de dubbele zin van het woord). Men moet zich dus afvragen of de vrijheid die het onderwijssysteem gelaten wordt om zijn eigen eisen en hiërarchieën zwaarder te laten wegen dan bijvoorbeeld de meest in het oog springende eisen van het economisch systeem, niet in tegenspraak is met de verborgen diensten die het bepaalde klassen bewijst door de sociale selectie te verhullen achter de uiterlijke schijn van technische selectie en de reproduktie van de sociale hiërarchieën te legitimeren door omzetting van sociale hiërarchieën in hiërarchieën in het onderwijs.” (Bourdieu en Passeron, in Du Bois-Reymond en A. Wesselingh, 1970/1981, p.120) De hiërarchieën in het onderwijs – denk aan de onderwijsvormen en de verschillende richtingen binnen die onderwijsvormen – en de selectie en oriëntatie in het onderwijs – denk aan het examen – is niet neutraal. Integendeel, Bourdieu toont in zijn onderzoek aan dat die onderwijsgerelateerde hiërarchie en selectie in de feiten de sociale ongelijkheid legitimeert. Dit wil zeggen dat bepaalde sociale groepen in die schoolse hiërarchie en selectie bevoordeeld wordt, en aldus in het onderwijs en later ook op de arbeidsmarkt meer kansen krijgt.

Onderwijs, ongelijkheid en het examen[bewerken]

Het koppelteken tussen onderwijs-samenleving is volgens Bourdieu in onze huidige samenleving dus een problematische reproductie-relatie. Het examen speelt hier een belangrijke rol. Op het eerste zich zijn we geneigd de neutraliteit van het examen – als waarderings- en beoordelingssysteem – te vertrouwen, en dus te geloven in het beeld van objectiviteit dat het onderwijs van zichzelf ophangt. Het examen zal echter leerlingen met bepaald sociaal en cultureel kapitaal bevooroordelen, maar dat zal er ook toe leiden dat een aantal studenten zich op voorhand al gewonnen geven, de zogenaamd geanticipeerde zelfuitsluiting. Die laatste groep wordt niet uitgesloten, maar sluiten zichzelf uit, en het zijn natuurlijk vaak die groepen die ook uit de statistieken vallen, of toch niet opgemerkt worden. Bourdieu (1970) formuleert het in zijn eigen typische stijl als volgt: “Aldus leidt een analyse van de functies van het examen die wil breken met de spontane sociologie, dat wil zeggen met het gezichtsbedrog, dat het onderwijssysteem graag aan zijn functioneren en zijn functie zou toeschrijven, ertoe om in de plaats van het zuiver docimologisch onderzoek van het examen, dat nog steeds de verborgen functies van het examen dient, een stelselmatige bestudering te stellen van de uitsluitingsmechanismen als meest geschikte plaats voor het begrijpen van de relatie tussen het functioneren van het onderwijssysteem en de voortzetting van de structuur van de klasseverhoudingen. Niets is beter geschikt dan het examen om allen te overtuigen van de rechtmatigheid van de schoolvonnissen en de sociale hiërarchieën die zij legitimeren, aangezien het hen die zichzelf uitsluiten ertoe brengt zich gelijk te stellen aan degenen die zakken, terwijl het toch hen die uit een klein aantal verkiesbaren zijn uitverkoren, toestaat om in hun uitverkiezing de getuigenis te zien van een verdienste of een 'gave' die hen boven alle anderen een voorkeurspositie zou verschaffen.” (Bourdieu en Passeron, in Du Bois-Reymond en A. Wesselingh, 1970/1981, p.128) De relatie educatie-samenleving is er dus één tussen sociaal selectieve examens en een reproductie van klassenverhoudingen.

Onderwijsongelijkheid reproduceert sociale ongelijkheid[bewerken]

Bourdieu wil met name het belang van culturele (en niet enkel economische of financiële) elementen onder de aandacht brengen wanneer het gaat om het reproduceren van sociale ongelijkheid. Cultureel kapitaal impliceert natuurlijk ook dat de plaats waar dat initieel verworven wordt, van belang is: het gezin. Kinderen groeien op in heel uiteenlopende gezinnen, en verwerven op die manier verschillende hoeveelheid en soorten cultureel kapitaal. Het probleem is natuurlijk indien er een afstand is tussen dat verworven cultureel kapitaal en het dominante cultureel kapitaal van een school. Jonge mensen worden dan geconfronteerd met kapitaal – taalgebruik, smaak, kennis – dat niet of nauwelijks lijkt te rendeneren op school. Op die manier zal de school hen niet in staat stellen ander of meer kapitaal te verwerven, maar integendeel de ongelijke positie voor de schoolpoorten reproduceren. Reproductie betekent voor Bourdieu dan ook dat sociale ongelijkheid wordt omgezet in een onderwijs(interne)ongelijkheid (volgens de interne ‘neutrale’ logica van onderwijs) en die onderwijsongelijkheid (zoals bijvoorbeeld geen diploma of een ‘lager’ diploma) leidt terug naar sociale ongelijkheid. Belangrijk is dus dat Boudrieu naar voren haalt dat onderwijs niet iedereen gelijke kansen geeft om een onderwijskwalificatie te verwerven, en voor zover die onderwijskwalificatie bepalend is voor de positietoewijzing in de huidige samenleving , zijn de ongelijke kansen in het onderwijs ook ongelijke kansen in de samenleving. Precies omdat ‘het examen’ zo een belangrijke rol speelt, is elke reproductie van ongelijkheid volgens Bourdieu ook een legitimering van die ongelijkheid: ‘je hebt de capaciteit niet’, ‘je hebt de aanleg niet’, ‘je hoort in die richting thuis’, ‘dat kan je niet aan’. Onderwijs is daarom een reproductie-instrument dat haar eigen functie kan verhullen. Het is een instrument om de klassenstructuur in de samenleving te bestendigen, maar haar claim van objectiviteit onttrekt dat aan het zicht. En dat is volgens Bourdieu ook de reden waarom er een relatieve gelatenheid is tegenover deze reproductie-processen, zelfs aan de kant van de slachtoffers. Zij leggen zich immers vaak bij dat examen, en de geclaimde objectiviteit in beoordeling en oriëntatie, neer. Precies omdat en zolang onderwijs is wil blijven profileren als een relatief autonoom systeem (tov gezin en economie…), kan het die reproducerende functie blijven vervullen. Vandaar dat Bourdieu (Bourdieu en Passeron, in: Du Bois-Reymond en A. Wesselingh, 1970/1981, p.134) stelt dat men vaak de “geschiktheid van tests om natuurlijke geschiktheid te vatten” overschat omdat men de “vaardigheid van de school” onderschat “om de mensen te laten geloven in het natuurlijke karakter van geschiktheid en ongeschiktheid.” De school doet ons geloven dat we bijvoorbeeld ongeschikt zijn, en dat dit een natuurlijke oorzaak heeft, en dus niets met sociale of culturele zaken te maken zou hebben.

Reflecties over reproductie[bewerken]

De kernproblematiek die met deze focus op ‘reproductie’ naar voren treedt, is ongelijkheid, en meer bepaald de reproductie van sociale ongelijkheid in naam van onderwijs(kundige) objectiviteit. Ongelijke kansen op kwalificatie en dus ook verschillen in sociale waardering (van bijvoorbeeld richtingen of diploma’s) maken dat het onderwijs de ongelijke kapitalistische samenleving in stand houdt. In een kapitalistische samenleving gaat het dan voor Bourdieu niet enkel om een klasse met veel en weinig economisch kapitaal maar ook om de verdeling van en verschillen tussen cultureel kapitaal. In deze benadering staat onderwijs gelijk met leren, en leren komt dan weer neer op het verwerven van cultureel kapitaal. Voorop staat met andere woorden vooral de kwalificatie-functie van het onderwijs, en de manier waarop die functie reproductie aan het zicht onttrekt. Bourdieu hanteert geen functionalistische benadering (zoals bij Durkheim), maar een conflict benadering. De school is een wapen in de klassenstrijd in de kapitalistische samenleving, en dus een middel voor de dominante klasse om haar macht en privileges te behouden. Minstens impliciet zit in dergelijke conflict benadering ook een instrumentele visie op onderwijs; (hervormd) onderwijs zou het sociaal-politieke middel moeten zijn om ongelijkheid te doorbreken en dus een meer gelijke samenleving te realiseren. Dit laatste zal bij iemand als Michael Apple nog meer op de voorgrond komen te staan.

Referenties[bewerken]

Bourdieu, P. & Passeron, J.-C. (1970/1981). Examen en uitsluiting zonder examen. In M. Du Bois-Reymond & A. Wesselingh (red.), School en maatschappij. Sociologen over onderwijs en opvoeding (pp. 120-134). Groningen: Wolters-Noordhoff.

Bourdieu, P. (1986/2006). The forms of capital. In H. Lauder, P. Brown, J.A. Dillabough & A.H. Halsey (eds.)(2006), Education, Globalization & Social change (pp. 106-118). Oxford: Oxford University Press.

Bourdieu, P. & Passeron, J.C.(1970). La reproduction. Éléments pour une théorie du système d'enseignement. Paris: Editions de Minuit.

Bourdieu, P. (1979). La distinction. Critique sociale du jugement. Paris: Editions de Minuit.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.